Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF7494

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
104.003.649
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In haar in rechtsoverweging 4.3 vermelde brief heeft Fortis met betrekking tot de in rechtsoverweging 4.2 sub b vermelde rechtsverhouding “enige andere overeenkomst of anderszins” allereerst verklaard dat het ging om “een kredietarrangement met diverse vennootschappen, waarvan [B.V. 1] onderdeel uit maakt.” Vervolgens heeft Fortis in deze brief verklaard - en dit acht het hof van doorslaggevend belang - dat “op naam van [B.V. 1] alleen (cursivering door het hof) het in de derdenverklaring vermelde rekeningnummer met bijbehorend negatief saldo voorkomt.” Met deze laatste - zij het summiere - toevoeging heeft Fortis, in het licht van haar eerdere verklaringen van 21 juni 2006 en 7 augustus 2006, voldoende duidelijk kenbaar gemaakt aan Alba, dat er geen (andere) vorderingen waren die door de beslagen waren getroffen en dat de beslagen (per saldo) dus geen doel hadden getroffen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aanvullende verklaring van Fortis op 24 augustus 2006 is gedaan aan de advocaat van Alba, die geacht mag worden op dit punt voldoende terzake kundig te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2008

eerste civiele kamer

zaaknummer 104.003.649

rolnummer (oud) 2007/614 KG

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

procureur: thans mr. J.J. van Hees,

tegen:

de rechtspersoon naar Duits recht Alba Aktiengesellschaft,

gevestigd te Velten bei Berlin (Duitsland),

geïntimeerde,

procureur: mr. K.S. Guldemond.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 14 februari 2007, hersteld bij vonnis van 28 maart 2007, dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht in kort geding heeft gewezen tussen appellante (hierna te noemen: Fortis) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: Alba) als eiseres. Fotokopieën van deze vonnissen zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Fortis heeft bij exploot van 13 maart 2007 Alba aangezegd in hoger beroep te komen van het hiervoor genoemde vonnis van 14 februari 2007, met dagvaarding van Alba voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Fortis, onder overlegging van producties, één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft zij gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Alba zal afwijzen, met veroordeling van Alba in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Alba, onder overlegging van producties, de grief bestreden en heeft zij geconcludeerd dat het hof bij (het hof leest) arrest, uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren, zal verklaren dat het hoger beroep van Fortis ongegrond is, althans de vordering van Fortis zal afwijzen, met veroordeling van Fortis in de kosten (het hof begrijpt) in hoger beroep.

2.4 Ter terechtzitting van het hof van 11 februari 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, waarbij namens Fortis het woord is gevoerd door mr. E.D. van Geuns, advocaat te Amsterdam en namens Alba door haar procureur en door mr. F. Henke, advocaat te Amsterdam, overeenkomstig door hen overgelegde pleitnota’s.

Aan mr. Henke voornoemd is akte verleend van het in het geding brengen van een productie, te weten een uitspraak van het Landgericht Berlijn van 27 november 2007, die zij voorafgaande aan de zitting aan de wederpartij en het hof heeft gezonden.

2.5 Ten slotte hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld. Aangezien tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Alba en [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1]) hebben een geschil omtrent (de uitvoering van) een tussen hen in augustus 2003 gesloten overeenkomst. Ter verzekering van het volgens Alba door [B.V. 1] aan haar verschuldigde, heeft Alba, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht, op 24 mei 2006 en 10 juli 2006 conservatoir derdenbeslag onder Fortis doen leggen. Alba heeft een procedure tegen [B.V. 1] aangespannen bij het Landgericht Berlijn.

4.2 Fortis heeft op 21 juni 2006 en 7 augustus 2006 als derde-beslagene een verklaring ondertekend, waarin zij -voor zover hier van belang- heeft verklaard dat tussen haar en de schuldenaar (hof: [B.V. 1]), een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van haar had te vorderen, nu te vorderen heeft, of nog te vorderen kan krijgen. Deze rechtsverhouding betreft a. een rekening-courant overeenkomst met rekeningnummer [rekeningnummer] met een debetsaldo van respectievelijk € 5.463.243,27 (op 24 mei 2006) en € 6.422.489,66 (op 10 juli 2006) en b. “enige andere overeenkomst of anderszins”.

4.3 Voorts heeft Fortis in een brief van 24 augustus 2006 aan mr. Henke voornoemd - voor zover hier van belang - het volgende geschreven:

“(…) In de door ons afgegeven derdenverklaring hebben wij aangegeven dat er sprake is van enige andere overeenkomst of anderszins, echter hebben wij verzuimd te melden om welke overeenkomst dit gaat. Het betreft hier een kredietarrangement tussen diverse vennootschappen, waarvan [B.V. 1] onderdeel uit maakt. Op naam van [B.V. 1] komt alleen het in de derdenverklaring vermelde rekeningnummer met bijbehorend negatief saldo voor.

Onze excuses voor het afgeven van een incomplete derdenverklaring.

