Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG7114

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
08/78
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BC1276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Douanekamer deelt het standpunt van de inspecteur dat de goederen, gelet op de aanwezige lampjes, moeten worden aangemerkt als ‘elektrische guirlandes’. Zij vertonen, gelijk bij waarneming van het ter zitting overgelegde monster is gebleken, de aan slingers eigen objectieve eigenschap dat zij over meubels en dergelijke kunnen worden gedrapeerd of aan een muur kunnen worden opgehangen, en zijn daar ook voldoende soepel voor.

Deze vaststelling brengt met zich dat letter t van Aantekening 1 op Hoofdstuk 95 moet worden toegepast, hetgeen betekent dat de goederen niet in Hoofdstuk 95 kunnen worden ingedeeld. De Aantekening verwijst voor dat geval naar post 9405. Uit letter l van Aantekening 1 op Hoofdstuk 94 volgt een soortgelijke conclusie, namelijk dat de onderhavige goederen binnen Hoofdstuk 94 moeten blijven.

In post 9405 is onderverdeling 30 00 niet mogelijk, omdat het niet wel denkbaar is dat de goederen vanwege de groene namaak-dennennaalden in een kerstboom met dezelfde uiterlijke verschijningsvormen worden gehangen.

Dit zo zijnde blijft slechts voor indeling van de goederen de sluitpost van andere elektrische

verlichtingstoestellen van kunststof over, te weten post 9405 40 39.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2678
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 08/78 DK

uitspraak van de Douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst /Douane

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/11387 van de meervoudige douanekamer van de rechtbank Haarlem van 10 december 2007 in het geding tussen

de naamloze vennootschap A N.V.,

gevestigd te B,

belanghebbende,

gemachtigden mr. C.

en

de inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. Belanghebbende heeft op 23 november 2004 een aangifte voor het vrije verkeer gedaan onder nummer IM4 38337.07 0400038857. De verificatie van deze aangifte is aangehouden. Op 24 november 2004 is aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling van € 3.809,19 aan douanerechten gedaan. De verificatie is op 12 januari 2005 beëindigd, waarbij het bedrag van de uitnodiging is verminderd tot € 2.821,61.

1.2. Bij brief van 27 februari 2006 heeft belanghebbende op de voet van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (CDW) een verzoek tot terugbetaling van het bedrag van

€ 2.821,62 gedaan. Bij beschikking van 11 mei 2006 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen.

1.3. Op 21 juni 2006 is belanghebbende in bezwaar gekomen. Met kenmerk 06/379/4659/143 heeft de inspecteur dat bezwaar bij uitspraak van 26 september 2006 afgewezen.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 3 november 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem, aldaar ingekomen op 6 november 2006. Met de in de aanhef hierboven vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de inspecteur opgedragen de gevraagde teruggaaf van douanerechten te verlenen.

2. De procedure voor de Douanekamer van het Gerechtshof

2.1. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur op 18 januari 2008 hoger beroep ingesteld bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer). De gronden van dat beroep zijn aangevuld bij brief, ingekomen ter griffie van de Douanekamer op 14 februari 2008.

2.2. Belanghebbende heeft op 19 maart 2008 een verweerschrift ingediend.

2.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Aldaar zijn verschenen mr. C. Namens de inspecteur is verschenen mr. A. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

3. De feiten

3.1. De Douanekamer neemt de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten over:

“2.1. Op 23 november 2004 heeft eiseres aangifte ten invoer gedaan met het nummer IM4 38337.07 04 00038857. De omschrijving van de goederen luidt: “kerstfeestartikelen van andere stoffen” en als goederencode is aangegeven post 9505.1090 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT). Bij de aangifte behoort een factuur van “D” te Hong Kong, China, waarop als omschrijving van de goederen is vermeld:

“1467 Ctns. Project No. MCU/04/1619

X’mas Decoration

Pre-Lighted PVC

garland 10Mtr.

(Art. No. X06MC-G0740-33L00)

Color – Green”

2.2. Tevens behoort tot de stukken van het geding een Formulier A, afgegeven in de Republiek China, waarop in vak 7 onder omschrijving van de goederen is vermeld:

“X’MAS DECORATION

(PRE-LIGHTED PVC GARLAND 10 MTR)

PROJECT NO. MCU/04/1619”

2.3. Het ingevoerde product is een guirlande (dennenrank) die wordt verkocht onder de naam ‘Dennenboog ‘Bellingham’ pre-lighted’, voorzien van kunststof dennennaalden in korte takvorm (tips) en een geïntegreerde elektrische verlichting. De guirlande heeft een lengte van ongeveer tien meter en bevat 100 lampjes.

