Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF7385

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
23-005742-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van stichting wegens het illegaal lozen van verontreinigd fotografisch afvalwater vanuit op locatie geplaatste oplegger voor bevolkingsonderzoek borstkanker, meermalen gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 13
Wet milieubeheer 10.30
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 2K
NBSTRAF 2008/423
NbSr 2008/423
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005742-07

datum uitspraak: 26 september 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer

van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2007 in de strafzaak onder parketnummer

13-994140-06 van het openbaar ministerie

tegen

[Stichting],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 30 augustus 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte en door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde, voor zover dit betrekking heeft op de situatie te Huizen, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat willens en wetens, dus opzettelijk, bedrijfsafvalwater op en/of in de bodem is geloosd, nu niet valt uit te sluiten dat de afvoerslang door een externe oorzaak op de bodem is geraakt.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte, [stichting], bij koopovereenkomst van 4 december 1990 de tot dan toe door haar uitgevoerde activiteiten ten behoeve van het bevolkingsonderzoek borstkanker heeft overgedragen aan [BV]. Nu de feitelijke werkzaamheden vanaf die tijd door en onder verantwoordelijkheid en voor risico van de BV werden verricht en de verdachte in de tenlastegelegde periode slechts zorg heeft gedragen voor het aanvragen van de standplaatsvergunningen, dan wel ontheffing ter zake, ten behoeve van genoemd onderzoek, kan de verdachte voor het tenlastegelegde niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat geen sprake kan zijn van medeplegen, omdat niet is gebleken van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering en de door de medeverdachten verrichtte gedragingen als aparte, van elkaar los staande, handelingen zijn te onderscheiden.

De rol van de verdachte heeft zich hierbij beperkt tot het aanvragen van de standplaatsvergunningen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Wat er ook zij van de gestelde overdracht van werkzaamheden aan [BV], naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan de eigen (strafrechtelijke) verantwoordelijkheid van de verdachte als vergunninghouder c.q. als verkrijger van de betreffende ontheffing indien:

a) aan de standplaatsvergunning c.q. ontheffing een voorschrift is verbonden dat de vergunninghouder of degene aan wie de ontheffing is verstrekt, direct of indirect verplicht tot het in acht nemen van voorschriften op grond van de Wet milieubeheer en/of de Wet bodembescherming en/of

b) de verdachte vóór het moment van aanvraag van de standplaatsvergunning c.q. ontheffing bekend was met de omstandigheid dat vanuit de oplegger voor bevolkingsonderzoek borstkanker afvalwater op of in de bodem zou worden gebracht, waardoor de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, en desondanks een standplaatsvergunning dan wel een ontheffing heeft aangevraagd, zonder minst genomen dit gegeven te melden, dan wel zich te hebben verzekerd dat tevens een ontheffing voor de betreffende lozing was of zou worden aangevraagd.

Ad a

Uit de zich in het dossier bevindende vergunningen en ontheffingen blijkt niet dat hieraan voorwaarden zijn verbonden gericht op de naleving van genoemde milieuwetgeving. Van overtreding van voorwaarden verbonden aan de aan de verdachte verleende en vervolgens door haar aan de BV ter beschikking gestelde vergunningen c.q. ontheffingen is daarmee geen sprake.

Ad b

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte tenminste sinds 1998 wist dat voor de lozing van afvalwater dat vrijkomt bij het bevolkingsonderzoek borstkanker een ontheffing is vereist en dat het verboden is zonder een dergelijke ontheffing afvalwater te lozen. In het strafdossier bevindt zich immers een brief van de dienst stadsontwikkeling van de gemeente Hilversum van 20 april 1998 gericht aan de verdachte, waaruit blijkt dat de stichting erop is gewezen dat voor het lozen van het afvalwater een ontheffing nodig is (bijlage XXIII (2) van dossiernummer 000812). Uit de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof echter niet gebleken dat de verdachte bij het aanvragen van de standplaatsvergunning c.q. ontheffing melding heeft gemaakt dat vanuit de oplegger voor bevolkingsonderzoek borstkanker afvalwater zou worden geloosd, noch dat de verdachte zich ervan heeft verzekerd dat tevens een ontheffing voor de betreffende lozing was of zou worden aangevraagd. Nu sprake was van nalaten, terwijl ook niet is gebleken van enig handelen dat was gericht op het voorkomen van de lozing van afvalwater vanuit de oplegger voor bevolkingsonderzoek borstkanker, heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het opzettelijk medeplegen van de aan haar verweten gedragingen, zoals haar onder 1 primair (met uitzondering van het tenlastegelegde in de periode van 29 januari 2004 tot en met 25 februari 2004 te Huizen) en 2 primair is tenlastegelegd.

Meest subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de verdachte de tenlastegelegde feiten niet opzettelijk heeft begaan, omdat zij erop heeft vertrouwd en ook mocht vertrouwen dat het afvalwater - na het treffen van preventieve maatregelen door de BV en mededelingen van deskundigen daaromtrent - aan de wettelijke eisen voldeed.

Het hof is van oordeel dat het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde opzettelijk is begaan, met uitzondering van het hiervoor onder het kopje “vrijspraak” genoemde feit.

Hoewel de verdachte, de BV en [stichting I] als professionele ondernemingen op de hoogte hadden moeten zijn van de geldende milieuregelgeving, hebben zij nagelaten zich daaromtrent afdoende te (doen) informeren en zijn zij afgegaan op mededelingen van leveranciers van zogenoemde “metal out-apparatuur” dat het lozen van het afvalwater op de wijze waarop dit in het onderhavige geval gebeurde geoorloofd was, mits een norm van 1 milligram zilver per liter afvalwater niet zou worden overschreden. Niet alleen kan aan dergelijke mededelingen redelijkerwijs niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat de lozingen op wettelijk toegestane wijze geschiedden, maar bovendien bleek uit monsternemingen van het afvalwater dat de lozingen regelmatig genoemde norm aanzienlijk overschreden. Door ondanks de wetenschap omtrent het vervuilende karakter van de afvalwaterlozingen deze lozingen te continueren, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte, de BV en [stichting I] willens en wetens hebben gehandeld.

