Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF0106

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
04/920
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat de inspecteur de douanewaarde niet op de juiste wijze heeft vastgesteld. Belanghebbendes beroep wordt verworpen. Naar het oordeel van de Douanekamer zijn de door de inspecteur opgestelde gespecificeerde berekeningen toereikend. Daarnaast vloeit de aansprakelijkheid van belanghebbende- vanwege haar positie als aangever- voort uit het bepaalde in artikel 201, derde lid van het CDW. Geen sprake van schending van artikel 221, derde lid van het CDW. Aan de in dit artikel gestelde driejaarstermijn is voldaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/920 DK

de dato 26 augustus 2008

1. De procedure

1.1. Op 15 maart 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van R.F.R. Hoekstra en F. van der Hoogt van Deloitte Belastingadviseurs te Rotterdam, namens X te Y, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P (hierna: de inspecteur) van 11 februari 2004, kenmerk xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de in één geschrift vervatte uitnodigingen tot betaling, gedagtekend 8 maart 2001, kenmerk ….0071, ten bedrage van € 6.884,44 aan douanerechten en

€ 12.713,20 aan omzetbelasting, gedeeltelijk werd afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft haar beroepschrift nader aangevuld bij brief van 5 juli 2004. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Een eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 15 mei 2007, alwaar gezeten waren mrs. Possen, Bijlsma en Boersma. Daar zijn gelijktijdig behandeld de verwante, eveneens door belanghebbende ingestelde beroepen met de nummers 04/919 DK en 04/3976 DK.

Ter zitting zijn verschenen K. Winters van Deloitte Belastingadviseurs, namens belanghebbende, alsmede namens de inspecteur mr. J.J. Birkhoff, tot zijn bijstand vergezeld van mr. W.A.M. Uhlenbroek en H.M.E. Koot. Tijdens de zitting hebben partijen een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

De Douanekamer rekent de pleitnota’s tot de gedingstukken.

1.4. Desgevraagd door de Douanekamer heeft de inspecteur op 1 juni 2007 nadere stukken ingediend met een toelichting op de uitgereikte uitnodigingen tot betaling. Belanghebbende heeft bij brief van 11 juli 2007 hierop een reactie toegezonden.

1.5. In verband met de wijziging in de samenstelling van de raadkamer heeft ter zitting van de Douanekamer van 8 januari 2008 een tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen zijn - met bericht - niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, met een nevenvestiging te A, heeft in de periode 1 oktober 1997 tot en met 31 december 1999 diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan in opdracht van B N.V en C N.V. (handelend onder de naam D) Deze aangiften zijn opgemaakt voor weefsels vervaardigd van vlas, ingedeeld in de Gecombineerde Nomenclatuur onder tariefpost 5309 11 10 (meer dan 85 gewichtspercenten vlas). Belanghebbende heeft de aan de douane over te leggen gegevens, zoals facturen en certificaten, ontvangen van haar opdrachtgevers.

2.2. Bij de verificatie van een aangifte ten invoer heeft de douane vastgesteld dat de apart op de facturen vermelde ‘raw material cost’ bij de aangifte niet in de aangegeven douanewaarde was opgenomen.

2.3. Begin 2000 heeft de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) een onderzoek ingesteld naar belanghebbende en haar opdrachtgever.

Het overzichtsproces-verbaal van de opsporingsambtenaar E, gedateerd 24 april 2001, dossiernummer 0015669, luidt, voorzover van belang:

"(..)

7. Strafbare feiten en bewijsmiddelen

7.1. Strafbaar feit 1: Het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van ingevolge de wettelijke bepalingen vereiste aangiften waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig rechten bij invoer zouden kunnen worden geheven of waarbij het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven.

Namelijk het opzettelijk vermelden van een onjuiste douanewaarde op aangiften ten invoer. Hierdoor zijn te weinig invoerrechten en omzetbelasting aan de Belastingdienst afgedragen. De onjuiste douanewaarde is aannemelijk gemaakt door het bij de Douane overleggen van facturen of kopiefacturen die zijn vervalst of valselijk zijn opgemaakt dan wel niet overeenstemmen met de werkelijke facturen.

Dit is strafbaar gesteld bij artikel 48 van de Douanewet. Een en ander met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 47,48 en 51f van het Wetboek van Strafrecht.

7.1.1. ONDERZOEK BIJ DE BELASTINGDIENST

(...)

