Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG6664

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
104.003.290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Gelet op het aanbod van Triple P bij repliek in de CWIprocedure, de daarop gevolgde brief van 4 januari 2005 van de gemachtigde van [appellant], de inhoud van de dupliek in de CWIprocedure en vervolgens de brief van [appellant] aan Triple P van 26 januari 2006, lag het, uit hoofde van goed werkgeverschap, op de weg van Triple P daarop te reageren. De omstandigheid dat, zoals door Triple P gesteld, de bij brief van 4 januari 2005 gevraagde informatie al in een (veel) eerder stadium aan [appellant] was verstrekt, doet daaraan niet af. Zeker na de brief van 26 januari 2005 heeft Triple P niet zonder nader overleg over de door [appellant] (onder voorwaarden) aanvaarde functie mogen overgaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met gebruikmaking van de door het CWI verleende vergunning, zeker niet nu de door [appellant] gestelde voorwaarden, te weten dat Triple P de procedures bij het CWI en bij de kantonrechter ingevolge art. 7: 670a BW zou intrekken, in het licht van de aanvaarding van de aangeboden functie toch niet als bezwaarlijke voorwaarden konden worden aangemerkt.

Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.7 is overwogen, dient het hof een door Triple P aan [appellant] te betalen schadevergoeding naar billijkheid als bedoeld in artikel 7: 681 lid 1 BW vast te stellen. De vergoeding waarop van Dam op grond van het Sociaal Statuut aanspraak kan maken mede in aanmerking nemende, zal het hof, gelet op alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de slechte financiële positie van Triple P en de omstandigheid dat ook de functie van Customer Service Engineer op de afdeling Packerd Bell al enige maanden na de aanvaarding daarvan door [appellant] zou zijn komen te vervallen, de schadevergoeding bepalen op een bedrag van € 12.500, bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer: 104.003.290

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. B.J.H. Crans,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Triple P Nederland B.V.,

gevestigd te Vianen,

geïntimeerde,

procureur: mr. F.B. Falkena.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 5 juli 2006 en 27 september 2006 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: Triple P) als gedaagde heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 13 december 2006 Triple P aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Triple P voor dit hof. Bij exploot van 22 december 2006 heeft [appellant] Triple P opgeroepen voor de nevenzittingsplaats van dit hof te Arnhem onder vermelding van dag en tijd. In verband met de omstandigheid dat het herstelexploot van 22 december 2006 niet tijdig ter griffie is ingediend, heeft [appellant] op 18 januari 2007 weer een herstelexploot aan Triple P doen betekenen, met oproeping van Triple P voor de nevenzittingsplaats van het hof te Arnhem onder vermelding van dag en tijd.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht. Voorts heeft hij bewijs aangeboden. [appellant] heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest de in prima ingestelde maar thans tot een bedrag van € 65.525,32 verminderde vordering dan wel een vergoeding die het hof redelijk acht zal toewijzen met veroordeling van Triple P in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Triple P de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest de door [appellant] bestreden vonnissen zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De feiten

3.1 De kantonrechter heeft in het vonnis van 5 juli 2006 onder 1.1. feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

3.2 Als aanvulling daarop neemt het hof als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden tevens als vaststaand aan:

3.2.1 Bij repliek ten behoeve van de zogenoemde CWIprocedure heeft Triple P voor zover hier van belang, geschreven:

“[…] Triple P is van mening een passende functie te hebben aangeboden op de afdeling Packerd Bell. De heer [appellant] heeft deze functie niet geaccepteerd. Overigens heeft de heer van Dam nog steeds de mogelijkheid deze functie aan te nemen.

[…]”

3.2.2 Bij dupliek in de CWIprocedure heeft [appellant] aangegeven aanvaarding van de functie op de afdeling Packerd Bell in overweging te nemen maar nog op informatie van Triple P te wachten.

3.2.3 Vóór de beschikking van het CWI heeft [appellant], te weten bij brief van 26 januari 2005, de onder 3.2.1 genoemde functie aanvaard onder de voorwaarde dat Triple P de procedures bij de kantonrechter en het CWI zou intrekken.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft [appellant] heeft zijn vordering ter zake van de door Triple P aan hem te betalen schadevergoeding verminderd tot een bedrag van € 65.525,32.

