Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG6074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
200.008.290/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging vonnis. Zou gebaseerd zijn op een modelvonnis en niet op de specifieke situatie van de wederpartij. Van feitelijke of juridische misslagen is echter niet gebleken, noch van een noodtoestand voor Dexia.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE, EISERES IN HET INCIDENT,

procureur: mr. J.M.K.P. Cornegoor,

t e g e n

[A],

wonend te L.

GEÏNTIMEERDE, VERWEERDER IN HET INCIDENT,

procureur: mr. L.H. Stibbe.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna (ook) Dexia en [A] genoemd.

Bij dagvaarding van 12 juni 2008 is Dexia op nader aan te voeren gronden in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 14 mei 2008 in deze zaak onder rolnummer DX 06-3430 gewezen tussen haar als gedaagde en [A] als eiser, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal vernietigen en [A] alsnog zijn vorderingen zal ontzeggen, met - uitvoerbaar bij voorraad - kosten.

Bij de appeldagvaarding heeft Dexia voorts incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep zal schorsen.

[A] heeft geantwoord in het incident en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van Dexia in de kosten.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

IN HET INCIDENT

2. Beoordeling

2.1 Het gaat in deze zaak, kort samengevat en voor zover voor dit incident van belang, om het volgende. Tussen [A] en de rechtsvoorgangsters van Dexia (hierna eveneens: Dexia) is een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen met de naam “Korting Kado” (hierna: de overeenkomst).

2.2 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter geoordeeld dat Dexia tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [A]. Dexia is deswege veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 3.830,72 vermeerderd met wettelijke rente berekend over 17,7% van de (termijn)betalingen telkens vanaf de respectieve betaaldata tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 833,- voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast is Dexia veroordeeld tot voldoening van de proceskosten van totaal € 1.152,60 en voorts veroordeeld tot het doen berichten aan Het Bureau Kredietregistratie te Tiel, dat [A] geen verplichtingen meer heeft uit de overeenkomst, op straffe van een dwangsom.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3 Dexia heeft haar incidentele vordering toegelicht door te stellen dat het vonnis waarvan beroep gebaseerd is op een modelvonnis en dat het berust op drie juridische misslagen, zodat [A] misbruik van bevoegdheid zou maken indien hij zou overgaan tot executie van het vonnis.

2.4 Bovenbedoelde juridische misslagen zijn – zeer kort en zakelijk weergegeven – volgens Dexia de volgende:

i) de kantonrechter heeft de standaardjurisprudentie van dit hof betreffende de omvang en strekking van de zorgplicht genegeerd; ii) de kantonrechter heeft bij zijn oordeel geen acht geslagen op de specifieke omstandigheden van [A] en iii) de kantonrechter heeft een op [A] krachtens de overeenkomst rustende verplichting beperkt op grond van de redelijkheid en billijkheid, zonder de bijzondere situatie van [A] bij dit oordeel te betrekken.

2.5 Voorts meent Dexia dat een afweging van de wederzijdse belangen in dit geval meebrengt dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis moet schorsen. Dexia brengt in dit verband naar voren dat haar belang bij de handhaving van de bestaande situatie moet prevaleren omdat voldoende belang aan de zijde van [A] ontbreekt. Daarnaast heeft Dexia gesteld dat – mocht het hof tot vernietiging van het bestreden vonnis overgaan – het terugvorderen van bedragen als de onderhavige bij particulieren problematisch is. Voor zover [A] hiertegen mocht inbrengen dat er van enig restitutierisico in zijn geval geen sprake is, dan blijkt daar te meer uit dat [A] geen belang heeft bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

2.6 [A] heeft zich verweerd tegen de incidentele vordering en kort samengevat naar voren gebracht dat een deel van de door Dexia naar voren gebrachte bezwaren tegen het vonnis zich niet lenen voor een beoordeling in het kader van dit incident en dat er voor het overige geen sprake is van misslagen.

2.7 Het hof neemt als uitgangspunt dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep slechts plaats is indien tenuitvoerlegging misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Hiervan kan met name sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

2.8 Door Dexia is weliswaar betoogd dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis in dit geval misbruik van bevoegdheid oplevert, doch dit volgt niet uit hetgeen zij ter motivering van haar incidentele vordering vervolgens heeft aangevoerd. Van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die een noodtoestand voor Dexia meebrengen is hier geen sprake. Uit hetgeen Dexia onder punt 4 tot en met 8 van de appeldagvaarding heeft aangevoerd blijkt wel dat, en waarom zij zich geenszins kan verenigen met het vonnis van de kantonrechter, doch dat het bestreden vonnis op evidente feitelijke of juridische misslagen gebaseerd is - daarop heeft het onder 2.7 geformuleerde uitgangspunt immers het oog - volgt daaruit niet.

2.9 Voor het overige zijn geen of onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, die misbruik van executiebevoegdheid zouden meebrengen.

Gezien het voorgaande komt het hof niet toe aan de afweging van de wederzijdse belangen bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, dan wel bij de schorsing ervan.

2.10 Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het incident.

De hoofdzaak zal voor een memorie van grieven aan de zijde van Dexia worden verwezen naar de na te noemen rolzitting.

3. Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het incident, voor zover aan de zijde van [A] gevallen en begroot die kosten op € 894,- aan salaris procureur;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2008 voor het nemen van een memorie van grieven door Dexia;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, A.H.A. Scholten en W.J.J. Los en in het openbaar op 28 augustus 2008 uitgesproken door de rolraadsheer.