(…)”

4.4 In deze procedure gaat het om de vraag of Fortis met haar in rechtsoverweging 4.2 en 4.3 vermelde verklaringen in voldoende mate heeft voldaan aan de op grond van artikel 720 en 723 jo artikel 476 a en 476 b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voor haar geldende verplichtingen. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de door Fortis afgelegde derdenverklaring onvolledig was en heeft Fortis veroordeeld aan Alba een kopie van het kredietarrangement te verstrekken en opgave te doen van de bij voornoemd kredietarrangement behorende bankrekeningnummers, voor zover [B.V. 1] daartoe (mede)gerechtigd was ten tijde van de beslagleggingen, zulks met vermelding van de saldi waartoe [B.V. 1] (mede)gerechtigd was. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende motivering is de grief van Fortis gericht, die het hof hierna zal behandelen.

4.5 De bevoegdheid van het hof om van het onderhavige geschil kennis te nemen is afgeleid van artikel 31 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. In dit artikel is bepaald dat in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien het gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.

Daarbij is van belang dat de door Alba gevorderde maatregelen, zoals hiervoor vermeld, in Nederland dienen te worden gerealiseerd. Het hof zal Nederlands recht toepassen, aangezien het geschil betrekking heeft op een in Nederland gelegd conservatoir derdenbeslag en de in dat verband door de derde-beslagene (Fortis) af te leggen verklaring.

4.6 Tussen partijen is - naar het oordeel van het hof terecht, gelet op het bepaalde in artikel 723 jo 477a Rv - niet in geschil dat Alba pas in de executoriale fase en niet in de conservatoire fase van het beslag, bevoegd is de door Fortis afgelegde verklaring(en) te betwisten op de voet van artikel 477a lid 2 Rv.

4.7 Op grond van artikel 476a lid 1 Rv is, zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, de derde verplicht verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen (…). Op grond van lid 2 van dit artikel bevat de verklaring van de derde-beslagene onder andere a. de met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft, b. de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden, c. een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken en (…) f. de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn.

4.8 Op grond van artikel 476b lid 1 Rv wordt de verklaring op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijze gericht tot de deurwaarder die het beslag heeft gelegd of tot de advocaat die voor de beslaglegger optreedt, zo deze in het exploot is vermeld. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de verklaring zoveel mogelijk vergezeld gaat van afschrift van tot staving dienende bescheiden. Ter uitvoering van artikel 476 b Rv is een formulier vastgesteld op grond van het Besluit van 22 augustus 1991 ter uitvoering van de artikelen 475 lid 2 en 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Stb. 1991, 436 (hierna: het Besluit Verklaring derdenbeslag).

4.9 De door de derde-beslagene af te leggen buitengerechtelijke verklaring van artikel 476a Rv strekt ertoe vast te stellen welke vorderingen door het beslag worden getroffen. Dit betekent dat wanneer de derde in zijn buitengerechtelijke verklaring vermeldt niets aan de geëxecuteerde schuldig te zijn, het beslag geen doel treft. Op grond van artikel 476a Rv is de derde-beslagene allereerst gehouden naar waarheid, voldoende gemotiveerd en voor zover nodig met tot bewijs dienende bescheiden gestaafd, aan te geven of er al dan niet iets is getroffen door het beslag. Wanneer dit het geval is, dient de derde-beslagene vervolgens, eveneens met inachtneming van de hiervoor vermelde eisen, te verklaren wat er precies beslagen is. De hiervoor vermelde verklaring is in het geval van een conservatoir beslag van belang voor de beslaglegger bij diens beoordeling of het zinvol is een procedure in de hoofdzaak aanhangig te maken dan wel deze voort te zetten.

4.10 De hiervoor omschreven strekking van de artikelen 476a en 476b Rv, het met deze artikelen in geval van conservatoir beslag beoogde doel en de wijze waarop de derde-beslagene zijn verklaring dient af te leggen, volgen ook uit het Besluit Verklaring derdenbeslag. Het hof verwijst naar bladzijde 7 van de als bijlage bij het Besluit Verklaring derdenbeslag behorende Toelichting, waar is vermeld dat de derde zijn verklaring zoveel mogelijk met bewijzen moet staven. Voorts is in de Nota van Toelichting op het Besluit Verklaring derdenbeslag het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 1

(…)

Enige toelichting eist nog punt 3 van het formulier dat is afgestemd op het geval van beslag onder een bank. De bank zal in het algemeen met de daar verlangde summiere gegevens kunnen volstaan. Aldus wordt tevens tegemoet gekomen aan de moeilijkheid dat de opgave in beginsel neerkomt op een doorbreking van het bankgeheim, waaraan ook aspekten van privacy verbonden kunnen zijn, krachtens een daartoe strekkend wetsvoorschrift. Met name bij conservatoir beslag is van belang dat dit wetsvoorschrift niet kan worden misbruikt. De bank dient daarom bij de opgave van verdere bijzonderheden een zekere vrijheid te hebben, mits maar voldoende gegevens worden verschaft om de beslaglegger in staat te stellen te beoordelen in hoeverre het beslag doel heeft getroffen en van welk verhaalsobject kan worden uitgegaan bij de vraag of het zin heeft de procedure in de hoofdzaak door te zetten.”