2.4. Tot de stukken van het geding behoort een uitslag monsteronderzoek van de Belastingdienst/Douane, met dagtekening 24 november 2004, waarin eiseres wordt medegedeeld dat op basis van de bij de aangifte overgelegde bescheiden, overleg aangever en fysieke controle en monstername van identieke goederen, de GN code 9405.3000.00.0000.00.00 (3,7 % i.r.) dient te zijn. In beroep staat tussen partijen vast dat de Dennenboog Bellingham niet onder 9405.3000 ingedeeld kan worden, omdat het geen elektrische kerstboomverlichting betreft.

2.5. Op 1 december 2004 heeft eiseres, namens de importeur van de goederen F B.V., om herverificatie van de goederen verzocht. Dit onderzoek heeft dezelfde dag plaatsgevonden. Blijkens een memo aan eiseres was de uitslag van de herverificatie dat de Dennenboog Bellingham ingedeeld dient te worden in post 9405.4039.00, zijnde andere verlichtingstoestellen van kunststof. Vervolgens is het onder 1 genoemde bedrag van € 2.821,61 geheven, waarvoor nadien het in geding zijnde verzoek tot teruggaaf op de voet van artikel 236 CDW is gedaan.

2.6. Tot de stukken van het geding behoort een afdruk van de website van F B.V., waar de Dennenboog Bellingham onder het subkopje ‘Dennengroen’ te bekijken en te bestellen is. Het subkopje ‘Dennengroen’ valt onder het kopje ‘Kerst’ op de website.

3.2. Ter zitting heeft belanghebbende een - naar partijen eenstemmig verklaard hebben -

representatief voorbeeld van de goederen getoond en overgelegd.

4. Het geschil en de relevante wetsbepalingen

4.1. In wezen is in geschil het antwoord op de vraag of de in casu voor het vrije verkeer aangegeven ‘dennenranken’ moeten worden ingedeeld onder post 9405 40 39,

hetgeen de inspecteur bepleit, dan wel onder post 9505 10 90 van de Gecombineerde Nomenclatuur van het Gemeenschappelijk douanetarief (GN), zoals belanghebbende verdedigt.

4.2. De relevante wettelijke bepalingen luiden als volgt:

Post 9405 40 39

‘9405 Verlichtingstoestellen (zoeklichten en schijnwerpers daaronder begrepen)

en delen daarvan, elders genoemd noch elders onder begrepen;

lichtreclames, verlichte aanwijzingsborden en dergelijke artikelen,

voorzien van een vast aangebrachte lichtbron, alsmede elders genoemde

noch elders onder begrepen delen daarvan:

(…)

9405 30 00 -elektrische guirlandes van de soort gebruikt voor kerstboomverlichting

9405 40 -andere elektrische verlichtingstoestellen

9405 40 10 --zoeklichten en schijnwerpers

--andere

---van kunststof

(…)

9405 40 39 ----andere’.

Post 9505 10 90

‘9505 10 90 Feestartikelen, carnavalsartikelen en andere

ontspanningsartikelen,benodigdheden voor het goochelen en fop- en

schertsartikelen daaronder begrepen

9505 10 -kerstfeestartikelen

(…)

9505 10 90 --van andere stoffen

Aantekening 1, aanhef en letter l, op Hoofdstuk 94

‘1. Dit hoofdstuk omvat niet:

(…)

1) meubelen en verlichtingsartikelen, met het karakter van speelgoed (post 9503), biljarten van alle soorten en meubelen voor gezelschapsspellen (post 9504), alsmede tafels voor goochelaars en versieringsartikelen (andere dan elektrische guirlandes), bijvoorbeeld lampions (post 9505).’.

Aantekening 1, aanhef en letter t, op Hoofdstuk 95

“Dit hoofdstuk omvat niet:

(…)

t) elektrische guirlandes van alle soorten (post 9405)”.