Ambtenaren van de Douanepost P hebben enkele facturen waaronder de facturen 9915/03 en 9915/05, onderworpen aan een falsificatie-onderzoek en hun bevindingen in een proces-verbaal vastgelegd. Bij dit onderzoek is ten aanzien van de factuur 9915/03 waarop correctielint is aangebracht, vastgesteld dat met doorschijnlicht de RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE wederom zichtbaar werden. Ten aanzien van de twee verschillende facturen 9915/05, die eerst met en daarna zonder RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE bij de douane werd overgelegd, werd vastgesteld dat het hoogstwaarschijnlijk dezelfde facturen betreft, met uitzondering van de vermeldingen RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE.

Van de 65 stuks aangiften ten invoer van linnen die door x in de onderzoeksperiode namens B zijn gedaan zijn 41 stuks aangiften als onjuist aangemerkt en gecorrigeerd waarvoor door ambtenaren van het Douanedistrict Rotterdam Uitnodigingen tot betaling aan enkele verdachten zijn gezonden.

(...)

7.1.2. ONDERZOEK NAAR EN BIJ X

(...)

De dossiers van X hebben betrekking op de invoer van linnen in Nederland en werkzaamheden die hiermee verband houden zoals transport en opslag. De dossiers bevatten voornamelijk facturen van X gericht aan B voor verrichte werkzaamheden. (...) In de dossiers zijn slechts sporadisch kopieën van facturen aanwezig die betrekking hebben op de aankoop of het maakloon van linnen.

De dossiers van X1 bevatten elk een opdracht tot inklaring met aangiftegegevens welke per fax van X is ontvangen. Hieruit kan worden opgemaakt dat X specifieke opdrachten heeft gegeven aan X1 om het linnen langs elektronische weg ten invoer aan te geven. In de meeste gevallen bevatten de dossiers een kopiefactuur van de leverancier van het linnen welke factuur vermoedelijk tegelijkertijd met de opdracht tot inklaring per fax van X is ontvangen.(...)

Het valt op dat X bij twee verschillende aangiften ten invoer, twee verschillende facturen genummerd 9915/05 bij de douane heeft overgelegd terwijl in de dossiers van X1 twee facturen 9915/05 zijn aangetroffen, per fax ontvangen van X, die wel met elkaar overeenstemmen.

(...).

7.1.5. VERHOREN

(…)

De aangiften ten invoer

F van X verklaarde in zijn eerste verhoor hierover onder meer:

(…)

-op de vraag of hij alle verstrekte bescheiden en informatie heeft gecontroleerd op de juistheid hiervan om de invoeraangiften te kunnen doen

"Globaal bekeken wij wel de bescheiden die aan ons door B ter beschikking werden gesteld. Op een gegeven moment stonden er op de factuur raw material costs vermeld. De klant heeft hier geen aparte opdrachten of instructies over gegeven en wij wisten niet precies wat we ermee moesten doen. Wij werden ergens in 1999 door de douane op de post P benaderd omtrent de op de factuur vermelde raw material costs. De douane heeft toen bij ons contracten opgevraagd die wij weer van G (inkoper van linnen uit H-I): toevoeging DK) hebben gekregen (…)”.

7.2. Strafbaar feit 2 (blz. 93 dossier): Het valselijk opmaken of vervalsen van geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Namelijk het aanpassen van facturen en/of kopiefacturen die bij de douane worden overgelegd als bescheid dienende bij en onderdeel uitmaken van de aangiften ten invoer. Door het overleggen van valselijk opgemaakt of vervalste facturen en/of kopiefacturen hiervan is de onjuiste douanewaarde aannemelijk gemaakt die is aangegeven in de aangiften ten invoer.

Dit is strafbaar gesteld bij artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Een en ander met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 47,48 en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

7.2.1. ONDERZOEK BIJ DE BELASTINGDIENST

Gebruik factuur 9915/03 waarop correctielint is aangebracht.

Bij het onderzoek van de (kopie)facturen die bij de aangiften ten invoer bij de douane zijn ingeleverd, is vastgesteld dat omstreeks 05 mei 1999 door X bij de douane een kopiefactuur genummerd 9915/03 is overgelegd. Op deze kopiefactuur is over de vermeldingen van de RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE zichtbaar en voelbaar correctielint aangebracht. Vermoedelijk heeft de persoon die dit correctielint op de factuur heeft aangebracht vergeten om een fotokopie van dit exemplaar te maken omdat een dergelijke manipulatie bij de douane snel opvalt. Na het maken van een fotokopie van deze factuur is de manipulatie niet meer te zien zoals blijkt uit D/296 hetgeen een fotokopie van de factuur met het aangebrachte correctielint D/295 is.