4.2 [appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen overweging 1.3 van het vonnis van 5 juli 2006, behoudens de alinea van die overweging waartegen de grieven I en III zich richten, noch tegen de overwegingen 2.2, 2.3 en 2.4 van het vonnis van 27 september 2006. Voor zover Triple P heeft bedoeld deze overwegingen met grief V te bestrijden, wordt deze grief als onvoldoende gemotiveerd verworpen. Voor het overige behoeft grief V die, nu daarop geen toelichting is gegeven, zelfstandige betekenis ontbeert, geen bespreking.

4.3 Gelet op het voorgaande staat rechtens vast dat er voor Triple P (voldoende) noodzaak was om tot reorganisatie over te gaan, dat er geen verband bestond tussen het (voormalige) ORlidmaatschap van [appellant] en zijn ontslag en dat de werkzaamheden van [appellant] voor Bruna zijn vervallen.

4.4 Voor zover grief I, gelet op de daarop gegeven toelichting, zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de functie van [appellant], Customer Service Engineer, niet uitwisselbaar is met die van Customer Service Engineer op de afdeling Packerd Bell, berust deze grief op een onjuiste lezing van rechtsoverweging 1.3 van het vonnis van 5 juli 2006. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter de functie Customer Service Engineer, zoals die door [appellant] werd uitgeoefend, niet uitwisselbaar geoordeeld met de andere functies Customer Service Engineer ‘gezien het ontbreken van certificeringen’. Anders dan [appellant] heeft begrepen, heeft die overweging, mede gelet op rechtsoverweging 2.5 van hetzelfde vonnis, geen betrekking op de functie Customer Service Engineer op de afdeling Packerd Bell. Nu [appellant] geen grief heeft aangevoerd tegen het oordeel dat het ontbreken van certificeringen meebrengt dat de functie van [appellant] niet uitwisselbaar is met de functies Customer Service Engineer waarvoor wel certificering is vereist, hoeft de kwestie van de al dan niet uitwisselbaarheid van functies verder niet te worden besproken.

4.5 De grieven I, II en III richten zich voorts kort gezegd tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] de functie Customer Service Engineer Packerd Bell tot tweemaal toe heeft geweigerd, en het feit dat de kantonrechter niet in zijn oordeel betrokken heeft dat [appellant] die functie (uiteindelijk) voordat het ontslag werd gegeven alsnog heeft aanvaard.

4.6 Het hof overweegt als volgt. Nadat [appellant] aanvankelijk (twee maal) de functie van Customer Service Engineer op de afdeling Packerd Bell, welke functie hij zelf als niet passend beschouwde, had geweigerd, heeft Triple P bij repliek in de zogenoemde CWIprocedure op 22 december 2004 laten weten dat [appellant] die functie nog steeds kon aanvaarden. Bij brief van 4 januari 2005 heeft de gemachtigde van [appellant] aan Triple P laten weten dat [appellant] alsnog overwoog de functie te aanvaarden doch om nadere informatie verzocht. Gesteld noch gebleken is dat Triple P op die brief heeft gereageerd.

Bij dupliek in het kader van de CWIprocedure heeft de gemachtigde van [appellant] aangevoerd dat [appellant] Triple P te kennen heeft gegeven de aangeboden functie in overweging te nemen hoewel deze volgens hem niet passend was en dat daartoe nadere informatie van Triple P is gevraagd, waarop Triple P op dat moment nog niet had gereageerd.

Vervolgens heeft [appellant] zelf op 26 januari 2005 aan Triple P schriftelijk bericht dat hij de functie alsnog wenste te aanvaarden onder de voorwaarde dat de procedure bij het CWI en de procedure ingevolge art. 7: 670a van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingetrokken zouden worden. Op 28 januari 2005 heeft het CWI de door Triple P gevraagde toestemming verleend.

4.7 Gelet op het aanbod van Triple P bij repliek in de CWIprocedure, de daarop gevolgde brief van 4 januari 2005 van de gemachtigde van [appellant], de inhoud van de dupliek in de CWIprocedure en vervolgens de brief van [appellant] aan Triple P van 26 januari 2006, lag het, uit hoofde van goed werkgeverschap, op de weg van Triple P daarop te reageren. De omstandigheid dat, zoals door Triple P gesteld, de bij brief van 4 januari 2005 gevraagde informatie al in een (veel) eerder stadium aan [appellant] was verstrekt, doet daaraan niet af. Zeker na de brief van 26 januari 2005 heeft Triple P niet zonder nader overleg over de door [appellant] (onder voorwaarden) aanvaarde functie mogen overgaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met gebruikmaking van de door het CWI verleende vergunning, zeker niet nu de door [appellant] gestelde voorwaarden, te weten dat Triple P de procedures bij het CWI en bij de kantonrechter ingevolge art. 7: 670a BW zou intrekken, in het licht van de aanvaarding van de aangeboden functie toch niet als bezwaarlijke voorwaarden konden worden aangemerkt.

