Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF8807

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2008
Datum publicatie
14-10-2008
Zaaknummer
106.006.096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomsten ‘Dexia Aanbod’ zijn rechtsgeldig. Dexia bood aandelenlease-beleggers (twee jaar vóór de ‘Duisenberg-regeling’) de mogelijkheid van een renteloze lening om de restschuld te betalen. Door aanvaarding van dit aanbod tot stand gekomen overeenkomsten zijn bindend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 101
NJF 2008, 481
RF 2009, 5
JE 2009, 65
JE 2008, 514
JOR 2008/344 met annotatie van C.W.M. Lieverse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [A],

wonende te [X], en

2. [B],

wonende te [Y],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. F.B. Falkena te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [A], [B] en Dexia genoemd.

Bij dagvaarding van 12 oktober 2006 zijn [A], [B] en [C], hierna “[C]”, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 12 juli 2006, voor zover in deze zaak onder zaak-/rolnummer 296989/HAZA 04-2673 gewezen tussen hen als eisers en Dexia als gedaagde.

[A], [B] en [C] hebben van grieven gediend en daarbij hun eis veranderd, bewijs aangeboden en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog

- uitvoerbaar bij voorraad – Dexia zal veroordelen overeenkomstig hun veranderde eis zoals verwoord aan het slot van de memorie van grieven, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

Vervolgens is de zaak tussen [C] en Dexia op verlangen van deze partijen doorgehaald op de rolzitting van 4 oktober 2007. De procedure tussen [A] en [B] enerzijds en Dexia anderzijds is voortgezet.

Daarop heeft Dexia geantwoord, bewijs aangeboden en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [A] en [B] in de kosten van het hoger beroep.

Hierna hebben [A] en [B] een akte genomen, waarbij zij zich – onder andere – hebben uitgelaten over de door Dexia in hoger beroep overgelegde bescheiden. Dexia heeft, eveneens bij akte, geantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[A] en [B] (en aanvankelijk ook [C]) hebben zeven grieven voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1, a tot en met j, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van de aldus vastgestelde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 [A] en [B] (en aanvankelijk ook [C]) hebben hun eis bij de memorie van grieven veranderd. Dexia heeft tegen deze verandering geen bezwaar gemaakt en zij is met de eisen van een goede procesorde niet in strijd. Het hof zal daarom hierna uitgaan van de veranderde eis zoals aan het slot van de memorie van grieven verwoord.

4.2 Dexia heeft in de memorie van antwoord (onder 129) de vraag aan de orde gesteld of, kort gezegd, [A] rechtsgeldig in dit hoger beroep is verschenen, kennelijk naar aanleiding van de opmerking in de memorie van grieven (onder 7) dat het de raadslieden – die de zaak van een ander hebben overgenomen – van appellanten niet is gelukt contact te krijgen met [A] en dat zij voor deze optreden op grond van zaakwaarneming. In de akte van [A] en [B] na de memorie van antwoord (onder 6) wordt, in antwoord op de zojuist bedoelde vraag, gesteld dat er sprake is van een “volledig mandaat” ten aanzien van [A]. Het hof gaat daarom ervan uit dat laatstgenoemde rechtsgeldig in het hoger beroep is verschenen, zodat dit arrest mede tegen hem wordt gewezen.

4.3 [A] en [B] zijn, ieder afzonderlijk, met Dexia of een rechtsvoorganger van Dexia overeenkomsten tot effectenlease aangegaan, hierna “de lease-overeenkomsten”, [A] in februari 2002 en [B] in februari 2001 en in maart 2001. Op de voet van deze overeenkomsten hebben zij belegd in beursgenoteerde effecten die zijn aangekocht met door hen van Dexia dan wel haar rechtsvoorganger geleende bedragen. Veranderingen in de waarde van die effecten kwamen voor hun rekening. Iedere lease-overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten zesendertig maanden. Na ommekomst van tijd diende het geleende bedrag aan Dexia te worden terugbetaald. Hiertoe zouden de betrokken effecten worden verkocht, waarna de schuld uit de lening met de verkoopopbrengst werd verrekend. Als de verkoopopbrengst van de effecten niet toereikend was voor de terugbetaling van de lening, hield [A] respectievelijk [B] een schuld aan Dexia, de zogeheten “restschuld”, die nog moest worden voldaan en die dadelijk opeisbaar was. Over deze schuld zou bij niet tijdige betaling rente zijn verschuldigd.