In de administratie van B is de originele factuur 9915/03 met daarop paarse en zwarte stempels van J aangetroffen. Op deze originele factuur zijn de vermeldingen omtrent RAW MATERIAL CÖST en CUSTOMS PRICE duidelijk te lezen.

7.2.2. ONDERZOEK NAAR EN BIJ X

Gebruik factuur 9915/03 waarop correctielint is aangebracht

De factuur genummerd 9915/03 is op één plaats in de administratie van X aangetroffen maar niet in de administratie van X1. Op deze factuur staan geen aparte vermeldingen omtrent RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE vermeld.

Gebruik van verschillende facturen genummerd 9915/05

De factuur genummerd 9915/05 is op twee plaatsen in de administratie van x aangetroffen en ook op twee plaatsen in de administratie van X1.

In één dossier van X dat betrekking heeft op de aangifte ten invoer in juli 1999 is de factuur genummerd 9915/05 aangetroffen waarop aparte vermeldingen omtrent RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE staan vermeld. Deze factuur komt overeen met de factuur die in juli 1999 bij de douane is overgelegd waarop eveneens deze aparte vermeldingen voorkomen.

In een ander dossier van x is de factuur genummerd 9915/05 ook aangetroffen waarop echter geen aparte vermeldingen omtrent RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE staan vermeld. Deze factuur komt niet overeen met de factuur die in juli 1999 bij de douane is overgelegd waarop deze aparte vermeldingen wel voorkomen.

In twee dossiers van X1 genummerd 9907.402692 (aangifte juli 1999) en 9908.40.3067 (aangifte augustus 1999) zijn onder andere inklaringsinstructies en de twee facturen genummerd 9915/05 aanwezig die per fax door X zijn verzonden naar Xl. Op beide facturen genummerd 9915/05 staan wél materiaalkosten vermeld waaruit kan worden opgemaakt dat deze facturen in de inklaringsinstructies richting X1 gelijkluidend en inclusief de vermelding RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE zijn geweest.

Opmerkelijk hierbij is de verstrekking door X aan de douane in augustus 1999 van een factuur 9915/05 zonder de vermelding RAW MATERIAL COST en CUSTOMS PRICE waaruit kan worden opgemaakt dat er vermoedelijk op het kantoor van X iets met deze factuur gebeurd is. “

(…)”.

2.3.1. Het proces-verbaal van verhoor van een medewerker van belanghebbende, met Pvcode V.02/01, dossiernummer 0015669, luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…)

Noot verbalisanten:

Achter de aangiften zit een factuur van de verkoper Jl in H-I genummerd 9915/03 en gedateerd 08-04-1999 waarop duidelijk te zien is dat er onder in de factuur met correctielint wijzigingen zijn aangebracht, althans letters en cijfers getracht onzichtbaar te maken.

Vraag verbalisant:

Van wie heeft u deze factuur ontvangen, op welke wijze heeft u deze ontvangen en welke handelingen heeft u met deze factuur gepleegd voordat de factuur bij de douane werd ingediend als bescheid dienende bij de aangifte ten invoer?

Antwoord gehoorde:

“Volgens mij is deze factuur per fax ontvangen van K. Ik kan mij niet voorstellen dat ik hierop correctielint heb aangebracht want dat zou ik nooit doen. De waarde voor deze linnensoort van 1,68 dollar is denk ik wel de juiste maar ik vermoed dat de ruwe materiaalkosten ten onrechte niet in de douanewaarde zijn begrepen waardoor de aangifte ten invoer onjuist is geweest. Aangezien de factuur per fax van B is ontvangen dan moet dit wel op ons kantoor in Y gebeurd zijn. Ik weet niet wie dit heeft gedaan. Ik kan mij ook niet herinneren of iemand mij heeft gevraagd om deze factuur op deze wijze te manipuleren. Wij hebben deze factuur ongetwijfeld zo bij de douane ingediend maar wij zouden deze knullige vervalsing nooit bewust zo indienen”.

(…)”.

