Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BH4447

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2008
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
200.014.941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gebleken dat schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met betalen van de schulden (art. 288 lid 1 a Fw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer 200.014.941

arrest van de eerste civiele kamer van 30 oktober 2008

inzake

[appellante],

wonende te woonplaats,

appellante,

advocaat mr. H.M. Mauritz te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 september 2008 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 19 september 2008 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, alsmede van de brief met bijlagen van 16 oktober 2008 van de advocaat van [appellante].

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2008, waarbij [appellante], ondanks behoorlijke oproeping, zonder opgaaf van redenen niet is verschenen. Namens haar is haar advocaat ter zitting verschenen.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhoor ter zitting is gebleken dat [appellante] een 41-jarige gescheiden vrouw is, die samen met haar drie dochters van respectievelijk 9, 19 en 22 jaar oud een gezin vormt. Sinds april 2008 woont zij weer samen met haar ex-echtgenoot, van wie zij in 2004 is gescheiden. De schuldenlast van [appellante] bedraagt € 19.439,10 en betreft een doorlopend krediet bij Fortisbank, dat in februari 1999 is afgesloten.

3.2 De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij ten aanzien van het onbetaald laten van de schuld te goeder trouw is geweest, alsmede dat zij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank baseert haar oordeel op de vaststelling dat [appellante] de voortzetting van de lopende betalingsregeling heeft geweigerd omdat zij vanwege het doorberekenen van de rente te lang zou moeten blijven doorbetalen.

3.3 [appellante] kan zich met het vonnis van de rechtbank niet verenigen en voert aan dat zij, anders dan de rechtbank overweegt, in het geheel niet kan voortgaan met het betalen van de schuld aan Fortis. [appellante] wilde wel degelijk de eerder met Fortis afgesproken betalingsregeling (van € 150,- per maand) voortzetten, nadat deze door Fortis was beëindigd wegens wanbetaling in de periode dat zij wegens familieomstandigheden in het buitenland verbleef. [appellante] kon niet voldoen aan de door Fortis nader vastgestelde maandtermijn en aan gestelde nieuwe voorwaarden, waaronder de hervatting van het berekenen van rente, waardoor [appellante] tot in lengte van jaren op deze schuld zou moeten aflossen. Dit laatste is juist aanleiding voor [appellante] geweest om een verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in te dienen. [appellante] betwist voorts dat zij iets van doen heeft gehad met het ontstaan van de schuld aan Fortis. Deze schuld betreft een in 1999 aangegane kredietovereenkomst, die zij onder druk van haar ex-echtgenoot, die overigens wèl is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, mede heeft ondertekend. [appellante] is voornemens om zich maximaal in te spannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Zij wijst er in dit verband op dat zij ondanks haar gezondheidsproblemen 10 uur per week werkzaam is als schoonmaakster en dat de rechtbank ten onrechte twijfelt aan haar inzet om zoveel mogelijk inkomen te genereren ten behoeve van Fortis.

3.4 Het hof is van oordeel dat ook in hoger beroep niet is gebleken dat [appellante] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden of in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, zodat het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds op deze grond moet worden afgewezen. [appellante] heeft immers niets concreets gesteld waaruit valt af te leiden dat zij niet in staat is de maandelijkse termijn aan Fortis te voldoen. In dat verband overweegt het hof dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit is af te leiden welke betalingsafspraken zij met Fortis heeft gemaakt, hoe de nakoming van die afspraken is geweest en op welke grond die nakoming thans niet meer mogelijk is. De enkele omstandigheid dat de aflossing van een schuld - mede als gevolg van de hervatting van het berekenen van rente - vele jaren zal vergen, leidt niet tot het oordeel dat [appellante] in voornoemde situatie verkeert. In aansluiting hierop oordeelt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat [appellante] ten aanzien van het onbetaald laten van de schuld aan Fortis te goeder trouw is geweest, nu niet is komen vast te staan dat [appellante] louter uit betalingsonmacht de betalingsregeling met Fortis niet is kunnen nakomen.

3.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 september 2008.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, V. van den Brink en L.R. van der Weij en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2008.