Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF0135

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
04/3976
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur doet een terugbetaling naar aanleiding van het bezwaarschrift van belanghebbende. Abusievelijk wordt de uitbetaling in euro's in plaats van in guldens gedaan. Met een nieuwe uitnodiging tot betaling tracht de inspecteur het teveel betaalde terug te krijgen. Naar het oordeel van het Douanekamer gaat het i.c. inderdaad om een uitnodiging tot betaling: naar zijn inhoud kan het niet anders worden opgevat dan als een mededeling aan belanghebbende om douanerechten en OB te betalen. De uitnodiging tot betaling is echter vastgesteld na het verstrijken van de driejaarstermijn en dus in strijd met artikel 221, derde lid van het CDW uitgereikt. Reeds om die reden ontbeert de uitnodiging tot betaling wettelijke grondslag en dient zij te worden vernietigd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/3976 DK

de dato 26 augustus 2008

1. De procedure

1.1. Op 6 oktober 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van K. Winters en F. van der Hoogt van Deloitte Belastingadviseurs te Rotterdam, namens X te Y, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam/kantoor Laan op Zuid (hierna: de inspecteur) van 3 september 2004, kenmerk xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de in één geschrift vervatte uitnodigingen tot betaling, gedagtekend 15 maart 2004, kenmerk …., ten bedrage van € 3.369,61 aan douanerechten en € 5.962 aan omzetbelasting, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 273 geheven. Belanghebbende heeft haar beroepschrift nader aangevuld bij brief van 17 november 2004. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Een eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 15 mei 2007, alwaar gezeten waren mrs. Possen, Bijlsma en Boersma. Daar zijn gelijktijdig behandeld de verwante, eveneens door belanghebbende ingestelde beroepen met de nummers 04/919 DK en 04/920 DK.

Ter zitting zijn verschenen K. Winters van Deloitte Belastingadviseurs, namens belanghebbende, alsmede namens de inspecteur mr. W.A.M. Uhlenbroek, tot zijn bijstand vergezeld van mr. J.J. Birkhoff en H.M.E. Koot. Tijdens de zitting hebben partijen een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

De Douanekamer rekent de pleitnota’s tot de gedingstukken.

1.4. Desgevraagd door de Douanekamer heeft de inspecteur op 1 juni 2007 nadere stukken ingediend met een toelichting op de uitgereikte uitnodigingen tot betaling. Belanghebbende heeft bij brief van 11 juli 2007 hierop een reactie toegezonden.

1.5. In verband met de wijziging in de samenstelling van de raadkamer heeft ter zitting van de Douanekamer van 8 januari 2008 een tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen zijn - met bericht - niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, met een nevenvestiging te A, heeft in de periode 1 oktober 1997 tot en met 31 december 1999 diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan in opdracht van B N.V en C N.V. (handelend onder de naam D) Deze aangiften zijn opgemaakt voor weefsels vervaardigd van vlas, ingedeeld in de Gecombineerde Nomenclatuur onder tariefpost 5309 11 10 (meer dan 85 gewichtspercenten vlas). Belanghebbende heeft de aan de douane over te leggen gegevens, zoals facturen en certificaten, ontvangen van haar opdrachtgevers.

2.2. Op 8 maart 2001 heeft belanghebbende de volgende twee uitnodigingen tot betaling ontvangen naar aanleiding van een onderzoek door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) en de Douane:

Een uitnodiging tot betaling met kenmerk ….0070 ten bedrage van € 64.982,10 aan douanerechten en € 121.674,04 aan omzetbelasting.

Een uitnodiging tot betaling met kenmerk …..0071 ten bedrage van € 6.884,44 aan douanerechten en € 12.713,20 aan omzetbelasting.

2.3. Naar aanleiding van de onder 2.2. vermelde uitnodigingen tot betaling heeft belanghebbende bezwaarschriften ingediend.

2.4. Op 8 mei 2003 is belanghebbende in verband met het voornemen tot afwijzen van het bezwaar door de inspecteur gehoord.

