Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG2729

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2008
Datum publicatie
05-11-2008
Zaaknummer
07/00761
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een kind waarvoor een belastingplichtige een substantiële pleegzorgvergoeding ontvangt, onderhoudt hij niet als eigen kind. Geen aftrek mogelijk voor kosten van levensonderhoud.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 7
Wet inkomstenbelasting 2001 1.4
Wet inkomstenbelasting 2001 1.5
Wet inkomstenbelasting 2001 6.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2010, 11 met annotatie van I. Pieters
V-N 2009/8.23 met annotatie van Redactie
FutD 2008-2322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00761

tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord, kantoor Zaandam, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/1147 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 2 september 2007 in het geding tussen

J te M, belanghebbende, en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.270.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 januari 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. Met de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.190.

1.4. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift, gedagtekend en ingekomen bij het Hof op 8 oktober 2007. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 16 november 2007.

1.5. Belanghebbende heeft op 14 december 2007 een verweerschrift ingediend.

De inspecteur heeft op 28 maart 2008 een aanvulling op zijn beroepschrift ingediend. Belanghebbende heeft hierop gereageerd door middel van een brief van 21 april 2008.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2008. Aldaar zijn namens de inspecteur verschenen en gehoord V en K.

Belanghebbende is met bericht van verhindering van 21 april 2008 niet verschenen. In dat bericht is tevens geopponeerd tegen de omstandigheid dat door de inspecteur in de aanvulling op het beroepschrift een nieuw primair standpunt is aangevoerd.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Het Hof verwijst hiervoor naar hetgeen dienaangaande door de rechtbank is vastgesteld. Het Hof stelt in aanvulling hierop de volgende feiten vast.

2.1.1. Tot de stukken behoort een brochure getiteld “De financiële wegwijzer voor pleegouders”, een uitgave van Spirit Servicepunt Pleegzorg. Deze brochure geeft uitleg over de pleegvergoeding die pleegouders voor bij hen wonende pleegkinderen ontvangen. In deze brochure staat onder meer het volgende vermeld:

“Als pleegouder krijgt u een vergoeding voor de kosten die u moet maken. De hoogte van de vergoeding is vastgesteld door de overheid. (…) De pleegvergoeding is geen salaris of inkomen, maar een onkostenvergoeding. (…)

Het basisbedrag krijgt u om de opvoeding en verzorging van het kind te betalen. Het is een vergoeding voor normale, terugkerende kosten, zoals voor eten en drinken. (…) De vergoeding is eveneens bedoeld voor onder andere zakgeld, sport en ontspanning en normale onderwijskosten zoals pennen, agenda en schriften. (…) Soms komt het voor dat de opvang van een kind extra kosten met zich meebrengt. In dat geval kunt u in aanmerking komen voor een toelage op het basisbedrag.”

2.2. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op persoonsgebonden aftrek voor uitgaven voor het levensonderhoud voor het kind N voor wie hij een pleegzorgvergoeding ontvangt, en wel tot het door de rechtbank toegestane bedrag van € 1.080.

Belanghebbende stelt daarbij dat de inspecteur zijn nieuwe primaire standpunt te laat in de procedure naar voren heeft gebracht, en dat hij daardoor in zijn procespositie is geschaad.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Zij heeft daartoe, voorzover van belang, het volgende overwogen:

“4.1. (…)Een kind wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de drukkende bijdrage in de kosten van de onderhoud van het kind ten minste € 386 per kwartaal beloopt. De ontvangen vergoeding dient, nu het moet gaan om drukkende kosten, van het totaal aan kosten afgetrokken te worden. Gezinsuitgaven die ook zouden zijn gedaan indien de kinderen niet tot het huishouden van de belastingplichtige zouden hebben behoord, kunnen niet worden meegerekend; uitsluitend de additionele en niet de integrale kosten worden in aanmerking genomen (…)

4.2. De rechtbank acht, mede gezien hetgeen door partijen is aangevoerd, de bedragen die eiser (Hof: belanghebbende) heeft genoemd aannemelijk. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder (Hof: de inspecteur) nimmer om onderbouwing van de bedragen in het door eiser verstrekte kostenoverzicht heeft gevraagd. In het overzicht van eiser zijn de integrale kosten in aanmerking genomen. Deze kunnen niet worden meegerekend. Dat geldt ook voor ziektekosten. Naar het oordeel van de rechtbank kan een deel van de kosten van de gezinsauto als additionele kosten worden beschouwd, nu eiser onweersproken heeft gesteld dat hij vanwege de komst van de pleegkinderen een grotere auto heeft moeten kopen dan gebruikelijk mag worden geacht voor zijn kerngezin. De rechtbank stelt het bedrag van deze kosten in goede justitie vast op € 20 per maand. Voorts acht de rechtbank op basis van de ter zitting door eiser gegeven toelichting aannemelijk dat de kosten voor (speciale) voeding voor N hoger zijn dan de € 133 welke verweerder in aanmerking heeft genomen. De rechtbank stelt het bedrag van deze meerkosten in goede justitie vast op € 25 per maand.

