Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5681

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
200.000.458/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de klacht van klager tevergeefs is voorgedragen. Blijkens het proces-verbaal van de eerste aanleg heeft klager gesteld dat de belediging zou bestaan uit de woorden: “Je kan niet rekenen”. Deze woorden kunnen niet gekwalificeerd worden als een onheuse bejegening dan wel onnodig grievend gelet op de strekking van het gesprek. Blijkens de inhoud van de verklaring van [naam], gedateerd 30 november 2008, is deze zich op geen enkele wijze bewust van het feit dat hij klager onheus zou hebben bejegend dan wel dat hij enige denigrerende opmerkingen tegen klager zou hebben gemaakt. Daartegenover heeft klager geen nadere feiten of omstandigheden gesteld, die – indien bewezen – zouden leiden tot het oordeel dat klachtwaardig is gehandeld. De klacht is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 november 2008 in de zaak onder nummer 200.000.458/01 GDW van:

[naam]

gerechtsdeurwaarder te [plaats]

APPELLANT,

t e g e n

[naam]

wonende te [plaats]

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 1l december 2007 ingekomen een appelschrift, met bijlagen, van de zijde van appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 6 november 2007, verzonden op 19 november 2007, waarbij het verzet van thans geïntimeerde, verder te noemen klager, gegrond is verklaard, de beslissing van de voorzitter is vernietigd en de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping.

1.2. Van de zijde van klager is op 29 mei 2008 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 8 oktober 2008 een verklaring van [naam] en een cd ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 oktober 2008. Klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat de hoogte van het door de gerechtsdeurwaarder in het machtigingsformulier vermelde bedrag onjuist is. In dat verband heeft klager gesteld dat hij al een bedrag van € 5200,00 heeft voldaan, terwijl hij nu wordt geconfronteerd met een bedrag dat hoger is dan de hoofdsom waartoe hij is veroordeeld. Toen zijn echtgenote zich daarover telefonisch beklaagde op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, werd zij uitgemaakt voor een dom iemand, die op de Lomschool had gezeten. Nadat klager het gesprek had overgenomen, werd hij ook zelf onheus bejegend.

In de hoger beroep procedure blijkt dat de gerechtsdeurwaarder telefoongesprekken opgenomen heeft. Daarvoor heeft de klager geen toestemming verleend en het is ook niet aan hem meegedeeld.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt.

5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat het bedrag van de automatische machtiging een begroot bedrag betreft, waarbij rekening is gehouden met de resterende looptijd van de betalingsregeling.

5.3. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder naar voren gebracht dat klager correct is bejegend. In dat verband biedt hij bewijs aan van zijn stelling door middel van het horen als getuige [naam] en het afspelen van de cd.

5.4. Volgens de gerechtsdeurwaarder is het juist dat er telefoonopnamen worden gemaakt van gesprekken, zonder dat daarvoor toestemming is gevraagd aan degene, waarmee wordt gebeld.

6. De beoordeling

6.1. Het hof stelt voorop dat de gerechtsdeurwaarder ter terechtzitting het hoger beroep heeft beperkt tot het tweede klachtonderdeel betreffende de bejegening van klager. Nu klager hierop niet heeft gereageerd zal het hof daarvan uitgaan en behoeft zich daarom niet uit te laten over het klachtonderdeel betreffende de hoogte van het bedrag zoals vermeld op het automatisch aangemaakte machtigingsformulier.

6.2. Vervolgens zal het hof de klacht van klager beoordelen, zoals hij deze klacht

heeft ingediend bij de kamer. De kamer heeft bij de behandeling van de

verzetprocedure, waarbij de gerechtsdeurwaarder niet aanwezig was, geaccepteerd dat de klacht werd uitgebreid. De kamer heeft immers ook de ter zitting aangevulde klacht met betrekking tot de bejegening van de echtgenote en de dochter van klager bij de beoordeling betrokken, zonder dat de gerechtsdeurwaarder zich hiertegen heeft kunnen verweren. Dit is in strijd met het processuele beginsel van hoor en wederhoor. De kamer had ofwel de bejegeningklacht aangaande de echtgenote en de dochter buiten beschouwing moeten laten ofwel de zaak moeten aanhouden teneinde de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid te stellen om zich over deze uitbreiding van de klacht uit te laten. Reeds daarom kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

6.3. Gezien het voorgaande kan het hof uitsluitend de oorspronkelijke klacht van klager beoordelen en niet de klacht met betrekking tot de echtgenote en de dochter van klager.