Tot slot overweegt het hof dat geen sprake is van een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de raadsman heeft bepleit, nu telkens sprake is geweest van nieuwe wilsbesluiten.

Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

zij in de periode vanaf 25 mei 2004 tot en met 14 december 2004 te Almere en Laren en Hilversum en Bussum, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten vanuit een opleggerunit voor bevolkingsonderzoek borstkanker op of in de bodem brengen van een hoeveelheid bedrijfsafvalwater, fotografisch spoelwater, dat onder andere de stof zilver bevatte, terwijl zij en haar mededaders wisten dat door die

handeling de bodem kon worden verontreinigd en aangetast, en opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en aantasting te voorkomen en, terwijl

die verontreiniging en aantasting zich voordeden, de bodem te saneren of de

aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk

ongedaan te maken, immers hebben verdachte en haar mededaders

- in de periode vanaf 25 mei 2004 tot en met 7 juli 2004 te Almere, genoemd bedrijfsafvalwater op en/of in de bodem, kale aarde/zandbodem nabij de Baljuwstraat, geloosd en

- in de periode vanaf 10 juli 2004 tot en met 16 juli 2004 te Laren, genoemd bedrijfs- afvalwater op en/of in de bodem, tussen de bosschages nabij de Eemnesserweg, geloosd en

- in de periode vanaf 13 september 2004 tot en met 26 oktober 2004 te Hilversum, genoemd bedrijfs- afvalwater op en/of in de bodem, op of nabij de Kapittelweg, geloosd en

- in de periode vanaf 24 november 2004 tot en met 14 december 2004 te Bussum, genoemd bedrijfs- afvalwater op en/of in de bodem, op of nabij de Brinklaan, geloosd

en

zij in de periode vanaf 29 januari 2004 tot en met 25 februari 2004 te Huizen, tezamen en in vereniging met anderen, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten vanuit een opleggerunit voor bevolkingsonderzoek borstkanker op of in de bodem brengen van een hoeveelheid bedrijfsafvalwater, fotografisch spoelwater, dat onder andere de stof zilver bevatte, terwijl zij en haar mededaders wisten dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en aangetast, en opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en aantasting te voorkomen en, terwijl die verontreiniging en aantasting zich voordeden, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken, immers hebben verdachte en haar mededaders in voornoemde periode genoemd bedrijfsafvalwater op en/of in de bodem, op het wegdek en in de grasberm nabij de Betuiningen, geloosd;

ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

zij in de periode vanaf 29 januari 2004 tot en met 13 april 2004 te Huizen en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, zich, anders dan vanuit een inrichting, van bedrijfsafvalwater heeft ontdaan door deze in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater te brengen, immers hebben verdachte en haar mededaders

- op 4 februari 2004 te Huizen, vanuit een opleggerunit voor bevolkingsonderzoek borstkanker, een hoeveelheid bedrijfsafvalwater, fotografisch spoelwater, dat onder andere de stof zilver bevatte, in een straatkolk van het hemelwaterriool nabij de Betuining geloosd en

- in de periode vanaf 19 maart 2004 tot en met 13 april 2004 te Amsterdam, vanuit een opleggerunit voor bevolkingsonderzoek borstkanker, een hoeveelheid bedrijfsafvalwater, fotografisch spoelwater, dat onder andere de stof zilver bevatte, in een straatkolk van het hemelwaterriool op of nabij het Osdorpplein geloosd.

Hetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

en

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 13 van de Wet bodembescherming.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft ten aanzien van het onder

1 primair tenlastegelegde, voor zover dit niet opzettelijk is begaan, bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd en heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde, voor zover opzettelijk begaan, en voor het onder 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 75.000,-, waarvan EUR 57.500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de eerste rechter is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met een bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van mobiele screeningunits, waar ten behoeve van genoemd bevolkingsonderzoek medische foto’s werden gemaakt en ontwikkeld. In de tenlastegelegde periode hebben de verdachte en haar mededaders op verschillende locaties afvalwater, te weten fotografisch spoelwater dat de verontreinigende stof zilver bevatte, door middel van een slang vanuit de unit op of in de bodem dan wel in het hemelwaterriool geloosd.

Aannemelijk is geworden dat hierdoor een aanzienlijke vervuiling van het milieu is ontstaan.

Uit monsterneming tijdens het opsporingsonderzoek is voorts gebleken dat het geloosde afvalwater in sommige gevallen een hoog zilvergehalte bevatte. De verdachte is, door geen melding te maken van de afvallozingen bij het aanvragen van de standplaatsvergunningen c.q. ontheffingen, medeverantwoordelijk voor de opgetreden vervuiling van het milieu.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof constateert dat de behandeling in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft plaatsgevonden, doch dat deze overschrijding wordt gecompenseerd door de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, zodat het hof zal volstaan met voormelde constatering.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezengeachte, voor zover niet opzettelijk begaan, zal het hof geen straf of maatregel opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24a, 47, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13 van de Wet bodembescherming, artikel 10.30 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde - voor zover opzettelijk begaan - en onder 2 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 10.000,00 (tienduizend euro).

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 4 (vier) termijnen van telkens 3 maanden, elke termijn groot EUR 2.500,00.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde, voor zover niet opzettelijk begaan:

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige economische kamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. N.A. Schimmel en mr. D.J.M.W. Paridaens - van der Stoel, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 september 2008.