2.4. Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd en heeft uiteindelijk een transactievoorstel geaccepteerd bij de rechtbank te Rotterdam.

2.5. De tekst van de sub 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling luidt als volgt:

“Geachte heer/mevrouw,

Hierbij doe ik u een uitnodiging tot betaling toekomen ingevolge artikel 201, lid 3, alsmede artikel 220, lid 1 en 221, lid 1 en lid 4 van Verordening (EEG) 2913/92 en artikel 22 E lid 1 en 2 Algemene Wet Rijksbelastingen.

Reden

Door u zijn in opdracht van C N.V en B N.V., handelend onder de naam D, aangiften ten invoer tot verbruik gedaan voor linnen afkomstig van diverse bedrijven in I en H-I.

Uit het onderzoek naar de douanewaarde van deze aangiften is gebleken dat deze niet op de juiste wijze is aangegeven. De douanewaarde moet op grond van artikel 29 lid 1 Verordening (EEG) nr. 2913/92 (hierna CDW) worden gebaseerd op de transactiewaarde, zijnde de werkelijk betaalde of te betalen prijs, in voorkomende gevallen vermeerderd met de in artikel 32 CDW genoemde elementen. Dit is onder meer het geval indien deze elementen een voorwaarde voor verkoop vormen en als deze zien op de ingevoerde goederen. In de praktijk wordt de transactiewaarde gebaseerd op de factuur welke bij de aangifte ten invoer is overgelegd. Indien de douanewaarde niet kan worden vastgesteld op basis van artikel 29 CDW, dient de waarde te worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 30 en 31 CDW, waarbij de in deze artikelen genoemde volgorde van methoden dwingend is voorgeschreven.

Uit bij de FIOD aanwezige bescheiden is gebleken dat er een maakloonovereenkomst bestaat tussen afnemer en verkoper van de goederen. Ingevolge commentaar 2 van het Comité Douanewetboek, afdeling douanewaarde, van de Europese Gemeenschap is bij een dergelijke overeenkomst de transactiewaarde de vergoeding die het bedrijf in (H) I ontvangt voor het ververvaardigen van het gereed product. Volgens hetzelfde commentaar dient de douanewaarde te worden verhoogd met de waarde van de materialen welke door D gratis ter beschikking zijn gesteld. Uit de onderzochte administratieve bescheiden blijkt dat de facturen die overgelegd zijn ten behoeve van het aangeven van de douanewaarde, niet overeenstemmen met de in de financiële administratie aanwezige bescheiden. Uit deze administratie blijkt dat de douanewaarde hoger is dan de waarde die is aangegeven bij de aangiften ten invoer. Gebleken is dat de prijs van de toegeleverde materialen niet in de douanewaarde is begrepen en/of dat een hoger bedrag is betaald aan de verkoper, dan het bedrag dat op de factuur welke bij de aangifte ten invoer was gevoegd, is vermeld. Op basis van de financiële administratie kon van enkele zendingen de werkelijke douanewaarde per artikel per strekkende meter stof van 1,5 meter breed worden vastgesteld.

Omdat niet voor alle ingevoerde partijen de transactiewaarde kon worden bepaald, dient de douanewaarde van de overige partijen te worden bepaald op basis van artikel 30 CDW volgens de methode identieke of soortelijke goederen. Dat de goederen identiek of soortgelijk zijn blijkt uit het gebruikte artikelnummer.

In sommige gevallen is geconstateerd dat ten onrechte het preferentietarief is gebruikt.

Als gevolg van bovenstaande zijn er te weinig douanerechten afgedragen voor een bedrag van ƒ 15.171,30 (€ 6.884,44). Dit bedrag wordt verhoogd met de daarvoor verschuldigde omzetbelasting bij invoer voor een bedrag van ƒ 28.016,20 (€ 12.713,20). Voor een berekening van deze bedragen verwijs ik u naar de bijlage.

(…)”.

2.6. Naar aanleiding van de onderhavige uitnodiging tot betaling heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.

2.7. Op 8 mei 2003 is belanghebbende in verband met het voornemen tot afwijzen van het bezwaar door de inspecteur gehoord.

2.8. Op 11 februari 2004 is het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk afgewezen. De tekst van de uitspraak op bezwaar luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…)

“Beoordeling van het bezwaar

(…)”

Hieronder zal ik de onderdelen van het bezwaar puntsgewijs beoordelen voor de onderstaande 2 aangiften, waarbij ik punt 1 en 2 samen behandel.