2.5. Op 11 februari 2004 is de inspecteur aan de bezwaren van belanghebbende gedeeltelijk tegemoet gekomen. Vastgesteld is dat er een onjuiste berekening van de prijs in US $ heeft plaatsgevonden.

De uitnodigingen tot betaling in het geschrift met nr. … 0070 zijn verminderd met een bedrag van € 7.806,02 aan douanerechten en € 14.186,99 aan omzetbelasting tot een bedrag van € 57.176,08 aan douanerechten en € 107.487,05 aan omzetbelasting.

De uitnodigingen tot betaling in het geschrift met nr. … 0071 zijn verminderd met een bedrag van € 6.170,80 aan douanerechten en € 11.098,10 aan omzetbelasting tot een bedrag van € 713,64 aan douanerechten en € 1.615,10 aan omzetbelasting.

2.6. De inspecteur heeft geconstateerd dat de in de uitspraak op bezwaar van 11 februari 2004 vermelde bedragen ten aanzien van het laatstgenoemde geschrift abusievelijk niet in guldens maar in euro’s zijn vermeld en derhalve in euro’s zijn uitbetaald. In plaats van een bedrag van ƒ 6.170,80 (€ 2.800,19) is € 6.170,80 aan douanerechten terugbetaald, en in plaats van een bedrag van ƒ 11.098,10 (€ 5.036,10) aan omzetbelasting is een bedrag van € 11.098,10 terugbetaald.

2.7. Naar aanleiding van de onder 2.6. vermelde constatering heeft de inspecteur op 15 maart 2004 de onder 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling uitgereikt, teneinde terugbetaling van het teveel betaalde te bewerkstelligen.

De tekst van de uitnodigingen tot betaling luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…) Uitnodiging tot betaling

A00 Douanerechten bij invoer € 3369,61

B00 Omzetbelasting € 5962,00

Totaal € 9331,61

Er is per abuis ten behoeve van een bezwaarschrift met het kenmerk …143 teruggaaf verleend voor een bedrag aan Douanerechten bij invoer van € 6170,80 in plaats van € 2800,19 en Omzetbelasting €11098,10 in plaats van € 5036,10

De teruggaaf van € 6170,80 en € 11098,10 heeft door de Belastingdienst/Centrale Beheereenheid Douane te Apeldoorn reeds plaatsgevonden onder beschikkingsnummer …. 0229.(…)”.

2.8. Belanghebbende heeft hiertegen op 21 april 2004 bezwaar aangetekend.

2.9. Bij brief van 3 september 2004 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Beoordeling van het bezwaar

U bent van mening dat een uitnodiging tot betaling op grond van artikel 242 CDW alleen mogelijk is indien u een verzoek tot terugbetaling heeft gedaan overeenkomstig de artikelen 236 t/m 239 CDW. Nu dit niet het geval is, bent u van mening dat artikel 242 niet de juiste rechtsgrond is voor de uitnodiging tot betaling.

Naar mijn mening ziet artikel 242 CDW op alle gevallen waarbij ten onrechte een douaneschuld is terugbetaald dan wel is kwijtgescholden. In dit geval is naar aanleiding van uw bezwaar besloten om een gedeelte van de schuld terug te betalen. Er is vastgesteld dat door een omwisselingfout van guldens naar euro’s er te veel is terugbetaald en is besloten dat dit teveel betaalde bedrag opnieuw opeisbaar is geworden.

U bent van mening dat de in het geding zijnde UTB niet juist is gemotiveerd.

Ik ben het met u eens dat de UTB niet naar behoren is gemotiveerd. In mijn brief van 10 juni 2004 heb ik gemotiveerd waarom ik van mening was dat er teveel is terugbetaald. Nu in bezwaar voldoende is gemotiveerd waarom ik de in het geding zijnde UTB heb verzonden heb ik voldaan aan mijn motivatieplicht.

U bent van mening dat nu er bij vergissing te veel terugbetaald is de douane hier niet meer op kan terugkomen.

Nu de omrekeningsfout van guldens naar euro’s zo evident is, had u dit kunnen ontdekken en ben ik van mening dat ik hier wel op kan terugkomen.