4.4 Bij gelijkluidende brieven van 18 februari 2003, met bijlagen, heeft Dexia aan [A] en [B] een regeling voorgesteld voor het geval dat zij aan het einde van de looptijd van de lease-overeenkomsten een restschuld zouden hebben. Die overeenkomsten waren toen nog niet geëindigd. De voorgestelde regeling hield, kort gezegd, een aantal mogelijkheden in waaruit [A] en [B] in het geval van een restschuld konden kiezen teneinde deze schuld af te wikkelen. Weliswaar liet de regeling hun verplichting tot betaling van de restschuld in stand, maar zij bood laatstgenoemden in verband hiermee ruimere mogelijkheden dan de lease-overeenkomsten. Als [A] en [B] in voorkomend geval van één van deze mogelijkheden gebruik wensten te maken, dienden zij dit – op voorhand - aan te geven op een daartoe door Dexia opgesteld, door hen te ondertekenen aanmeldformulier, dat vóór 13 juni 2003 aan Dexia moest worden teruggezonden. Zij behoefden pas later, tegen het einde van de looptijd van de betrokken lease-overeenkomst, aan te geven voor wélke mogelijkheid zij kozen. Door de ondertekening en de terugzending van het ingevulde aanmeldformulier gingen zij, naar op dat formulier is vermeld, met Dexia een nieuwe overeenkomst aan, waarvan de - gelijkluidende - tekst bij de hierboven bedoelde brieven was gevoegd, evenals het zojuist bedoelde formulier en verdere bescheiden, waaronder een toelichting.

4.5 De door Dexia voorgestelde regeling wordt door partijen aangeduid als “het Dexia Aanbod”, de bij aanvaarding daarvan tot stand gekomen nieuwe overeenkomst als “de aanbodovereenkomst”. [A] en [B] hebben beiden in maart 2003 een aanmeldformulier ondertekend en aan Dexia teruggezonden, waarop zij hebben aangegeven van de regeling van het Dexia Aanbod gebruik te willen maken, zodat tussen ieder van hen en Dexia een aanbodovereenkomst is tot stand gekomen. De lease-overeenkomsten zijn na verloop van tijd geëindigd met, na verkoop van de betrokken effecten, restschulden – naar de rechtbank onder 1.h van het vonnis waarvan beroep, in hoger beroep onbestreden, heeft vastgesteld - voor zowel [A] als [B]. Uit de verschillende mogelijkheden van het Dexia Aanbod heeft [A] – naar de rechtbank onder 1.i van het vonnis, eveneens onbestreden, heeft vastgesteld - gekozen voor het aangaan van een renteloze lening met Dexia. Uit deze lening is, naar volgt uit de aanbodovereenkomst, diens restschuld voldaan en zij is feitelijk in de plaats daarvan gekomen. De renteloze lening dient volgens de aanbodovereenkomst gespreid in maandelijkse termijnen te worden terugbetaald, met dien verstande dat vervroegde aflossing is toegestaan. Aan [B], die geen keuze uit de bedoelde mogelijkheden heeft gemaakt, heeft Dexia een soortgelijke renteloze lening verstrekt.

4.6 In haar onder 4.4 genoemde brieven van 18 februari 2003 heeft Dexia het Dexia Aanbod voorgesteld als een tegemoetkoming aan beleggers en als “een vrijwillig gebaar” harerzijds, waartoe zij contractueel noch wettelijk was verplicht. De brieven wijzen voorts erop dat degenen die van het Dexia Aanbod gebruik wensten te maken, moesten afzien van juridische actie met betrekking tot door hen gesloten overeenkomsten tot effectenlease. Een hiertoe strekkende verplichting is in de aanbodovereenkomst - in artikel 5 daarvan - uitgewerkt. Ten slotte wordt melding gemaakt van het bestaan van een “hardheidsclausule” voor beleggers ten aanzien van wie, gelet op hun persoonlijke situatie, “de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod onvoldoende uitkomst bieden”. Dexia licht toe: “Dit wil zeggen, dat als u niet aan uw financiële verplichtingen kunt voldoen, en dit kunt onderbouwen, wij zeer coulant zullen zijn. Of wij u een maatoplossing zullen kunnen aanbieden zal afhangen van onze beoordeling van uw persoonlijke financiële situatie. Wij kunnen u in dat verband om kopieën van bewijsstukken zoals salarisspecificaties, jaaropgaven en/of belastingaangiften verzoeken. (…) Dexia heeft een onafhankelijke commissie ingesteld die haar zal adviseren bij het vaststellen van de criteria van deze clausule en zal controleren of Dexia daarnaar handelt.”