Het hof is van oordeel dat de klacht van klager tevergeefs is voorgedragen. Blijkens het proces-verbaal van de eerste aanleg heeft klager gesteld dat de belediging zou bestaan uit de woorden: “Je kan niet rekenen”. Deze woorden kunnen niet gekwalificeerd worden als een onheuse bejegening dan wel onnodig grievend gelet op de strekking van het gesprek. Blijkens de inhoud van de verklaring van [naam], gedateerd 30 november 2008, is deze zich op geen enkele wijze bewust van het feit dat hij klager onheus zou hebben bejegend dan wel dat hij enige denigrerende opmerkingen tegen klager zou hebben gemaakt. Daartegenover heeft klager geen nadere feiten of omstandigheden gesteld, die – indien bewezen – zouden leiden tot het oordeel dat klachtwaardig is gehandeld. De klacht is ongegrond.

6.4. Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing, en, opnieuw rechtdoende:

- verkaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L. Verheij en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 25 november 2008 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 6 november 2007 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 198.2007 ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 20 maart 2007 (zaaknummer 603.2006) heeft de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klager tegen beklaagde ingediende klacht.

Bij brief van 27 maart 2007 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.

Bij brief van 28 maart 2007, ingekomen op 30 maart 2007, heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld.

Bij brief van 24 september 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder medegedeeld niet ter zitting te kunnen verschijnen.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 september 2007 alwaar klager vergezeld van zijn echtgenote is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 6 november 2007.

2. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager samengevat aangevoerd dat hij door een medewerker van de gerechtsdeurwaarder, namelijk diegene die zich voorgaf boekhouder te zijn, telefonisch onheus is bejegend. In dat gesprek werd gezegd “daar heb je die klootzak weer die met zijn vrouw op de LOM school heeft gezeten en die niet kan rekenen”. Klager is het er dan ook niet mee eens dat de gerechtsdeurwaarder door de voorzitter in het gelijk is gesteld.

3. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de

voorzitter, zodat hij in zijn verzet kan worden ontvangen.

4. De inleidende klacht

In zijn inleidende klacht beklaagt klager zich over de hoogte van het door de gerechtsdeurwaarder in het machtigingsformulier vermelde bedrag. Klager stelt al een bedrag van € 5200,00 te hebben voldaan en nu wordt hij geconfronteerd met een bedrag dat hoger is dan de hoofdsom waartoe hij is veroordeeld. Toen hij zich daarover beklaagde werd hij uitgemaakt voor dom iemand.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft op de inleidende klacht overwogen dat het begrijpelijk is dat klager zich door het in de machtiging vermelde bedrag overvallen voelde. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde specificatie blijkt echter dat het verschuldigde bedrag naast de hoofdsom uit een bedrag aan proces- en executiekosten bestaat. De proceskosten bedragen alleen al in totaal € 2940,40. Afgezet tegen het feit dat er drie uitspraken zijn geweest, namelijk een verstekvonnis, een vonnis in oppositie en een arrest in hoger beroep, is dat bedrag niet onbegrijpelijk. Verder is er een behoorlijk aantal ambtshandelingen verricht waarvan de kosten berusten op het bepaalde in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen op het punt van de kosten is niet gebleken.

5.2 Ten aanzien van de door klager gestelde onheuse bejegening heeft de voorzitter overwogen dat van een medewerker van de gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij communiceert op een wijze die in het algemeen als passend en fatsoenlijk mag worden beschouwd. De gerechtsdeurwaarder heeft gesteld dat klager correct te woord is gestaan. Nu klachtwaardig handelen op dit punt niet kan worden vastgesteld, kan op dit punt geen oordeel worden uitgesproken.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet.

