Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG6790

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
200.004.653/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat is komen vast te staan dat de opdracht die de kandidaat-notaris was verstrekt slechts zag op het afgeven van een verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van erflaatster. De werkzaamheden die de kandidaat-notaris daarnaast heeft verricht, hebben bij klager kennelijk de verwachting gewekt dat zij de boedel verder zou afwikkelen. Het ware beter geweest dat de kandidaat-notaris tegenover klager duidelijker was geweest. Door telkens schriftelijk te reageren op brieven klager heeft zij mogelijk de indruk gewekt dat klager meer van haar kon verwachten dan het enkel opstellen van meergenoemde verklaring. Deze handelwijze leidt echter niet tot gegrondheid van de klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2009, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 9 december 2008 in de zaak onder nummer 200.004.653/01 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [naam],

kandidaat-notaris t[plaats]]

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof is op 18 april 2008 ingekomen een verzoekschrift – met bijlagen – van de zijde van appellant, hierna ook te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Utrecht, verder te noemen de kamer, van 10 april 2008, voor zover de kamer daarbij de klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de kandidaat- notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2. Voorts zijn van de zijde van klager op 6 en 26 mei 2008, 17 en 19 juni 2008, 8 en 22 juli 2008 en 9 september 2008 brieven en aanvullingen op het verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de kandidaat-notaris zijn op 30 juni 2008 een verweerschrift en op 8 september 2008 een brief ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2008. De kandidaat-notaris is verschenen en zij heeft het woord gevoerd. Klager heeft van te voren te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de kandidaat-notaris dat zij de omvang van de nalatenschap van erflaatster niet heeft vastgesteld en in onvoldoende mate heeft onderzocht of zich onregelmatigheden hebben voorgedaan en met betrekking tot de boedelverdeling klager slechts heeft verwezen naar zijn familieleden.

5. Het standpunt van de kandidaat-notaris

5.1. De kandidaat-notaris betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt.

5.2. De kandidaat-notaris heeft betoogd dat [naam] haar slechts had verzocht om een verklaring van erfrecht op te stellen en dat zij voor andere werkzaamheden de afwikkeling van de nalatenschap van klagers moeder betreffende geen opdracht heeft gekregen. Zij heeft klager ook nooit iets anders medegedeeld. Om deze reden heeft zij klager voor verdere informatie verwezen naar zijn familieleden. De overige werkzaamheden die de kandidaat-notaris heeft verricht, heeft zij verricht in het kader van serviceverlening.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat is komen vast te staan dat de opdracht die de kandidaat-notaris was verstrekt slechts zag op het afgeven van een verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van erflaatster. De werkzaamheden die de kandidaat-notaris daarnaast heeft verricht, hebben bij klager kennelijk de verwachting gewekt dat zij de boedel verder zou afwikkelen. Het ware beter geweest dat de kandidaat-notaris tegenover klager duidelijker was geweest. Door telkens schriftelijk te reageren op brieven klager heeft zij mogelijk de indruk gewekt dat klager meer van haar kon verwachten dan het enkel opstellen van meergenoemde verklaring. Deze handelwijze leidt echter niet tot gegrondheid van de klacht.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.3. Het vorenoverwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beslissing van de kamer van 10 april 2008, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en A.M.A. Verscheure en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 december 2008 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT

BESLISSING van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht op de klacht van:

[naam],

wonende te [plaats],

klager,

-t e g e n-

mevrouw mr. [naam],

kandidaat-notaris te [plaats]]

beklaagde.

De procedure

Bij brief van 11 oktober 2007, met enige bijlagen, heeft klager zich tot deze Kamer gewend met een klacht over mevrouw mr. [naam], hierna: de kandidaat-notaris, die als zodanig is verbonden aan het kantoor van mr.[X] notaris te [plaats].

Bij brief van 8 november 2007 heeft de kandidaat-notaris op de klacht geantwoord.

Bij brief van diezelfde datum heeft de notaris mr. [X] de Kamer verzocht de klacht op te vatten als tegen hem te zijn gericht.

De klacht is op 31 januari 2008 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn de kandidaat-notaris en de notaris verschenen.

De notaris heeft zijn verzoek toegelicht. De kandidaat-notaris heeft haar standpunt toegelicht.

De Kamer heeft daarop de uitspraak bepaald op heden.

De feiten

a. Op 11 augustus 2006 i[naam], weduwe van [naam], overleden. Laatstgenoemde is overleden op 24 februari 1991. Beiden hadden bij leven, laatstelijk op 17 augustus 1977, bij testament over hun nalatenschap beschikt.

b. [naam], broer van klager, trad op als zaakwaarnemer van zijn moeder tot aan haar overlijden. Mr. D.L. Jaquet, notaris te Woerden, werd belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Bij brief van 13 oktober 2006 heeft notaris Jaquet klager bericht dat hij door [naam] van zijn taak was ontheven.

c. Na het overlijden van [naam] op 18 juni 2007 heeft [naam], eveneens een broer van klager, zich tot het kantoor van de kandidaat-notaris gewend. De kandidaat-notaris heeft -onder andere- op verzoek van [naam] een verklaring van erfrecht opgesteld.