4.7 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten hebben [A] en [B] (alsmede [C] en [D], die geen hoger beroep heeft ingesteld) Dexia bij inleidende dagvaarding van 4 augustus 2004 in rechte betrokken teneinde, kort gezegd, de vernietiging te vorderen van de door ieder van hen gesloten aanbodovereenkomst, althans van enige bepalingen daarvan. Zij hebben hiertoe in het bijzonder aangevoerd dat de aanbodovereenkomsten zijn tot stand gekomen door bedreiging, bedrog en/of misbruik van omstandigheden en dat de afzonderlijke bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, algemene voorwaarden inhouden die voor hen onredelijk bezwarend zijn. Na de verandering van eis bij de memorie van grieven strekt de eis, voor zover betrekking hebbend op [A] en [B], nog steeds voornamelijk tot vernietiging van de door dezen gesloten aanbodovereenkomsten, althans van enige bepalingen daarvan, met dien verstande dat aanvullende vorderingen zijn ingesteld en dat ook de gronden van de eis zijn aangevuld. Deze aanvullende vorderingen en gronden zullen, voor zover nodig, hierna aan de orde komen.

4.8 De rechtbank heeft de eis zoals in eerste aanleg luidend, afgewezen. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen richt zich het hoger beroep.

4.9 Grief I heeft alleen betrekking op de rechtsbetrekking tussen [C] en Dexia. Hetzelfde geldt voor de vordering die op bladzijde 59 van de memorie van grieven, onder I, is weergegeven. Nu de zaak tussen [C] en Dexia inmiddels op verlangen van deze partijen is doorgehaald, hebben de grief en de vordering geen belang meer. Zij behoeven daarom geen bespreking.

4.10 Grief II betoogt dat de aanbodovereenkomsten nietig zijn, omdat Dexia ten tijde van de totstandkoming daarvan niet beschikte over een vergunning zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet op het consumentenkrediet (zoals destijds geldend), hierna “de Wck”, en die overeenkomsten een krediettransactie inhouden zoals bedoeld in artikel 1 onder a Wck, waarbij door Dexia een geldkrediet – namelijk een renteloze lening zoals onder 4.5 vermeld – is verleend.

4.11 De grief miskent op de eerste plaats dat de aanbodovereenkomsten verschillende mogelijkheden inhouden waaruit beleggers in het geval van een restschuld konden kiezen, waarvan de mogelijkheid van verstrekking van een renteloze lening door Dexia waaruit de restschuld zou worden voldaan, er slechts één is, en dat de keuze om

- al of niet - zo’n lening aan te gaan door de belegger pas tegen het einde van de looptijd van de betrokken overeenkomst tot effectenlease werd gemaakt. Zij miskent op de tweede plaats dat de renteloze lening - in het geval van een keuze daarvoor - werd verstrekt bij het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst, nadat (en uitsluitend indien) een restschuld was ontstaan, zodat eerst tegen die tijd – namelijk op zijn vroegst nadat de belegger zijn keuze voor een renteloze lening aan Dexia kenbaar had gemaakt - van een krediettransactie zoals bedoeld in artikel 1 onder a Wck kan worden gesproken (en dus niet reeds bij de totstandkoming van de aanbodovereenkomsten). Ten slotte gaat de grief eraan voorbij dat – naar [A] en [B] onder 34 en onder 82 van de memorie van grieven, onweersproken, hebben gesteld – Dexia vanaf 12 april 2003 beschikte over een vergunning zoals bedoeld in artikel 9 Wck, terwijl gelet op het hiervoor overwogene en gelet op de looptijd van de lease-overeenkomsten en het tijdstip van aangaan daarvan zoals onder 4.3 vermeld, eerst ruim ná die datum tussen haar en [A] en [B] krediettransacties zijn tot stand gekomen. De lease-overeenkomsten zijn immers alle ruim na 12 april 2003 afgelopen, zodat laatstgenoemden pas ná die datum de mogelijkheid hebben gehad om voor een renteloze lening te kiezen (hetgeen [A] ook heeft gedaan, terwijl aan [B] zonder voorafgaande keuze zo’n lening is verstrekt). Dexia beschikte derhalve ten tijde van de krediettransacties over een vergunning zoals bedoeld in artikel 9 Wck, zodat de grief ongegrond is.