Naar het oordeel van de Kamer kan de beslissing van de voorzitter op na te melden gronden niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

7. De beoordeling van de klacht

7.1 In zijn algemeenheid onderschrijft de Kamer het door de voorzitter is overwogen ten aanzien van de bejegening. Van zowel een gerechtsdeurwaarder als van justitiabelen mag worden verwacht dat zij communiceren op een wijze die in het algemeen als passend en fatsoenlijk wordt beschouwd. Zij mogen van elkaar verwachten dat excuses worden aangeboden voor gebruikte bewoordingen die niet als fatsoenlijk of passend zijn aan te merken, of dat deze woorden worden teruggenomen. Bovendien geldt dat er verschil van inzicht kan bestaan over de waarde die door een gerechtsdeurwaarder of een justitiabele aan gebruikte bewoordingen wordt toegekend.

7.2 Bij specifiek gemaakte bejegeningsklachten is het echter aan de gerechtsdeurwaarder om voor zover mogelijk na te gaan of de gewraakte bewoordingen al dan niet zijn gebruikt. In de eerste plaats kan dat door navraag te doen bij de betrokken medewerker. Ook kan aan de hand van de eventueel in het dossier gemaakte (telefoon)aantekeningen na worden gegaan op welke wijze de gesprekken zijn verlopen. Verder kan navraag worden gedaan bij de andere medewerkers van de afdeling waar de medewerker werkzaam is.

7.3 Niet is gebleken dat dit is gedaan. De gerechtsdeurwaarder heeft volstaan met de mededeling dat klager correct te woord is gestaan en in zijn brief van 24 september 2007 door de mededeling dat de door klager gebezigde terminologie nimmer aan de orde is geweest. Daar staat tegenover dat klager ter zitting heeft aangevoerd dat zijn vrouw in eerste instantie aan de telefoon was en te horen kreeg of zij soms op de Lom school had gezeten. Haar dochter die het telefoongesprek overnam kreeg dat eveneens tegengeworpen. Ook klager heeft vervolgens met een medewerker gesproken en kreeg tegengeworpen dat hij niet kon rekenen. Dit is door de niet verschenen gerechtsdeurwaarder evenmin weersproken.

7.4 Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de gewraakte uitlatingen zijn gedaan, althans woorden van gelijke strekking, dan wel dat niet is gecommuniceerd op een wijze die in het algemeen als passend en fatsoenlijk mag worden beschouwd. Dat is tuchtrechtelijk laakbaar althans een handeling die een goed gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

7.5 Ingevolge het daartoe bepaalde in de Gerechtsdeurwaarderswet kunnen slechts klachten worden ingediend tegen gerechtsdeurwaarders (waaronder mede worden begrepen waarnemend- en kandidaat-gerechtsdeurwaarders). Klachten tegen een medewerker dienen daarbij te worden geacht te zijn gericht tegen gerechtsdeurwaarder, die voor de medewerker verantwoordelijk is. Slechts indien sprake is van handelen dat niet onder de verantwoordelijk-heid van een gerechtsdeurwaarder valt, is tuchtrechtelijke verantwoording ter zake van dat handelen niet mogelijk. Resteert dus de vraag of het handelen van de medewerker onder de verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder valt en hem kan worden aangerekend.

7.6 Naar het oordeel van de Kamer is dat het geval nu het bij gebreke aan verweer op dit punt ervoor moet worden gehouden dat de boekhouder kennelijk bevoegd is namens de gerechtsdeurwaarder gesprekken met debiteuren te voeren.

8. De klacht wordt derhalve gegrond verklaard. Naar het oordeel van de Kamer zijn er twermen aanwezig tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan.

9. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart het verzet gegrond;

? vernietigt de beslissing van de voorzitter;

? verklaart de klacht gegrond;

? legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. M.M. Beins, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en M.J-M.L. Baudoin (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2007 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.