(…)

4.11 De door Fortis op 21 juni 2006 en 7 augustus 2006 afgelegde verklaringen met betrekking tot de ten tijde van de beslagleggingen aanwezige debetstanden op het eerdergenoemde genoemde rekeningnummer van [B.V. 1] kunnen, in samenhang met de daarop nog gegeven toelichting, tot geen andere conclusie leiden dan dat de door Alba gelegde beslagen geen doel hadden getroffen.

4.12 In haar in rechtsoverweging 4.3 vermelde brief heeft Fortis met betrekking tot de in rechtsoverweging 4.2 sub b vermelde rechtsverhouding “enige andere overeenkomst of anderszins” allereerst verklaard dat het ging om “een kredietarrangement met diverse vennootschappen, waarvan [B.V. 1] onderdeel uit maakt.” Vervolgens heeft Fortis in deze brief verklaard - en dit acht het hof van doorslaggevend belang - dat “op naam van [B.V. 1] alleen (cursivering door het hof) het in de derdenverklaring vermelde rekeningnummer met bijbehorend negatief saldo voorkomt.” Met deze laatste - zij het summiere - toevoeging heeft Fortis, in het licht van haar eerdere verklaringen van 21 juni 2006 en 7 augustus 2006, voldoende duidelijk kenbaar gemaakt aan Alba, dat er geen (andere) vorderingen waren die door de beslagen waren getroffen en dat de beslagen (per saldo) dus geen doel hadden getroffen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aanvullende verklaring van Fortis op 24 augustus 2006 is gedaan aan de advocaat van Alba, die geacht mag worden op dit punt voldoende terzake kundig te zijn.

4.13 Alba heeft onder punt 44 van haar memorie van antwoord aangevoerd dat zij slechts wilde weten of [B.V. 1] in het kader van de kredietovereenkomst (mede)gerechtigd was tot andere rekeningen dan de genoemde en dat het wellicht afhankelijk van de wijze van administratie van die rekeningen en de aard van de overeenkomst en gerechtigdheid zou kunnen zijn dat voor (wellicht uitsluitend) [B.V. 1] een positief saldo bestond. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat Fortis de hiervoor vermelde “vragen” van Alba met haar aanvullende verklaring van 24 augustus 2006 in voldoende duidelijke bewoordingen - ontkennend - heeft beantwoord.

4.14 Ook in punt 23 van haar pleitnota heeft Alba slechts aangevoerd dat “een positief saldo tot de mogelijkheden behoort”. Het hof verwerpt deze stelling, aangezien Fortis steeds gemotiveerd heeft betwist dat de gelegde beslagen wel doel zouden hebben getroffen en Alba heeft nagelaten haar stelling nader te onderbouwen. De suggestie van Alba dat [B.V. 1] uit hoofde van de kredietovereenkomst tot meerdere rekeningen “gerechtigd” zou kunnen zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Fortis heeft er geen misverstand over laten bestaan dat [B.V. 1] maar één rekening bij haar aanhoudt, terwijl eventuele afspraken omtrent de gerechtigdheid tot verhaal van [B.V. 1] op saldi van rekeningen van andere vennootschappen niet ter beoordeling van Fortis staan en daarom niet relevant zijn voor de door Fortis af te leggen derdenverklaring.

4.15 Tussen partijen is niet in geschil dat naar Nederlands beslag- en executierecht de mogelijkheid van beslag op “niet benutte kredietruimte” niet kan worden aanvaard omdat de aard van de relatie tussen de kredietverlenende bank en de cliënt, het systeem van het faillissements- en beslagrecht en bezwaren van praktische aard zich daartegen verzetten.

4.16 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen heeft Fortis met haar in rechtsoverweging 4.2 en 4.3 vermelde verklaringen in voldoende mate voldaan aan de op grond van artikel 720 en 723 jo artikel 476 a en 476 b Rv voor haar geldende verplichtingen. Dit betekent dat Fortis niet gehouden is/was de door Alba in deze procedure gevorderde nadere schriftelijke informatie en/of bescheiden te verstrekken, aangezien deze geen betrekking (kunnen) hebben op vorderingen die door de beslagen zijn getroffen.

4.17 De slotsom is dat de grief slaagt. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en het hof zal de vorderingen van Alba alsnog afwijzen. Alba zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 14 februari 2007, hersteld bij vonnis van 28 maart 2007, en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen van Alba alsnog af;

veroordeelt Alba in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot aan het bestreden vonnis aan de zijde van Fortis begroot op € 816,- voor salaris van de procureur en op € 248,- voor verschotten;

veroordeelt Alba in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fortis begroot op € 2.682,- voor salaris van de procureur en op € 384,31 voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. Knottnerus, Van den Brink en Quint en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008.