. ….1601

. ….9401

1. Uitnodiging tot betaling is onvoldoende gemotiveerd

2. Voor wat betreft de douanewaarde is er geen bewijslast ter zake onjuistheid van de aangifte

De UTB is voldoende gemotiveerd. Ook is er voldoende bewijslast bevonden ter zake van de onjuistheid van de aangifte.

Aan de hand van de douanewaarde moet op grond van artikel 29 Verordening (EEG) nr. 2913/92 (verder: CDW) worden gebaseerd op de transactiewaarde, zijnde de werkelijk betaalde of te betalen prijs, in voorkomende gevallen vermeerderd met de in artikel 32 genoemde elementen. Uit de administratie van b N.V. is gebleken dat de douanewaarde hoger is dan de waarde die is aangegeven bij de aangifte ten invoer. De aangiftes die met artikel 29 CDW (werkelijk betaalde of te betalen prijs) zijn vastgesteld, in voorkomende gevallen vermeerderd met de in artikel 32 CDW genoemde elementen.

Op grond van artikel 32 CDW maken de gratis geleverde materialen deel uit van de aan te geven douanewaarde. De UTB meldt dat ingevolge commentaar 2 van het Comité Douanewetboek, afdeling douanewaarde, van de Europese Gemeenschap bij een maakloonovereenkomst de transactiewaarde de vergoeding is die het bedrijf in (H)-I ontvangt voor het vervaardigen van het gereed product. Volgens hetzelfde commentaar dient de douanewaarde te worden verhoogd met de waarde van de materialen welke door B N.V.. gratis ter beschikking zijn gesteld. Hierdoor wordt, voor het berekenen van de douanewaarde, de unitprice zoals deze in de financiële administratie aanwezige bescheiden is vermeld, verhoogd met de waarde van de materialen die gratis ter beschikking zijn gesteld. De waarde van de materialen is ook terug te vinden op de, in de administratie aanwezige bescheiden. De unitprice is in de bijlage van de desbetreffende UTB vermeld.

Conclusie punt 1 en 2

Gezien het hierboven vermelde is naar mijn mening de UTB terecht opgelegd, ook is in de UTB de bewijslast ter zake onjuistheid van de aangiftes vermeld in de UTB.

De unitprice van de desbetreffende aangiftes, die in de bijlage van de UTB is genoemd, zijn echter te hoog vastgesteld. In de bijlage bij deze beschikking op uw bezwaar is de aangifte met de juist berekende unitprice vermeld. De unitprice is opgebouwd uit de in de administratie aanwezige bescheiden met unitprices in voorkomende gevallen vermeerderd met de waarde van de gratis ter beschikking gestelde materialen.

Door een onjuiste berekening van de ‘prijs in $’van de onderstaande 5 aangiften van de UTB is er, voor de betreffende aangiften, ten onrechte een navordering opgelegd. Voor de hieronderstaande aangiftes zal de UTB dan ook verminderd worden.

. ….8001

. ….0401

. ….0402

. ….2201

. ….5801

3. Uitnodiging tot betaling is te laat opgelegd

In uw bezwaarschrift meldt u dat de mededeling aan de schuldenaar in ieder geval moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. De UTB is op 8 maart 2001 aan u opgelegd. Daar de douaneschuld van de betreffende aangiftes in 1999 is ontstaan, is de mededeling aan de schuldenaar binnen 3 jaar gedaan.

Conclusie punt 3

De mededeling UTB aan de schuldenaar is niet te laat opgelegd.

Eindconclusie

Gelet op het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat de UTB voor de aangiftes met de kenmerken ….1601 en ….9401 terecht is opgelegd. Voor 5 aangiften is er ten onrechte een navordering opgelegd door de onjuiste berekening van de unitprices.

U heeft op 8 mei 2003 van uw recht om gehoord te worden gebruik gemaakt. In dit onderhoud heeft u uw standpunten herhaald.

Beslissing op uw bezwaar

Ik wijs uw bezwaar gedeeltelijk toe.

Het volgende bedrag zal aan u worden terugbetaald dan wel kwijtgescholden:

61 Rechten bij invoer EUR 6170,80

23 Omzetbelasting EUR 11098,10

(…)”.