Het verzoek en de beoordeling daarvan

3.1 De notaris heeft zijn verzoek om hem te beschouwen als degene tegen wie de klacht van de heer [naam] is gericht gegrond op de omstandigheid dat de kandidaat-notaris nog in haar stageperiode verkeert en alle dossiers, ook het dossier dat thans ter beoordeling door de Kamer voorligt, met hem heeft besproken en dat zij in overleg met hem en op aanwijzing van hem heeft behandeld. De notaris zegt zich ook verantwoordelijk te weten voor de wijze waarop de kandidaat-notaris dit dossier heeft behandeld.

3.2 Hoewel het verzoek de Kamer niet onbegrijpelijk voorkomt zal zij dit afwijzen. Sinds de inwerkingtreding van de huidige Wet op het notarisambt zijn ook kandidaat-notarissen onderworpen aan tuchtrechtspraak. Deze wet voorziet er niet in de eigen verantwoordelijkheid van de kandidaat-notaris te laten overnemen door de notaris voor wie de kandidaat-notaris werkzaam is en beoogt daarin ook niet te voorzien.

4. De klachten en de beoordeling daarvan

4.1 Klager heeft gesteld dat alle erfgenamen na het overlijden van zijn vader [naam] een overeenkomst hebben gesloten. Die overeenkomst hield, naar zijn zeggen, in dat de erven hun recht op een deel van de nalatenschap van hun vader niet eerder zouden opeisen dan na het overlijden van hun moeder.

[naam] zou eens in de vijf jaar rekening en verantwoording afleggen aan de overige erfgenamen. Deze op schrift gestelde overeenkomst is door alle erfgenamen getekend en een exemplaar daarvan moet zich bevinden in de administratie van (thans wijlen) [naam], aldus klager.

Klager heeft verder gesteld dat wijlen zijn moeder hem herhaald heeft gezegd dat zijn broer [naam], die de zaken voor zijn moeder waarnam, geld van haar bankrekeningen heeft opgenomen en daarmee heeft gespeculeerd. Ook heeft zijn moeder hem verteld dat [naam] op enig moment zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn vader had opgeeist. De handelingen van deze broers waren in strijd met de overeenkomst die de erfgenamen na het overlijden van hun man en vader hadden gesloten. Klager stelt dat hij voor die handelingen nooit toestemming heeft gegeven. Klager kan dan ook niet instemmen met een door [naam] gedaan verdelingsvoorstel.

Het is klager opgevallen dat de bankrekeningnummers waarover mevrouw [naam] beschikte en die ook staan vermeld in de op schrift gestelde overeenkomst, afwijken af van de bankrekeningnummers die staan vermeld op een uitdraai van de ABN AMRO-bank van 27 augustus 2007. Naar het oordeel van klager ontbreekt een deugdelijke rekening en verantwoording door zijn broer [naam]. Ook klagers broer [naam], die na het overlijden van [naam] in diens plaats met de afwikkeling van de nalatenschap bemoeienis had, heeft volgens klager geen verantwoording afgelegd. Klager verwijt de kandidaat-notaris dat zij de omvang van de nalatenschap niet heeft vastgesteld en in onvoldoende mate heeft onderzocht of er sprake is van onregelmatigheden en dat zij met betrekking tot de boedelverdeling heeft volstaan met hem te verwijzen naar familieleden.

4.2 De kandidaat-notaris heeft als verweer aangevoerd dat zij door [naam] was benaderd voor alleen het opmaken van een verklaring van erfrecht. Naar haar zeggen heeft zij dat klager ook bij herhaling gezegd. Om die reden heeft zij klager ook telkens voor informatie verwezen naar zijn familie. De kandidaat-notaris heeft verder verklaard dat zij haar verder strekkende werkzaamheden niet anders dan bij wijze van service heeft verricht.

4.3 Naar het oordeel van de Kamer heeft de kandidaat-notaris klager tijdig en op genoegzame wijze erop gewezen dat zij geen opdracht had tot afwikkeling van de nalatenschap. Niet gezegd kan worden dat de kandidaat-notaris bij klager de indruk heeft gewekt dat zij wel met de afwikkeling van de nalatenschap was belast, ook niet door haar inspanning die zij zich heeft getroost om bij wijze van serviceverlening de afwikkeling zoveel mogelijk te begeleiden. Op grond van de beperkte opdracht aan de kandidaat-notaris kon deze begrijpelijk niet doen wat klager meende van haar te kunnen verlangen. De Kamer is dan ook van oordeel dat de kandidaat-notaris geen verwijt treft.

4.4 Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

5. De beslissing:

- wijst af het verzoek van de notaris;

- verklaart de klacht ongegrond.

Gewezen te Utrecht door mr. H.Æ. Uniken Venema, voorzitter, mr. E.J.M. Kerpen,

mr. B.J.M. Gehlen, mr. C. Slothouber en mr. R.J.M. van den Heuvel, leden, bijgestaan door mr. L. Heij, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2008.

De secretaris: De voorzitter:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de verzenddatum daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Civiele Griffie, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Aan partijen toegezonden op: 10 april 2008