4.12 Het bovenstaande wordt niet anders door hetgeen in de toelichting op de grief is aangevoerd met betrekking tot het ontbreken van een Wck-vergunning aan de zijde van Dexia in verband met de lease-overeenkomsten. Dat ontbreken laat immers onverlet dat Dexia ten aanzien van de renteloze lening genoemd in de aanbodovereenkomsten, ten tijde van de totstandkoming van de desbetreffende krediettransacties, over een vergunning zoals bedoeld in artikel 9 Wck beschikte. De aanbodovereenkomsten zijn van de lease-overeenkomsten te onderscheiden overeenkomsten en de renteloze lening die in de aanbodovereenkomsten wordt genoemd, is niet op de voet van de lease-overeenkomsten verstrekt, zodat het ontbreken van een Wck-vergunning in verband met laatstbedoelde overeenkomsten niet de nietigheid van de aanbodovereenkomsten tot gevolg kan hebben. Hierbij komt nog dat bij de lease-overeenkomsten geen sprake is geweest van de verlening van een krediet dat beantwoordt aan een van de omschrijvingen neergelegd in artikel 1 onder a Wck, zodat het vergunningvoorschrift van artikel 9 Wck ten aanzien van die overeenkomsten niet van toepassing was. Verwezen wordt naar hetgeen over dat voorschrift in verband met overeenkomsten tot effectenlease is overwogen in het arrest van 15 november 2007 van dit hof in de zaak Aegon Bank/Stichting Gedupeerden Spaarconstructie, gepubliceerd in Jurisprudentie Onderneming & Recht 2008, 13, welke overwegingen ook thans gelden.

4.13 Grief III en grief IV bestrijden het oordeel van de rechtbank dat de aanbodovereenkomsten niet door bedrog en/of misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen. Hiertoe wordt aangevoerd, kort gezegd, dat Dexia ten opzichte van [A] en [B] beschikte over “een informatievoorsprong”, dat zij heeft verzuimd [A] en [B] aan te raden deskundige juridische hulp te zoeken alvorens de aanbodovereenkomsten aan te gaan, dat Dexia laatstgenoemden heeft voorgehouden van mening te zijn dat haar juridische positie sterk is, dat zij hen heeft bestookt met een “overdosis aan juridische documenten” en een “overvloed aan juridisch geweld” (waarmee kennelijk wordt gedoeld op de onder 4.4 genoemde brieven met bijlagen), dat Dexia heeft nagelaten vóór het aangaan van de lease- en de aanbodovereenkomsten onderzoek te doen naar de financiële positie van [A] en [B] en naar de risico’s die zij wilden nemen en konden dragen, en dat [A] en [B] beiden in “een financiële dwangpositie” verkeerden toen hen het Dexia Aanbod bereikte.

4.14 De hierboven genoemde omstandigheden leveren geen van alle, en evenmin in onderlinge samenhang, bedrog of misbruik van omstandigheden op zoals bedoeld in artikel 3:44, derde en vierde lid, Burgerlijk Wetboek, zodat de grieven falen. Uit die omstandigheden blijkt immers niet van enige opzettelijk gedane onjuiste mededeling, een opzettelijk verzwijgen van enig feit of een andere kunstgreep van Dexia erop gericht om [A] en [B] tot het aangaan van de aanbodovereenkomsten te bewegen, zoals artikel 3:44, derde lid, Burgerlijk Wetboek vereist voor de aanwezigheid van bedrog. De genoemde omstandigheden kunnen – zonder nadere toelichting, die ontbreekt - evenmin worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3:44, vierde lid, Burgerlijk Wetboek waarvan Dexia wist of moest begrijpen dat [A] en [B] daardoor tot het aangaan van de aanbodovereenkomsten werden bewogen, zoals vereist voor een beroep op misbruik van omstandigheden, nog daargelaten hetgeen daarvoor voor het overige is vereist. Dat, volgens [A] en [B], door het optreden van Dexia bij hen de indruk is gewekt dat zij “in juridische procedures geen schijn van kans zouden hebben” en dat Dexia bovendien de lease- en de aanbodovereenkomsten niet met hen had moeten aangaan, maakt het vorenstaande niet anders: uit deze stellingen volgt niet dat wél aan de vereisten van (één van) de zojuist genoemde wetsbepalingen is voldaan.

