Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF0085

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2008
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
06-00570
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op stellingen inzake interne compensatie door de inspecteur ingenomen tijdens de procedure bij de rechtbank, is de rechtbank niet ingegaan. Belanghebbende heeft deze stellingen niet weersproken. Daarom kan in het midden blijven of de rechtbank ten onrechte een gestelde betaling aan de moskee als gift heeft aangemerkt. De aanslag is eerder te laag dan te hoog. Hoger beroep van de inspecteur gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.87
Wet inkomstenbelasting 2001 6.24
Wet inkomstenbelasting 2001 6.39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/56.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P06/00570

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/P,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 06/948 van de rechtbank Haarlem van 4 december 2006 in het geding tussen

X,

wonende te Z,

belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 8 juni 2005 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.323.

1.2. Bij uitspraak van 5 december 2005 heeft de inspecteur het door belanghebbende tegen de aanslag ingediende bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 december 2006, verzonden op 5 december 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.691, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten bedrage van € 644 en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37.

1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Hij heeft dit hoger beroep op 6 maart 2007 ingetrokken.

De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 23 januari 2007, bij het Hof ingekomen op 24 januari 2007.

1.5. Belanghebbende, door het Hof daartoe in de gelegenheid gesteld bij brieven van 26 januari en 23 februari 2007, heeft geen verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2008. Verschenen is A namens de inspecteur. Belanghebbende heeft bij brief van 7 augustus 2008 medegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. Belanghebbende is in dienstbetrekking bij de Stichting B Scholen te Amsterdam.

2.1.2. Belanghebbende deed voor het onderhavige jaar aangifte van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.932, tevens verzamelinkomen. Dit was opgebouwd als volgt:

- loon € 22.105

- reiskostenaftrek openbaar vervoer € 376

€ 21.729

- WAO-uikering € 2.711

inkomen box 1 vóór persoonsgebonden aftrek € 24.440

- buitengewone uitgaven € 5.034

- drempel € 4.917

- aftrekbare buitengewone uitgaven € 117

- ‘andere’ giften € 4.900

- drempel € 439

- aftrekbare giften € 4.391

persoonsgebonden aftrek € 4.508

€ 19.932

2.1.3. Bij het vaststellen van de aanslag aanvaardde de inspecteur het bedrag ad € 4.391 niet in aftrek en berekende hij het belastbare inkomen uit werk en woning op € 24.323.

2.1.4. Tot de stukken behoort onder meer een kwitantie van de ‘Moskee C’, waarop is vermeld dat van belanghebbende is ontvangen € 800. Daarop is onder meer een getal – 55 – vermeld en als datum 15 mei 2003.

2.2. Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor in 1.3 is vermeld, heeft de rechtbank belanghebbendes beroep gegrond verklaard, waarbij zij – voor zover hier van belang – heeft overwogen:

“4.4. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel op de weg van eiser (Hof: belanghebbende) ligt om aannemelijk te maken dat hij een gift aan een zodanige instelling heeft gedaan.

Moskee C

4.5. Eiser stelt dat hij in 2003 € 800 aan giften heeft betaald aan de Moskee C. Ter onderbouwing van deze gift heeft eiser een kwitantie overgelegd van deze stichting waaromtrent eiser geloofwaardig heeft verklaard dat dit een originele kwitantie betreft van Moskee C. De rechtbank vindt in de door verweerder (Hof: de inspecteur) aangedragen omstandigheden dat er overeenkomsten zijn tussen het handschrift op de kwitantie van Moskee C en de kwitantie van D, wat daar ook van zij, en het niet opgenomen zijn van Moskee C in het in artikel 24 Successiewet 1956 bedoelde register van algemeen nut beogende instellingen, onvoldoende aanleiding om de authenticiteit van de kwitantie en de hoedanigheid van de begiftigde instelling te betwijfelen, ook niet indien die omstandigheden in hun onderlinge samenhang worden bezien.

Ook de omstandigheid dat eiser geen jaarverslag van de moskee heeft overgelegd doet aan het voorgaande niet af. Gelet op hetgeen hierover namens eiser ter zitting is verklaard – dat de moskee geen financieel verslag aan hem wilde verstrekken – en de door verweerder ter zitting gegeven verklaring – dat ook hij dat verslag, ondanks een verzoek daartoe, niet van de moskee heeft ontvangen – acht de rechtbank de verklaring van eiser voor het ontbreken van het jaarverslag geloofwaardig en geen reden om op grond van het ontbreken daarvan de kwitanties als vals dan wel volstrekt ontoereikend bewijs zonder meer terzijde te leggen. Daar komt bij dat verweerder ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen – anders dan eiser – beschikt over dwangmiddelen teneinde inzicht te krijgen in de financiële verslaglegging van de moskee, zodat in de omstandigheden van dit concrete geval verweerder moet worden aangemerkt als de meest gerede partij om het financiële jaarverslag in het geding te brengen.