4.8 Door onder deze omstandigheden de arbeidsovereenkomst met [appellant] toch met gebruikmaking van de verleende toestemming op te zeggen heeft Triple P gehandeld in strijd met hetgeen van een goed werkgever mag worden verwacht en heeft Triple P op onjuiste gronden gebruik gemaakt van de afgegeven vergunning. Het ontslag is om die reden kennelijk onredelijk. De door [appellant] onbestreden gelaten stelling dat Packerd Bell op 17 februari 2005 de overeenkomst met Triple P (derhalve voordat Triple P de arbeids overeenkomst met [appellant] had opgezegd) heeft opgezegd, waardoor ook de door [appellant] alsnog aanvaarde functie rond 1 juni 2005 zou zijn komen te vervallen, doet aan het vorenstaande niet af. De afgegeven vergunning voorzag immers niet in toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens het vervallen van die inmiddels door [appellant] aanvaarde functie. In zoverre slagen de grieven I (deels), II en III. Dat leidt er toe dat aan [appellant] wegens de kennelijke onredelijkheid van de opzegging een schadevergoeding zal worden toegekend.

4.9 Voorts heeft van Dam, blijkens de toelichting op grief III, aangevoerd dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is nu de gevolgen van dat ontslag de door Triple P aan hem conform het Sociaal Statuut gegeven vergoeding daarbij in aanmerking genomen te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Triple P bij de opzegging.

4.10 Het Sociaal Statuut is, zo is door Triple P gesteld en door [appellant] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden, na positieve advisering door de vakbonden afgekeurd door de leden. De OR heeft van het Sociaal Statuut kennis genomen. Triple P heeft bij conclusie van antwoord in eerste aanleg aangevoerd dat de OR zijn instemming heeft verleend. Dat is door [appellant] bij conclusie van repliek gemotiveerd bestreden. Triple P heeft haar betoog daarop op dit punt niet nader toegelicht, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat de OR geen goedkeuring aan het Sociaal Statuut heeft gegeven. [appellant] is dan ook niet zonder meer aan het Sociaal Statuut gebonden. Daarom dient de vraag beantwoord te worden of de regeling zoals die op grond van het Sociaal Statuut voor [appellant] geldt, zodanig is dat op grond van het zogenoemde ‘gevolgencriterium’ het ontslag kennelijk onredelijk geacht moet worden.

4.11 Het hof overweegt als volgt. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de met stukken onderbouwde slechte financiële situatie van Triple P ten tijde van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en de wijze waarop in het Sociaal Statuut bij de toe te kennen aanvullingen rekening is gehouden met de leeftijd en de lengte van het dienstverband van de verschillende werknemers, is het hof van oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is op de in artikel 7: 681 lid 2 en onder b BW bedoelde grond. Grief IV faalt daarom.

4.12 Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.7 is overwogen, dient het hof een door Triple P aan [appellant] te betalen schadevergoeding naar billijkheid als bedoeld in artikel 7: 681 lid 1 BW vast te stellen. De vergoeding waarop van Dam op grond van het Sociaal Statuut aanspraak kan maken mede in aanmerking nemende, zal het hof, gelet op alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de slechte financiële positie van Triple P en de omstandigheid dat ook de functie van Customer Service Engineer op de afdeling Packerd Bell al enige maanden na de aanvaarding daarvan door [appellant] zou zijn komen te vervallen, de schadevergoeding bepalen op een bedrag van € 12.500, bruto.

5 Slotsom

5.1 Nu de grieven I (deels), II en III slagen, grief IV faalt en grief V geen bespreking behoeft, zullen de vonnissen van 5 juli 2006 en 27 september 2006 worden vernietigd en zal het hof Triple P veroordelen om aan [appellant] een schadevergoeding van € 12.500, bruto te betalen.

5.2 Omdat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de kosten te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de door de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) op 5 juli 2006 en 27 september 2006 tussen partijen gewezen vonnissen en doet opnieuw recht:

veroordeelt Triple P om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 12.500, bruto;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. KatzSoeterboek, Duitemeijer en De Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2008.