4.15 Grief V en grief VI keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 5 van de aanbodovereenkomsten geen algemene voorwaarden inhoudt, zodat de daarin opgenomen bedingen niet op grond van het bepaalde in artikel 6:233 en verder Burgerlijk Wetboek kunnen worden vernietigd. Artikel 5 van de aanbodovereenkomsten bepaalt, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat [A] en [B] (i) eventuele klachten hunnerzijds in verband met de lease-overeenkomsten intrekken, (ii) afstand doen van zekere rechten die hun in verband met die overeenkomsten zouden kunnen toekomen, waaronder rechten op schadevergoeding en vernietiging, en (iii) geen beroep zullen doen op een mogelijk in een procedure op grond van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek tegen Dexia te wijzen rechterlijke uitspraak verband houdend met effectenlease. Grief V betoogt dat artikel 5 in de zojuist bedoelde bepalingen geen bedingen bevat die de kern van de prestaties van [A] en [B] aangeven, grief VI dat artikel 5 niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, zodat de uitzondering genoemd in artikel 6:231 onder a Burgerlijk Wetboek zich niet voordoet en artikel 5 wél algemene voorwaarden inhoudt, die als onredelijk bezwarend dienen te worden vernietigd.

4.16 Niet in geschil is dat de aanbodovereenkomsten, waarvan de - gelijkluidende - tekst bij de onder 4.4 genoemde brieven van Dexia was gevoegd en die door degenen die van het Dexia Aanbod gebruik wensten te maken, uitsluitend met die inhoud konden worden aanvaard (door het invullen, ondertekenen en terugzenden van het eveneens bij de brieven gevoegde aanmeldformulier), schriftelijke bedingen bevatten die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Dergelijke bedingen zijn, volgens het bepaalde in artikel 6:231 onder a Burgerlijk Wetboek, algemene voorwaarden, “met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd”.

4.17 Bij de beantwoording van de vraag of de onder 4.15 bedoelde, in artikel 5 van de aanbodovereenkomsten neergelegde bedingen “de kern van de prestaties aangeven”, dient voorop te staan dat het begrip kernbeding zo beperkt mogelijk moet worden opgevat – omdat voor dergelijke bedingen de bescherming die aan de artikelen 6:233 en verder Burgerlijk Wetboek kan worden ontleend, niet geldt - en dat kernbedingen derhalve veelal samenvallen met de essentialia van de betrokken overeenkomst, zonder welke de overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen van partijen, niet tot stand zou komen. Van belang in dit verband is dat de aanbodovereenkomsten in vergelijking met de lease-overeenkomsten een verruiming inhouden van de mogelijkheden voor de afwikkeling van een restschuld, voor het geval aan het einde van de looptijd van de betrokken lease-overeenkomst zo’n schuld zou ontstaan. De aanbodovereenkomsten bevatten hiertoe verschillende keuzemogelijkheden, een en ander zoals in artikel 1.2 daarvan omschreven en in die overeenkomsten verder uitgewerkt. Van belang is voorts dat in de onder 4.4 genoemde brieven uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is vermeld dat degenen die van deze verruimde mogelijkheden gebruik wensten te maken, moesten afzien van juridische actie met betrekking tot door hen gesloten overeenkomsten tot effectenlease. Dit laatste is ook met zoveel woorden vermeld in de toelichting op het Dexia Aanbod (onder “Voorwaarden” op bladzijde 7 en onder “De Overeenkomst Dexia Aanbod” op bladzijde 21), die bij de brieven was gevoegd.

4.18 Onder de hierboven weergegeven omstandigheden moeten de onder 4.15 bedoelde bedingen, zowel naar objectieve maatstaven in het licht van het overigens in de aanbodovereenkomsten bepaalde, als gelet op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bedingen mochten toekennen en gelet op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, worden aangemerkt als bedingen die - ten minste mede - de kern van de prestaties van [A] en [B] aangeven: zij bevatten verbintenissen die [A] en [B], naar ondubbelzinnig blijkt uit de onder 4.4 genoemde brieven en de hierboven genoemde toelichting op het Dexia Aanbod, tegenover de verruimde mogelijkheden voor de afwikkeling van een restschuld op zich dienden te nemen, deze verbintenissen moeten als zodanig tot de essentialia van de aanbodovereenkomsten worden gerekend en die overeenkomsten zouden daarom zonder de bedoelde bedingen, nu de daarin neergelegde verbintenissen anderszins niet bepaalbaar waren, niet tot stand zijn gekomen. Het vorenstaande brengt mee dat, anders dan [A] en [B] betogen, niet op de grond dat de onder 4.15 bedoelde bedingen niet “de kern van de prestaties aangeven”, kan worden besloten dat die bedingen, nu zij zijn opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, als algemene voorwaarden moeten worden aangemerkt.

