Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BH3171

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
23-000652-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH3084, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH3084
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd naar aanleiding van conclusie van AG Knigge bij de HR (LJN BH3084) waarin onder meer wordt ingegaan op het eerste cassatiemiddel dat er over klaagt dat het hof in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM voor het bewijs van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit gebruik heeft gemaakt van een verklaring die de verdachte bij de politie aflegde zonder dat uit het dossier blijkt dat verdachte erop is gewezen dat hij het recht heeft zich bij of voorafgaand aan het verhoor te verstaan met een advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000652-07

datum uitspraak: 21 januari 2008

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 15 januari 2007 in de strafzaak onder parketnummer 14-732797-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 januari 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een enigszin andere bewijsconstructie.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.hij op 24 augustus 2006 in de gemeente Alkmaar parkeercontroleur [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers verdachte is opzettelijk dreigend met een door hem bestuurd motorvoertuig zodanig op die [slachtoffer 1] ingereden dat deze zich genoodzaakt zag opzij te springen;

2.hij op 24 augustus 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1], parkeercontroleur in dienst bij regiopolitie Noord-Holland Noord, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord ‘lul’;

3.hij op 20 juni 2006 in de gemeente Alkmaar opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [naam], hoofdagent van politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord “Ga weg mongool” en “Straks stomp ik je op je bek, mongool”.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de auto van de verdachte op de taxistandplaats zover naar voren stond dat de verdachte na het starten van de auto onmiddellijk naar rechts moest sturen om de naar rechts afbuigende weg te kunnen volgen. En dat de verdachte daarbij niet het (deels verhoogde) trottoir is opgereden. Voorts heeft de verdediging gesteld dat [slachtoffer 1] op dat moment ter hoogte van het raam van de bijrijder stond, zodat de verdachte niet op hem kan zijn ingereden. Gelet op de positie van verdachtes auto en [slachtoffer 1] kan [slachtoffer 1] daarom ook niet bijna klem hebben gestaan tussen de boom en verdachtes auto. De verdediging heeft ter adstructie foto’s overgelegd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. [slachtoffer 1] verklaart op 24 augustus 2006 bij de

politie onder meer, zakelijk weergegeven:

Ik ben naar de voorzijde van de auto gelopen. Toen ik ongeveer anderhalve meter van de auto

verwijderd stond, hoorde ik dat de bestuurder de motor startte. Ik zag dat de bestuurder zijn stuur omdraaide en ineens het verhoogde trottoir op kwam rijden. Ik had weinig ruimte om weg te springen, omdat ik tussen deze auto en een aantal tegen een boom geplaatste fietsen stond.

[naam] verklaart hierover, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat [slachtoffer 1] de voorzijde van de auto bekeek, kennelijk met de bedoeling het kenteken te lezen. Ik zag [slachtoffer 1] aan de zijkant van de auto blijven staan. Hij stond op het trottoir, dat iets verhoogd is ten opzichte van het wegdek waar de auto was geparkeerd.

Ik hoorde dat de bestuurder de motor startte en gas gaf, ik zag de bestuurder zijn stuur omgooien en met zijn auto het trottoir oprijden in de richting van [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] hierdoor opzij moest springen.

Gelet op deze verklaringen acht het hof aannemelijk dat de verdachte zijn auto op 24 augustus 2006 iets meer naar achteren had geparkeerd dan door de verdediging is aangegeven en ook dat [slachtoffer 1] op het trottoir stond en niet naast de auto van de verdachte maar schuin voor de auto. Door een zwaai te geven aan het stuur is de verdachte in de richting van [slachtoffer 1] gereden die zich genoodzaakt zag om opzij te springen. Dit verklaart ook dat [slachtoffer 1], kennelijk van schrik, de verdachte een scheldwoord toevoegde. Deze gang van zaken en deze positie van het slachtoffer staan niet op gespannen voet met hetgeen op de ter terechtzittig overgelegde foto’s te zien is.

Het hof verwerpt daarom het verweer.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezengeachte levert op:

-bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 2 en 3 bewezengeachte levert op:

-eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Alkmaar heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor

de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk niet ten uitvoer wordt gelegd.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte is bij beide feiten aangesproken op zijn parkeergedrag. Op 20 juni 2006 heeft hij daarop een agent uitgescholden. Op 24 augustus 2006 is de verdachte, toen de parkeerwachter een bon wilde uitschrijven op hem ingereden, kennelijk om hem schrik aan te jagen. De parkeerwachter schrok inderdaad en schold in zijn schrik op de verdachte. Daarop ging de verdachte zijn auto uit, liep hij op de parkeerwachter af en schold vervolgens op hem. Onder die omstandigheden is het feit dat de parkeerwachter als eerste een scheldwoord gebruikt geen verzachtende omstandigheid.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 november 2007 is verdachte eerder veroordeeld.

Het hof acht, met de politierechter en de advocaat-generaal, een werkstraf voor de duur van zestig uren passend en geboden. In de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor soort-gelijke feiten is veroordeeld, ziet het hof aanleiding te bepalen dat een gedeelte van twintig uren van die werkstraf voorwaardelijk niet ten uitvoer wordt gelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 (zestig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van die taakstraf, groot 20 (twintig) uren, in geval van niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. A.W. Kist en mr. W.J.B. Zeijl, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 januari 2008.

Mr. A.W. Kist en mr. W.J.B. Zeijl zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.