2.9. De onder 1.4. vermelde toelichting van de inspecteur bevat gespecificeerde tabellen met onder meer een overzicht, per aangifte, van het factuurnummer, artikelnummer, de wisselkoers, de vrachtkosten en het aantal strekkende meters van de aangegeven stof . Daarnaast heeft hij het artikel waarmee de nieuwe douanewaarde is vastgesteld, artikel 29 van het CDW, of artikel 32 van het CDW, opgenomen. Vermelding is gemaakt van de facturen, invoeraangiften en overige gegevens die niet in de administratie van de importeur zijn aangetroffen. Tevens zijn daarbij opgenomen de factuur die is overgelegd bij de aangifte ten invoer en de factuur zoals die is aangetroffen in de administratie van de importeur en de te betalen prijs in het inkoopboek. Deze facturen komen niet met elkaar overeen. De douanewaarde, bevonden in de administratie, is hoger dan de waarde die is aangegeven bij de aangiften ten invoer.

2.10. De tekst van de onder 1.4. genoemde brief van belanghebbende van

11 juli 2007 luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…) Naar aanleiding van uw brief van 27 juni 2007, informeren wij u namens belanghebbende als volgt.

Ten aanzien van de door de inspecteur nader ingezonden stukken wil belanghebbende opmerken dat een aantal kopieën uit een deel van de bedrijfsadministratie geen volledig beeld geeft.

Verder handhaaft belanghebbende hetgeen reeds in de beroepstukken is verwoord.

(…)”.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of de bovenvermelde uitnodigingen tot betaling terecht zijn opgelegd. Het antwoord op deze vraag wordt door de inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De uitnodigingen tot betaling zijn ten onrechte uitgereikt voor diverse aangiften die zijn gedaan buiten de driejaarstermijn van artikel 221, derde lid, van het CDW.

4.2. Er ontbreekt een wettelijke basis voor de vaststelling van de douanewaarde. De douane had de douanewaarde op grond van artikel 29 van het CDW moeten vaststellen en niet op basis van artikel 30 van het CDW, de methode van identieke goederen.

4.3. De ingevoerde goederen zijn natuurprodukten en kunnen derhalve nooit identiek aan elkaar zijn. Er is een verschil in soort, dikte en kwaliteit

4.4. De uitspraken op het bezwaar dienen te worden vernietigd.

4.5. Belanghebbende heeft te goeder trouw de facturen van haar opdrachtgever gebruikt voor de bepaling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen. Zij had geen mogelijkheid de juistheid van de facturen op enige wijze te controleren. Belanghebbende had geen reden te twijfelen aan de factuurwaarde.

4.6. De inspecteur dient te worden veroordeeld in de gemaakte kosten.

4.7. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft belanghebbende hieraan nog het volgende toegevoegd:

- In deze zaak is nog in geding een bedrag van € 2.328,74.

- Het is onduidelijk hoe de inspecteur tot de bedragen op de uitnodigingen tot betaling is gekomen. Het is een tamelijk globaal geheel. De inspecteur heeft een totaal aantal betalingen gevonden en deze toegerekend aan alle aangiften.

- De opdrachtgever van belanghebbende bestaat niet meer, zij is als aangever uiteindelijk aansprakelijk.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Artikel 201, derde lid, van het CDW wijst de aangever, belanghebbende,

aan als schuldenaar. Ook overigens had belanghebbende in haar functie van douane-expediteur informatie kunnen inwinnen bij de importeur over de vermeldingen op de facturen.

Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat belanghebbende de juistheid van de verstrekte informatie niet heeft gecontroleerd.

5.2. Er is geen sprake van goede trouw bij de importeur, dit blijkt o.a. uit

het proces-verbaal van verhoor van de FIOD. Verwezen wordt hiervoor naar de factuur met nummer 9915/03, gedateerd 8 april 1999. Hierop zijn met correctielint wijzigingen aangebracht. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat deze ‘correctie’ op het kantoor van belanghebbende te Y heeft plaatsgevonden.

5.3.Uit het FIOD-onderzoek is naar voren gekomen dat er verschillen bestaan tussen de facturen uit de administratie van D en de (kopie)facturen die bij de aangiften ten invoer door belanghebbende bij de douane zijn overgelegd.