4.19 Dit laatste kan evenmin worden besloten op de grond dat de bedoelde bedingen niet “duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd”: uit de bewoordingen van die bedingen blijkt helder dat degenen die met Dexia een aanbodovereenkomst aangingen, eventuele klachten in verband met door hen gesloten overeenkomsten tot effectenlease introkken, dat zij afstand deden van zekere rechten die hun in verband met die overeenkomsten zouden kunnen toekomen, en dat hun geen beroep toekwam op een mogelijk in een procedure op grond van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek tegen Dexia te wijzen rechterlijke uitspraak verband houdend met effectenlease. Hierbij is mede van belang dat van degenen die met Dexia een aanbodovereenkomst aangingen, mocht worden verwacht dat zij zich tevoren redelijke inspanningen getroostten om de betekenis van het in de overeenkomst bepaalde en de daaruit voor hen volgende verplichtingen te begrijpen, in ieder geval door de toegezonden tekst van die overeenkomst, de bijbehorende toelichting en de begeleidende brief zorgvuldig te lezen. Niet kan worden gezegd dat de hierboven bedoelde bedingen, uitgaande van een dergelijke lezing, niet “duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd”. Hetgeen [A] en [B] hebben aangevoerd met betrekking tot het bescheiden opleidingsniveau en de (goeddeels) ontbrekende ervaring met het beleggen in financiële instrumenten, wat daarvan verder ook zij, van degenen die met Dexia een aanbodovereenkomst aangingen, doet aan het vorenstaande niets af. Hetzelfde geldt voor hun opmerkingen over de maatstaf waaraan de bedoelde bedingen zouden moeten voldoen – namelijk voor “de gemiddelde effectenlessee” inzichtelijk - teneinde voor de wederpartijen van Dexia “duidelijk en begrijpelijk” te zijn, reeds omdat artikel 6:231 onder a Burgerlijk Wetboek daarvoor geen steun biedt.

4.20 Uit het bovenstaande volgt dat de onder 4.15 bedoelde, in artikel 5 van de aanbodovereenkomsten neergelegde bedingen, gelet op de in artikel 6:231 onder a Burgerlijk Wetboek opgenomen uitzondering, geen algemene voorwaarden zijn en derhalve niet in aanmerking komen voor vernietiging op grond van artikel 6:233 en verder Burgerlijk Wetboek, zodat de grieven V en VI tevergeefs zijn voorgesteld. Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumenten-overeenkomsten, waarop [A] en [B] een beroep doen, maakt dit niet anders, aangezien deze richtlijn niet noopt tot een andere uitleg en toepassing van artikel 6:231 onder a Burgerlijk Wetboek dan hierboven gegeven. Voor zover [A] en [B] willen betogen dat de aanbodovereenkomsten ook buiten artikel 5 niet “duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd”, kan dit hen evenmin baten, bij gebreke van voldoende toelichting en voorts bij gebreke van voldoende belang: in het vonnis waarvan beroep zijn immers geen andere in de aanbodovereenkomsten opgenomen kernbedingen uitgezonderd van toetsing aan artikel 6:233 en verder Burgerlijk Wetboek, op de grond dat die bedingen “duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd”. Zonder belang is bovendien de stelling dat, naast artikel 5, artikel 6.4 van de aanbodovereenkomsten geen bedingen bevat die de kern van de prestaties van partijen aangeven, nu de rechtbank – blijkens het in het bestreden vonnis onder 6.2 overwogene – van hetzelfde is uitgegaan.

4.21 Grief VII betoogt dat de artikelen 5 en 6.4 van de aanbodovereenkomsten onredelijk bezwarend zijn en om deze reden moeten worden vernietigd. Met betrekking tot artikel 5 stuit dit betoog af op hetgeen hierboven over de grieven V en VI is overwogen. Met betrekking tot artikel 6.4 kan de grief evenmin slagen. Hiertoe is het volgende bepalend.

4.22 Artikel 6.4 van de aanbodovereenkomsten bepaalt in het eerste lid, voor zover hier van belang, dat [A] en [B] afstand doen van hun recht tot ontbinding en/of vernietiging van de overeenkomst “op de grond dat, naar achteraf mocht blijken, één der partijen niet een juiste voortstelling van zaken had met betrekking tot feiten en/of omstandigheden (waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, de uitkomst van eventuele juridische procedures met betrekking tot effectenlease waarbij Dexia al dan niet partij is) die voor één en/of beide partij(en) voor het aangaan van deze overeenkomst van belang zijn geweest”. De in het artikellid genoemde grond, wat daarvan verder ook zij, kan – naar [A] en [B] onder 180 van de memorie van grieven onderkennen - geen grond opleveren voor ontbinding van de aanbodovereenkomsten, nu hiervoor een tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen uit de overeenkomst is vereist en die grond daarop niet ziet. Dit brengt mee dat het aangehaalde beding de bevoegdheid van [A] en [B] tot ontbinding van de overeenkomsten realiter niet uitsluit of beperkt, zodat het beding, anders dan zij menen, niet op grond van artikel 6:236 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is.