(…)

4.9. Uit de stukken blijkt dat het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek van eiser en zijn echtgenote bij de in het geding zijnde aanslag is vastgesteld op € 43.790. Daartegen zijn geen gronden aangevoerd De rechtbank leidt daaruit af dat de drempel voor de giftenaftrek € 438 (1% van € 43.790) bedraagt. De giftenaftrek bedraagt dan € 362. Het belastbare inkomen uit werk en woning van eiser moet worden vastgesteld op € 23.961. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.”

2.3. Omvang van het geschil in hoger beroep

In geschil is primair of belanghebbende recht heeft op aftrek van ‘andere’ giften tot een bedrag van € 800 (vóór toepassing drempel). Zo ja, dan is subsidiair in geschil of het belastbare inkomen uit werk en woning ten onrechte is verminderd met de reisaftrek en de buitengewone uitgaven, zijnde in totaal € 493.

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

De betalingen moeten duidelijk worden. Bij de aanslagregeling wordt men geconfronteerd met duizenden aangiften. Men blijft aan het vragen stellen. Tijdens de aanslagregeling kwamen er van belanghebbende tegenstrijdige verklaringen. Belanghebbendes consulent is vergelijkbaar met een andere beruchte consulent, alleen is hij niet zo extreem als die ander. Belanghebbendes consulent is altijd te ruim bij het opvoeren van de reisaftrek en de buitengewone uitgaven. Daarvoor neemt hij bepaalde vaste aftrekposten. Bij de giften deed hij dat ook. Hij had een lumineus idee: hij zei dat belanghebbende voor de desbetreffende stichting had gewerkt en het salarisbedrag had geschonken. Tijdens de aanslagregeling is hierover telefonisch gesproken: te kennen werd gegeven dat het bedrag dan eerst als inkomsten zou worden bijgeteld. Toen is het verhaal bijgesteld. Het luidde opeens dat belanghebbende zijn auto aan de stichting had geschonken. Dan zou er weer een autokostenforfait wegens privé-gebruik moeten worden bijgeteld.

Belanghebbende heeft bij de rechtbank op een gemakkelijke manier een kostenvergoeding gekregen. En alles op basis van die ene kwitantie waarnaar wij onvoldoende onderzoek zouden hebben gedaan.

Op de kwitanties staat hetzelfde handschrift. Er is totaal geen boekhouding, maar vier jaar later verklaren ze wel dat er € 800 is geschonken.

Desgevraagd:

Indien men echt een gift heeft gedaan, maar de penningmeester van de begiftigde instelling gaat er bijvoorbeeld met de kas vandoor: Die mogelijkheid bestaat. Maar van de ene kwitantie toon ik de valsheid aan. Verder zijn er steeds andere verklaringen.

In de uitspraak van de rechtbank is het onder 4.9 vermelde bedrag van het belastbare inkomen uit werk en woning juist. Het bedrag in het dictum is fout: er zijn twee cijfers omgedraaid.

2.5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.5.1. Reeds tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de inspecteur gemotiveerd gesteld dat de reisafstand van belanghebbende minder dan tien kilometer bedraagt. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het bij de aanslagregeling in aanmerking genomen belastbare inkomen uit werk en woning dient daarom met € 376 te worden verhoogd.

2.5.2. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de inspecteur eveneens gemotiveerd gesteld dat de buitengewone uitgaven niet hoger zijn geweest dan het geldende drempelbedrag. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het belastbare inkomen uit werk en woning dient daarom met € 117 te worden verhoogd.

2.5.3. Het door de rechtbank vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 23.961 (het Hof acht het in het dictum vermelde bedrag van € 23.691 het gevolg van een typefout). Op grond van hetgeen is overwogen onder 2.5.1 en 2.5.2, dient dit verhoogd te worden met (€ 376 + € 117 =) € 493 tot € 24.454.

Nu de aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.323, is deze eerder te laag dan te hoog. De stelling van de inspecteur dat de rechtbank belanghebbende ten onrechte een giftenaftrek van (bruto) € 800 heeft verleend, kan daarom in het midden blijven.

2.5.4. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en het bij de rechtbank ingestelde beroep dient ongegrond te worden verklaard.

2.6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Beslissing

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, F.H.M. Possen en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 26 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.