4.3. De op eiser drukkende kosten ter zake van het levensonderhoud van Nicky bedragen mitsdien (€ 168,50 + € 355,07 + € 20 + € 25 -/- € 428,53 =) € 140 per maand. Nu de kosten per kwartaal hoger zijn dan € 386 komt eiser ten aanzien van Nicky in aanmerking voor de persoonsgebonden aftrek voor uitgaven van levensonderhoud van kinderen. Ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bedraagt deze aftrek vier maal € 270.

Het belastbaar inkomen zal worden vastgesteld op € 42.270 -/- € 1.080 = € 41.190.”.

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

2.5. Relevante bepalingen

Artikel 1.4 Wet IB 2001 luidt als volgt:

‘Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een kind mede verstaan een pleegkind, ook wat betreft bloed- en aanverwantschap.’.

Artikel 1.5 Wet IB 2001 luidt als volgt:

‘Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op grond waarvan wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate wordt onderhouden.’.

Artikel 6.13 Wet IB 2001 luidt als volgt:

‘1. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een partner heeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor levensonderhoud van het kind samengevoegd.

2. Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling zijn geen uitgaven voor levensonderhoud.’.

Artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 luidt als volgt:

‘Een kind wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 386 per kwartaal beloopt. De ouder wordt geacht een kind in belangrijke mate op zijn kosten te onderhouden indien hij voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse regeling.’.

Artikel 7, tiende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) luidt als volgt:

‘Een kind wordt als pleegkind beschouwd, indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.’.

2.6. Overwegingen

2.6.1. De grief inhoudende dat de inspecteur zijn nieuwe ‘primair standpunt’ te laat heeft ingebracht, faalt. Belanghebbende was in de gelegenheid op het ‘aanvullend beroepschrift’ inhoudelijk te reageren en hij heeft dat ook gedaan in zijn bericht van 21 april 2008. Daarbij komt dat het aanvullend beroepschrift niet zozeer de feitelijke situatie betreft als wel een nadere argumentatie van de inspecteur met het oog de toepassing van de wettelijke regels. Het Hof vermag dan ook niet in te zien dat belanghebbende te dezen op enigerlei wijze in zijn belang is geschaad.

2.6.2. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2002, nr. 37 068, BNB 2002/296, V N 2002/29.14, komt de betekenis van de term ‘pleegkinderen’ zoals gebruikt in artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 overeen met die van de term ‘pleegkind’ in artikel 7 van de AKW. Naar het oordeel van het Hof geldt dit onverkort voor de term ‘pleegkind’ in de zin van artikel 1.4 Wet IB 2001.

2.6.3. Vast staat dat N als eigen kind wordt opgevoed in het gezin van belanghebbende.

2.6.4. Tevens staat vast dat in verband daarmee door belanghebbende in het jaar 2004 een pleegzorgvergoeding van € 5.142 is ontvangen. Vast staat voorts dat deze vergoeding een onkostenvergoeding vormt voor de verzorging en opvoeding van het kind en dus betrekking heeft op de kosten voor het onderhoud van het kind.

2.6.5. Deze laatste omstandigheid verhindert dat voldaan wordt aan het vereiste van artikel 7, tiende lid, AKW, dat het kind ‘als een eigen kind wordt onderhouden’. Voor een eigen kind wordt immers normaliter geen vergoeding voor onderhoud ontvangen doch komen de desbetreffende kosten ten laste van de ouders. De stelling van belanghebbende, wat daar verder ook van zij, dat hij ook zelf in de kosten van het onderhoud bijdraagt doet daar niet aan af omdat deze omstandigheid immers niet meebrengt dat het kind als een eigen kind wordt onderhouden nu belanghebbende een substantiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud van derden ontvangt.

2.6.6. Gelet op het vorenoverwogene kan N niet als pleegkind in de zin van de AKW en de Wet IB 2001 worden aangemerkt en daarom is aftrek van uitgaven voor zijn levensonderhoud niet mogelijk. In het midden kan dan ook blijven de vraag of de kosten van levensonderhoud van N in belangrijke mate op belanghebbende hebben gedrukt. Anders dan het Hof eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 september 2004 (V-N 2004/64.18) is immers niet enkel het antwoord op deze vraag van belang voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een pleegkind in de zin van de AKW en de Wet IB 2001.

2.6.7. Slotsom

Het gelijk is dan ook aan de inspecteur.

Het hoger beroep is gegrond, zodat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het Hof zal het beroep van belanghebbende bij de rechtbank ongegrond verklaren.

2.7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep van belanghebbende bij de rechtbank ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 27 oktober 2008 door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, A. Bijlsma en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.