4.23 Het aangehaalde beding houdt wél een beperking in van de bevoegdheid van [A] en [B] om de aanbodovereenkomsten met een beroep op artikel 6:228 Burgerlijk Wetboek te vernietigen wegens dwaling, nu het hebben van een onjuiste voorstelling van zaken zoals in het beding bedoeld, een vereiste is voor een beroep op dwaling. Deze beperking maakt het beding echter niet onredelijk bezwarend, in aanmerking genomen dat (i) de aanbodovereenkomsten een verruiming inhouden van de mogelijkheden van [A] en [B] voor de afwikkeling van restschulden in vergelijking met de lease-overeenkomsten (op grond waarvan die schulden dadelijk opeisbaar zouden zijn en waarbij in het geval van niet tijdige betaling rente verschuldigd was), (ii) Dexia door de aanbodovereenkomsten haar rechten op onverkorte nakoming van de lease-overeenkomsten feitelijk heeft prijsgegeven, (iii) Dexia een voor [A] en [B] kenbaar belang had om na de totstandkoming van de aanbodovereenkomsten verschoond te blijven van beroepen op vernietiging daarvan wegens het hebben ontbroken van een juiste voorstelling van zaken zoals in het hierboven aangehaalde beding bedoeld, (iv) Dexia door haar onder 4.4 genoemde brieven en de bijgevoegde bescheiden, waaronder in het bijzonder de toelichting op het Dexia Aanbod, voldoende maatregelen heeft genomen om een onjuiste voorstelling van zaken bij haar wederpartijen te voorkomen, en (v) het Dexia Aanbod de voor [A] en [B] kenbare strekking had om, bij aanvaarding daarvan, een alomvattende regeling te treffen voor het geval uit de lease-overeenkomsten restschulden zouden ontstaan. Onder deze omstandigheden is het in het eerste lid van artikel 6.4 van de aanbodovereenkomsten neergelegde beding, gelet op het bepaalde in artikel 6:233 onder a Burgerlijk Wetboek, niet onredelijk bezwarend en derhalve evenmin vernietigbaar.

4.24 In de toelichting op grief VII wordt niet toegelicht en onderbouwd dat en op welke gronden het tweede en derde lid van artikel 6.4 van de aanbodovereenkomsten onredelijk bezwarend zijn. De grief kan daarom, bij gebreke van voldoende toelichting, ook niet slagen voor zover zij de vernietiging nastreeft van de in die artikelleden neergelegde bedingen. Dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat Dexia geen beroep zou toekomen op het bepaalde in artikel 6.4, zoals [A] en [B] menen, kan, gelet op het hierboven overwogene en voorts (wederom) bij gebreke van voldoende toelichting, evenmin worden aanvaard. Ook in hun betoog dat de in artikel 5.3 van de aanbodovereenkomsten aan Dexia gegeven onherroepelijke volmacht door hen rechtsgeldig is herroepen, althans door het hof buiten werking dient te worden gesteld, kunnen [A] en [B] niet worden gevolgd. De bedoelde volmacht strekt, in de kern, tot nakoming van het bepaalde in de aanbodovereenkomsten. Nu deze overeenkomsten een verruiming inhouden van de mogelijkheden van [A] en [B] voor de afwikkeling van een restschuld in vergelijking met de lease-overeenkomsten, kan niet worden gezegd dat de volmacht niet in hun belang is en daarom herroepelijk, of dat gewichtige redenen bestaan voor buitenwerkingstelling van de volmacht (zoals bedoeld in artikel 3:74, vierde lid, Burgerlijk Wetboek).