Deze beschikking is gegeven op grond van de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 22j en 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

U heeft in een telefonisch contact op 31 augustus j.l. aan mij meegedeeld dat u van het recht om gehoord te worden geen gebruik maakt.

Beslissing op het bezwaar

Ik wijs uw bezwaar af.

(…)”.

2.10. Een passage uit het verweerschrift van de inspecteur van 24 november 2004, inzake de zaken met nummers 04/919 DK en 04/920 DK, luidt als volgt:

“(…)

5.5.2. wettelijke termijn

(…)

Echter in dit specifieke geval ben ik met belanghebbende van mening dat er geen wettelijke grondslag is om de navorderingstermijn te verlengen tot vijf jaar. Uit het fiod-onderzoek is niet onweerlegbaar naar voren gekomen dat belanghebbende voorafgaand aan de datum waarop er met correctielint op de facturen is gewerkt (te weten mei 1999), wist of had kunnen weten dat de door de importeur aangeleverde facturen niet volledig waren. Dientengevolge zal de navorderingstermijn overeenkomstig artikel 221, lid 3, CDW beperkt worden tot drie jaar.

5.5.2.1. navorderingstermijn utb ….0070

Gezien het vorenstaande wordt de navorderingstermijn inzake deze utb beperkt tot drie jaar. Dit houdt in dat ik zal overgaan tot ambtshalve terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting voor die aangiften ten invoer, welke ten onrechte in de utb zijn meegenomen. Dit bedrag is € 68.145,36 (noot inspecteur: Het terug te betalen bedrag van totaal

€ 68.145,36 bestaat voor € 24.824,05 aan douanerecht en € 43.321,31 aan omzetbelasting.(…)”.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of de in geding zijnde onder 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling een wettelijke basis ontberen. Tevens is in geschil de vraag of de uitnodigingen tot betaling zijn opgelegd ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten die belanghebbende redelijkerwijze niet heeft kunnen ontdekken. Het antwoord op deze vragen wordt door de inspecteur ontkennend en door belanghebbende bevestigend beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De wettelijke basis voor het opleggen van de uitnodigingen tot betaling ontbreekt. De douane kan de douaneschuld niet opeisen op grond van artikel 242 van het CDW, nu dit artikel ziet op het opeisen van ten onrechte terugbetaalde of kwijtgescholden douanerechten na een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding overeenkomstig de artikelen 235 t/m 239 van het CDW.

4.2. De uitnodigingen tot betaling zijn gebaseerd op een vergissing van de douaneautoriteiten die belanghebbende redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken. Er wordt een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Belanghebbende was van mening dat de uitnodigingen tot betaling zouden worden verminderd tot nihil.

4.3. De douaneautoriteiten mochten op grond van de wettelijke bepalingen niet overgaan tot boeking van de douaneschuld. Ambtshalve betaalde bedragen mogen niet worden nageheven. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002, nr. 36133 en naar de parlementaire behandeling van de AWR.

4.4. De uitspraak op bezwaar en de uitnodigingen tot betaling dienen te worden vernietigd.

4.5. De onderhavige douaneschuld maakt deel uit van de verwante zaken met nrs. 04/919 DK en DK 04/920 DK. De in die zaken gegeven argumenten zijn ook hier van toepassing. Verzocht wordt om een gelijktijdige behandeling van de onderhavige zaak met vermelde zaken.

4.6. Verzocht wordt de inspecteur op basis van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten.

Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Artikel 242 van het CDW is niet de juiste rechtsgrond. Er moest een boeking plaatsvinden. Dit is de tweede en in dat geval zou artikel 220 van het CDW van toepassing zijn, ondanks het bestaan van artikel 242. Dit laatste artikel biedt geen steun voor de mededeling of boeking.

Belanghebbende heeft drie maal een terugbetaling gehad van de douane. De bedragen veranderden steeds, het valt hem niet te verwijten dat hij niet heeft gezien dat de terugbetaling in euro’s te hoog was.