5.4. De douanewaarde is met uitzondering van drie aangiften steeds vastgesteld met toepassing van artikel 29 van het CDW. Slechts in de drie gevallen waarin geen bescheiden waren overgelegd waaruit de transactiewaarde op grond van dit artikel kon worden bepaald is de douanewaarde bepaald met de methode van artikel 30 van het CDW, de methode van identieke of soortgelijke goederen. Belanghebbende stelt slechts in het algemeen dat er een kwaliteitsverschil kan zijn in het linnen, maar onderbouwt haar stellingen niet. De douanewaarde is op de juiste wijze vastgesteld.

5.5. Er is geen wettelijke grondslag om de navorderingstermijn te verlengen tot vijf jaar. Niet staat vast dat belanghebbende, vóór de datum waarop er met correctielint op aangeleverde facturen is gewerkt, wist of had kunnen weten dat de door de importeur aangeleverde facturen niet volledig waren. De navorderingstermijn is derhalve beperkt tot drie jaar.

5.6. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft de inspecteur hieraan nog het volgende toegevoegd:

- In deze zaak is nog in geding een bedrag van € 2.328,74.

- In de bijlage bij de uitnodigingen tot betaling is een toelichting opgenomen met de oude en nieuw berekende douanewaarde. In de uitspraak op bezwaar is aangegeven welke aangiften met toepassing van artikel 29 van het CDW en welke aangiften met toepassing van artikel 32 van het CDW zijn vastgesteld. Zij zijn gerubriceerd per aangifte, per goederensoort en per strekkende meter.

- Een lijst met een uitgebreidere toelichting op de totstandkoming van de uitnodigingen tot betaling zal de Douanekamer en belanghebbende worden toegezonden.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van artikel 29 van het CDW is de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht.

Indien de douanewaarde niet met toepassing van artikel 29 kan worden vastgesteld dient op grond van artikel 30 achtereenvolgens te worden nagegaan welke van de punten a), b), c) en d) van het tweede lid van toepassing is.

6.2. De inspecteur heeft tegenover de betwisting door belanghebbende gesteld de douanewaarde voor het overgrote deel van de aangiften te hebben vastgesteld met toepassing van artikel 29 van het CDW, dat wil zeggen volgens de methode van waardebepaling op basis van de transactiewaarde van de goederen. Slechts bij twee aangiften ten invoer was het niet mogelijk om de douanewaarde te bepalen met toepassing van artikel 29 van het CDW. In die gevallen kon er geen informatie uit de administratie van de importeur worden overgelegd. In die situatie is de douanewaarde verhoogd met de in artikel 32 van het CDW genoemde elementen.

6.3. De inspecteur heeft bij zijn onder 1.4. vermelde brief een groot aantal overzichten met gespecificeerde berekeningen overgelegd. Met deze stukken is de opbouw van de uitnodigingen tot betaling inzichtelijk gemaakt en verduidelijkt, en is ook voldoende inzicht verschaft waarom in twee gevallen de eerst aangewezen rechtsbasis voor het vaststellen van de douanewaarde, artikel 29 van het CDW, moest wijken voor die van artikel 32. De overgelegde berekeningen zijn door belanghebbende niet weersproken. Verwezen wordt hiervoor naar de sub 2.10 opgenomen brief van belanghebbende

De Douanekamer ziet geen grond voor het oordeel dat die gespecificeerde berekeningen niet toereikend zouden zijn.

6.4. De aansprakelijkheid van belanghebbende – vanwege haar positie als aangever – vloeit volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie rechtstreeks voort uit het bepaalde in artikel 201, derde lid, van het CDW (zie laatstelijk, mutatis mutandis, het arrest van 3 april 2008, Militzer & Münch, C-230/06); goede trouw of verwijtbare gedragingen blijven bij het vaststellen van de schuldenaar in het kader van dit artikel buiten beoordeling.

6.5. Belanghebbende beroept zich tenslotte op schending van artikel 221, derde lid, van het CDW, en leidt daaruit af dat de bovenvermelde uitnodigingen tot betaling buiten de wettelijke termijn zijn uitgereikt en daarom zouden moeten worden vernietigd.

Blijkens de onder 2.8. vermelde uitspraak op bezwaar en de onder 2.9. beschreven nadere toelichting op de uitnodigingen tot betaling betreffen deze louter aangiften uit 1999. Aangezien de mededeling van artikel 221, derde lid, op 8 maart 2001 is gedaan, is aan de in dit artikel gestelde driejaarstermijn voldaan.

6.6. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 26 augustus 2008 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. A. Bijlsma en M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.