4.25 Met de onderdelen 149 tot en met 162 van de memorie van grieven vullen [A] en [B] de gronden aan waarop hun vordering tot vernietiging van de aanbodovereenkomsten wegens door Dexia gepleegd bedrog steunt. Die aanvulling heeft nauwelijks meer om het lijf dan de onder 4.13 en 4.14 besproken feitelijkheden en stuit in zoverre af op hetgeen daar reeds is overwogen. Voor het overige leveren de door [A] en [B] aangevoerde aanvullende feiten geen bedrog op zoals bedoeld in artikel 3:44, derde lid, Burgerlijk Wetboek, zodat zij niet tot toewijzing van hun bovenbedoelde vordering kunnen leiden. Dit geldt ook voor het verwijt dat Dexia heeft verzwegen dat “een goed alternatief” voor het aangaan van de aanbodovereenkomsten erin bestond om “de strijd met Dexia aan te gaan”, nu Dexia ervan mocht uitgaan dat [A] en [B] dit zelf konden bedenken en nu destijds niet voorzienbaar was of en zo ja, in hoeverre, een dergelijke “strijd” voor laatstgenoemden een gunstigere uitkomst zou hebben dan hetgeen in de aanbodovereenkomsten is bepaald.

4.26 Evenmin kunnen slagen het beroep op dwaling (onderdelen 180 tot en met 191 van de memorie van grieven) en het beroep op onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek (onderdelen 192 en 193 van de memorie van grieven). Het beroep op dwaling heeft, voor zover niet reeds ontoelaatbaar wegens het onder 4.22 aangehaalde beding, betrekking op uitsluitend toekomstige omstandigheden, namelijk de uitkomsten van juridische procedures ná het Dexia Aanbod, en daarop kan krachtens artikel 6:228, tweede lid, Burgerlijk Wetboek geen vernietiging worden gegrond. Het beroep op onvoorziene omstandigheden ontbeert een toelichting waaruit blijkt dat zich na de totstandkoming van de aanbodovereenkomsten door partijen indertijd niet voorziene omstandigheden hebben voorgedaan van dien aard dat Dexia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de aanbodovereenkomsten niet mag verwachten. Het sneven van het beroep op dwaling brengt mee dat voor een wijziging van de gevolgen van de aanbodovereenkomsten op de voet van het bepaalde in artikel 6:230 Burgerlijk Wetboek, zoals door [A] en [B] gevraagd, evenmin grond bestaat.

4.27 Hetgeen in de memorie van grieven voor het overige is aangevoerd, heeft betrekking op (i) het beweerde doen en laten van Dexia bij de totstandkoming van de lease-overeenkomsten en (ii) de op bladzijden 61 tot en met 63 van die memorie subsidiair ingestelde vorderingen, die enkel op de lease-overeenkomsten zien. De desbetreffende punten behoeven, bij gebrek aan belang, geen bespreking. Hetgeen ter zake van de lease-overeenkomsten is aangevoerd, kan immers niet leiden tot toewijzing van enige vordering die op bladzijden 60 en 61 van de memorie van grieven is ingesteld met betrekking tot de aanbodovereenkomsten, aangezien deze laatste van de lease-overeenkomsten te onderscheiden overeenkomsten zijn en de eventuele gegrondheid van enig verwijt aan Dexia ter zake van de lease-overeenkomsten, de geldigheid en de verbindendheid van de aanbodovereenkomsten onverlet laat. De op bladzijden 61 tot en met 63 van de memorie van grieven ingestelde subsidiaire vorderingen zijn, naar volgt uit de onderdelen 170 en 171 van de memorie van grieven, uitsluitend ingesteld voor het geval dat het hof één of meer van de grieven gegrond zou bevinden, welk geval zich niet voordoet, zodat de voorwaarde waaronder die vorderingen zijn ingesteld, onvervuld is.

4.28 [A] en [B] hebben geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, bij bewezenverklaring, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Aan hun bewijsaanbod onder 169 en onder 230 van de memorie van grieven komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. Eveneens gepasseerd worden de bezwaren die Dexia bij haar onder 1 bedoelde antwoordakte heeft gemaakt tegen de akte die [A] en [B] na de memorie van antwoord hebben genomen, reeds omdat Dexia bij die bezwaren, gezien de uitkomst van het hoger beroep, geen voldoende belang meer heeft.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat de grieven tevergeefs zijn voorgesteld en dat de veranderde eis van [A] en [B] niet toewijsbaar is. Het vonnis waarvan beroep zal daarom, bij gebreke van een grond voor vernietiging, worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

[A] en [B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af de eis van [A] en [B] zoals in hoger beroep veranderd;

verwijst [A] en [B] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Dexia gevallen, op € 296,- aan verschotten en op € 1.341,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.H.A. Scholten en M.P. van Achterberg en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 oktober 2008 door de rolraadsheer.