De vijfjaarstermijn speelt in casu geen rol.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De uitgereikte uitnodigingen tot betaling zijn geen uitnodigingen tot betaling in de zin van artikel 221 van het CDW en artikel 22a AWR. Het gaat om een mededeling aan belanghebbende dat ten onrechte een douaneschuld is terugbetaald of kwijtgescholden en dat deze opnieuw opeisbaar is geworden. Nu het niet om een boeking achteraf gaat kan ook geen toepassing van artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW volgen.

5.2. Er is sprake van een omrekeningsfout, een blote vergissing. Het terug te betalen bedrag is in plaats van in guldens in euro’s teruggegeven. Dit had belanghebbende eenvoudig kunnen onderkennen. In de bezwaarfase is nog duidelijker gemotiveerd welke fout door de douane was gemaakt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.

5.3. Het communautaire recht biedt alleen artikel 242 van het CDW om een douaneschuld die onterecht is terugbetaald of kwijtgescholden, opnieuw op te eisen. Genoemd artikel is opgenomen in Hoofdstuk 5 van het CDW. Hieruit blijkt dat alleen rechten bij invoer kunnen worden terugbetaald op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk. Een andere veronderstelling zou leiden tot de conclusie dat louter de civielrechtelijke weg openstaat om rechten terug te vorderen. Dit lijkt zeer onwaarschijnlijk.

5.4. De stelling van belanghebbende dat zij uit de uitspraak op bezwaar met kenmerk …143 had opgemaakt dat de volledige uitnodigingen tot betaling ten onrechte waren opgelegd, is onbegrijpelijk nu in deze uitspraak niet het gehele bedrag is terugbetaald.

5.5. Er is geen sprake van een ambtshalve terugbetaling, maar van terugbetaling of kwijtschelding naar aanleiding van een bezwaarschrift. Het door belanghebbende vermelde arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002, nr. 36133, is niet van toepassing nu dit arrest betrekking heeft op een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

5.6. Verzocht wordt om een gelijktijdige behandeling van de onderhavige zaak met de zaken met nrs. 04/919 DK en 04/920 DK.

5.7. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de inspecteur hieraan, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW is niet van toepassing. Artikel 242 van het CDW is de rechtsgrond om het onterecht betaalde terug te eisen. In de bezwaarfase is abusievelijk een terugbetaling gedaan in euro’s in plaats van in guldens.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het standpunt van de inspecteur dat het sub 1.1. vermelde geschrift geen uitnodiging tot betaling zou zijn, wordt verworpen. Het geschrift draagt de titel “uitnodiging tot betaling” en kan ook naar zijn inhoud niet anders worden opgevat dan als een mededeling aan belanghebbende om douanerechten en omzetbelasting te betalen.

6.2. Artikel 221 van het CDW handelt over de mededeling van het bedrag van de rechten aan de douaneschuldenaar, welke mededeling volgens het derde lid van deze bepaling moet geschieden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.

Verlenging van deze termijn ingevolge het vierde lid van de bepaling is in casu niet aan de orde, zoals de inspecteur heeft aangegeven in de verweerschriften van de zaken met de nrs. 04/919 DK en 04/920 DK (zie sub 2.10. hiervoor), waarmee deze zaak gevoegd is behandeld.

6.3. Ingevolge artikel 201, tweede lid, van het CDW geldt de dag waarop de aangifte is aanvaard als de dag van het ontstaan van de schuld.

6.4. Ingevolge artikel 22a van de Algemene wet rijksbelastingen geschiedt de mededeling ex artikel 221 van het CDW door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling.

6.5. Gelet op de sub 2.1. vermelde aangifteperiode zijn de uitnodigingen tot betaling van 15 maart 2004 in ieder geval vastgesteld na het verstrijken van de hierbedoelde driejaarstermijn, en dus in strijd met artikel 221, derde lid, van het CDW, uitgereikt.

De uitnodigingen tot betaling ontberen reeds om die reden wettelijke grondslag en moeten derhalve worden vernietigd. De verdere standpunten van partijen behoeven als gevolg hiervan geen behandeling.

7. Proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig om de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2,5 (beroepschrift, verschijnen ter zitting, schriftelijke inlichtingen) x 1 (gewicht) x € 322 (waarde per punt) = € 805.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de sub 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 805, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 26 augustus 2008 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. A. Bijlsma en M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.