5. Het standpunt van belanghebbende

5.1. De goederen zijn, zoals uit het ter zitting getoonde monster blijkt, kunstdennentakken/ranken van ‘kerstboom look’. Het is zeker geen verlichtingstoestel.

Het is ook niet de guirlande die in post 9405 van de GN wordt bedoeld. Dat woord wordt vaak verkeerd gebruikt. De ranken zijn niet soepel genoeg om als slingers te worden aangemerkt.

5.2. De dennenranken worden normaal in de periode rond kerst gebruikt. Ze worden aangeboden als kerstartikel. De kleur, dennengroen, verwijst overduidelijk naar het kerstfeest. De goederen zijn niet het gehele jaar algemeen verkrijgbaar.

5.3. Post 9405 heeft gezien de Toelichting (IDR) geen betrekking op decoratieve producten waarin verlichting is aangebracht. Het is niet mogelijk een kamer te verlichten met de onderhavige dennenranken; de verlichting is enkel sfeerverhogend.

5.4. Indien de Douanekamer de goederen mocht beschouwen als een samengesteld product, geldt dat het wezenlijke karakter wordt bepaald door de dennenranken, die tot doel hebben het creëren van kerstsfeer, dus decoratie. Regel 3b leidt dan tot de dezerzijds voorgestane indeling.

Mocht die regel niet van toepassing worden geacht, dan is regel 3c aan de orde, welke eveneens tot indeling in post 9505 leidt.

6. Het standpunt van de inspecteur

6.1. De rechtbank stelt feitelijk vast dat het in casu om guirlandes gaat. Onbegrijpelijk is dan, dat de rechtbank vervolgens geen aandacht besteedt aan Aantekening 1, onderdeel l, op hoofdstuk 94.

6.2. Belanghebbende wil doen geloven dat de onderhavige producten geen guirlandes zijn.

Mij zijn evenwel geen vereisten bekend ten aanzien van de mate van souplesse van een product om te kunnen kwalificeren als guirlande. De bewoordingen van post 9405 30 00

laten ruimte voor andere soorten guirlandes dan soepele snoeren met lampjes, waarvan de

de onderhavige producten voorbeelden zijn.

In de bij de aangifte voor het vrije verkeer overgelegde factuur worden de producten omschreven als “garland”, de Engelse term voor guirlande. Aan het bij de rechtbank overgelegde plaatje is te zien dat het product in een boog hangt, en, gezien de lengte, 10 meter, meerdere bogen kan maken.

6.3. De conclusie kan geen andere zijn dan dat de producten elektrische guirlandes van post 9405 40 39 van de GN zijn.

Er is dan geen ruimte meer voor beoordeling of er sprake is van artikelen die gewoonlijk in de kerstperiode worden gebruikt.

7. De overwegingen van de Douanekamer

7.1. De Douanekamer deelt het standpunt van de inspecteur dat de goederen, gelet op de aanwezige lampjes, moeten worden aangemerkt als ‘elektrische guirlandes’. Zij vertonen, gelijk bij waarneming van het ter zitting overgelegde monster is gebleken, de aan slingers eigen objectieve eigenschap dat zij over meubels en dergelijke kunnen worden gedrapeerd of aan een muur kunnen worden opgehangen, en zijn daar ook voldoende soepel voor.

7.2. Deze vaststelling brengt met zich dat letter t van Aantekening 1 op Hoofdstuk 95 moet worden toegepast, hetgeen betekent dat de goederen niet in Hoofdstuk 95 kunnen worden ingedeeld. De Aantekening verwijst voor dat geval naar post 9405. Uit letter l van Aantekening 1 op Hoofdstuk 94 volgt een soortgelijke conclusie, namelijk dat de onderhavige goederen binnen Hoofdstuk 94 moeten blijven.

7.3. In post 9405 is onderverdeling 30 00 niet mogelijk, omdat het niet wel denkbaar is dat de goederen vanwege de groene namaak-dennennaalden in een kerstboom met dezelfde uiterlijke verschijningsvormen worden gehangen.

Dit zo zijnde blijft slechts voor indeling van de goederen de sluitpost van andere elektrische

verlichtingstoestellen van kunststof over, te weten post 9405 40 39.

7.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

8. Proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. De beslissing

De Douanekamer :

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

De uitspraak is vastgesteld op 2 december 2008 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. A. Bijlsma en mr. K. Kooijman, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van

mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.