Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG8093

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
23-000799-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafoplegging van op Schiphol aangehouden drugskoeriers aan de hand van de LOVS-oriëntatiepunten straftoemeting inzake drugskoeriers. Wijziging rekwireerbeleid van het openbaar ministerie ten aanzien van Schipholzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000799-08

datum uitspraak: 22 december 2008

TEGENSPRAAK (raadsman gemachtigd)

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 29 januari 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-801205-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1956],

wonende op het adres [adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 januari 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 17 juni 2008 en 8 december 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bespreking van een verweer

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie in zijn hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu het hof in twee arresten van 4 november 2008 heeft aangegeven de landelijke LOVS-oriëntatiepunten straftoemeting inzake drugskoeriers te volgen in zaken waarin sprake is van smokkel van verdovende middelen naar Nederland via de luchthaven Schiphol, terwijl in deze zaak hoger beroep is ingesteld om het strafrechterlijk beleid aan de kaak te stellen, waarmee het belang dat het openbaar ministerie in deze zaak heeft aan het hoger beroep is komen te ontvallen.

Het hof verwerpt het verweer.

De advocaat-generaal wenst, zoals uit zijn toelichting blijkt, in verband met een wijziging in het rekwireerbeleid van het openbaar ministerie ten aanzien van Schipholzaken en de daarop volgende vonnissen van de rechtbank Haarlem (waarin het openbaar ministerie zich wat betreft de straftoemeting niet kan vinden) een aantal zaken in hoger beroep aan het hof voor te leggen, waaronder de onderhavige zaak. Weliswaar is recentelijk door het hof uitspraak gedaan in vergelijkbare zaken, maar dit laat onverlet de beoordeling van deze zaak in hoger beroep,

nu het openbaar ministerie vrij is zaken die het daartoe geschikt acht aan het hof ter beoordeling voor te leggen. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 22 oktober 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en verbeurdverklaring van een vliegticket en een instapkaart en teruggave van een telefoontoestel.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Nu de vordering van de advocaat-generaal op 17 juni 2008 is ondertekend, en derhalve valt onder het voormalig regime van de vervroegde invrijheidsstelling, zal het hof, gelet op het gegeven dat deze zaak alleen aan het hof ter beoordeling is voorgelegd in verband met de straftoemeting, het onvoorwaardelijk deel van de gevorderde op te leggen gevangenisstraf berekenen naar de huidige regels inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof gaat er daarom van uit dat het de bedoeling van de advocaat-generaal is geweest te vorderen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 12 maanden en 10 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft -wat betreft de duur van de op te leggen gevangenisstraf- betoogd dat in dit soort zaken een onderscheid wordt gemaakt, dat vroeger, in een situatie van een grote toestroom op Schiphol van drugskoeriers die door politie en justitie niet goed kon worden opgevangen, op zijn plaats was, maar thans niet meer te rechtvaardigen is. Dit onderscheid wordt alleen op de luchthaven Schiphol gemaakt en niet op andere, met Schiphol vergelijkbare locaties. Van een toevloed aan drugskoeriers die het strafrechtelijk systeem verstoort, is thans geen sprake meer. Dat bracht het openbaar ministerie tot heroverweging van het nut en de noodzaak van afwijkende oriëntatiepunten voor drugskoeriers op Schiphol. Het openbaar ministerie heeft besloten voortaan ook voor drugskoeriers op Schiphol te eisen conform de LOVS oriëntatiepunten straftoemeting, die ook elders in Nederland gehanteerd worden in soortgelijke zaken. Zonder nadere motivering kan volgens het openbaar ministerie geen lagere straf worden opgelegd dan die in deze oriëntatiepunten wordt vermeld.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft in deze specifieke zaak onderzoek laten doen naar hoe het beleid op Schiphol zich verhoudt tot het beleid elders in het land op andere, met Schiphol vergelijkbare, locaties, niet alleen wat betreft het vervolgingsbeleid, maar ook ten aanzien van de feitelijke strafvervolging en de strafoplegging. De advocaat-generaal heeft in zijn memo over dit onderzoek een overzicht gegeven van het beleid elders in het land, niet alleen wat betreft het vervolgingsbeleid, maar ook ten aanzien van de feitelijke strafvervolging en de strafoplegging. Uit dit overzicht valt op te maken, dat een enkele rechtbank de BOS/POLARIS, maar de meeste de LOVS oriëntatiepunten straftoemeting tot uitgangspunt nemen. Het hof is van oordeel dat in de resultaten van dit onderzoek geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor een verschil in strafoplegging tussen elders en op Schiphol aangehouden drugskoeriers.

Nu bovendien de situatie op Schiphol zodanig is gewijzigd dat van een toestroom van drugskoeriers die eerder een afwijkend standpunt ten aanzien van de straftoemeting rechtvaardigde geen sprake meer is, en ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een dergelijk onderscheid rechtvaardigen, zal het hof in deze zaak, evenals in de zaken berecht op 4 november jl., aansluiting zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten straftoemeting en deze toepassen op drugskoeriers die op of na 4 november 2008 terecht staan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 1960 gram cocaïne, een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid is van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 juni 2008 is verdachte eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof merkt daarbij op dat hij het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf, zal berekenen naar de huidige regels inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden en 10 (tien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een vliegticket SLM. vlucht pbm-ams op 21-10-07

- een instapkaart SLM PY 994 vlucht PBM-AMS.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een telefoontoestel, merk Sagem.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.A.M. de Wit, mr. H.J. Bronkhorst en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 december 2008.