Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BF0073

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
07/00150
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemachtigde is de zoon van belanghebbende en woont op hetzelfde adres. Vanuit de woning van de moeder drijft gemachtigde een adviespraktijk. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat haar zoon niet op grond van hun familierelatie maar op zakelijke gronden als gemachtigde is ingeschakeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/1466
V-N 2008/54.12 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1918
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/00150

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Zeist,

belanghebbende,

gemachtigde mr. XX,

tegen de uitspraak in de zaak no. SBR 06/185 van de rechtbank Utrecht van 12 februari 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

het hoofd Belastingen van de gemeente Zeist,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2005 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak plaatselijk bekend als a-weg 6 te Zeist (de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op

€ 150.000.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak gedagtekend 6 december 2005 de waarde van de woning verminderd tot € 126.000 en het verzoek van belanghebbende om vergoeding van door haar gemaakte kosten van het bezwaar afgewezen.

1.3. Na bezwaar tegen de onder 1.2 bedoelde afwijzing heeft de heffingsambtenaar bij besluit van 22 december 2005 belanghebbende alsnog een vergoeding voor haar kosten van bezwaar toegekend van € 40,25.

1.4. Bij uitspraak van 12 februari 2007, verzonden op 14 februari 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende tegen de onder 1.2 bedoelde uitspraak en het onder 1.3 bedoelde besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan haar diende te vergoeden.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft de gemachtigde van belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 22 maart 2007, bij het Hof ingekomen op eveneens 22 maart 2007. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 18 april 2007.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, waarop door de heffingsambtenaar is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.7. Op 6 november 2007 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende. Dit is in afschrift verstrekt aan de heffingsambtenaar.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2008. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. De gemachtigde is de zoon van belanghebbende en is woonachtig op hetzelfde adres als belanghebbende. Vanuit de woning van zijn moeder verleent hij onder de naam Y juridisch en strategisch advies.

2.1.2. Onder de stukken bevindt zich in kopie een factuur met dagtekening 14 april 2005 van de gemachtigde die is gericht aan belanghebbende. Deze factuur bedraagt € 150 inclusief omzetbelasting en betreft verrichte werkzaamheden inzake het pro forma bezwaarschrift en de motivering daarvan.

2.2. Geschil

In geschil is of in het onderhavige geval sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).

Ter zitting heeft de heffingsambtenaar nader gesteld dat de vergoeding op € 80,50 kan worden bepaald, indien het gelijk overigens aan belanghebbende is.

Belanghebbende heeft het Hof voorts verzocht een uitspraak te doen met betrekking tot de wijze van betaling van de door de rechtbank in de bestreden uitspraak op bezwaar gelaste vergoeding van € 37 griffierecht alsmede van de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding voor de kosten van bezwaar van € 40,25.

Tussen partijen is in hoger beroep de waarde van de woning niet meer in geschil.

2.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Geen aanleiding bestaat om de heffingsambtenaar met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in verbinding met artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De in artikel 7:15 van de Awb bedoelde kostenveroordeling kan ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Uit de voorhanden stukken blijkt dat de gemachtigde van belanghebbende in familierelatie tot haar staat. Voorts staat vast dat de gemachtigde kantoor houdt op het adres van het onderhavige object. Onder die omstandigheden vindt de verleende rechtsbijstand kennelijk zijn grond in de familierelatie, zodat in onderhavig geval niet kan worden gesproken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daaraan doet niet af dat de gemachtigde, in procedures waarin hij voor andere cliënten optreedt, wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. Gelet op de reeds door de heffingsambtenaar toegezegde kostenvergoeding van € 40,25 is belanghebbende hierdoor niet benadeeld. Dit oordeel vindt steun in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld in de uitspraken van 7 oktober 1996, 14 november 2003 en 7 maart 2006 (LJN: ZF2324, LJN: AN9334 en LJN: AV 5287).

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding, waaronder het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep.

2.5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.5.1. In artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend op verzoek van de belanghebbende worden vergoed. In het vierde lid van voormeld artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2.5.2. In artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat de rechtbank bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken terwijl voorts artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing is.

2.5.3. Artikel 27j, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat op het hoger beroep hoofdstuk 8 van de Awb van overeenkomstige toepassing is, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8:10, 8:41, 8:74 en 8:82.

2.5.4. In het Bpb is uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 7:15, vierde lid, van de Awb. Artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het Bpb luidt als volgt:

“Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,”.

2.5.5. Het staat vast dat tussen de gemachtigde en belanghebbende een familierelatie bestaat en dat de gemachtigde zijn werkzaamheden uitoefent vanuit de woning die hij samen met zijn moeder bewoont.

Naar het oordeel van het Hof ligt het, gelet op het vorenstaande en tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat belanghebbende in het onderhavige geval de gemachtigde niet op grond van hun familierelatie maar op zakelijke gronden heeft ingeschakeld.

Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de gemachtigde anders dan op grond van hun familierelatie heeft ingeschakeld. De onder 2.1.2 vermelde factuur acht het Hof onvoldoende bewijs voor het tegendeel, omdat het niet is komen vast te staan dat deze factuur daadwerkelijk in handen is gesteld van belanghebbende en voorts geen inzicht is verschaft in de betaling daarvan.

De omstandigheid dat de gemachtigde beroepsmatig aan anderen dan belanghebbenden rechtskundig bijstand verleent maakt dit niet anders.

2.5.6. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat uit het onder 1.3 vermelde besluit van 22 december 2005 van de heffingsambtenaar blijkt, dat niet in geschil is dat in dit geval sprake is van door een derde beroepmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het Hof blijkt echter zowel uit de uitspraak op bezwaar als uit de verweerschriften in eerste aanleg en in hoger beroep en andere gedingstukken dat verweerder zulks wel betwist. De brief van 22 december 2005, die overigens mede handelt over een andere belanghebbende, ontneemt de heffingsambtenaar niet het recht dit standpunt in te nemen.

2.5.7. Het Hof verwerpt ook het beroep van belanghebbende op, naar het Hof begrijpt, artikel 43 van het EG-verdrag, betreffende de vrijheid van vestiging, en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), beide betreffende het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van het Hof heeft de belanghebbende geen toegang tot het EG-verdrag omdat hier geen aspecten aan de orde zijn die een andere lidstaat van de Europese Unie raken. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Het Bpb dat is gegeven op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, geeft regels over de kosten waarop een veroordeling betrekking kan hebben. Naar het oordeel van het Hof bevat het Bpb geen bepalingen die in strijd zijn met artikel 8:75 Awb. Voor zover belanghebbende bedoelt de wetgeving als zodanig ter discussie te stellen oordeelt het Hof dat, zo er al sprake is van het ongelijk behandelen van gelijke gevallen, daarvoor een redelijke rechtvaardiging bestaat, namelijk de beperking van vergoeding van proceskosten tot de zakelijke sfeer. Daarbij geldt dat aan de wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid toekomt zowel bij de bepaling welke gevallen als gelijk moeten worden beschouwd als bij de beoordeling of een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een verschillende behandeling bestaat; zie onder meer de arresten van het EHRM van 22 juni 1999, nr. 46 757/99, Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398 en van de Hoge Raad 12 juli 2002, nrs. 35 900 en 36 254, BNB 2002/399 en 400.

2.5.8. Met betrekking tot de wijze van betaling van de door de rechtbank in de bestreden uitspraak op bezwaar gelaste vergoeding van € 37 griffierecht alsmede van de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding voor de kosten van bezwaar van € 40,25 oordeelt het Hof dat de belastingrechter niet bevoegd is hierover een oordeel te geven.

2.6. Slotsom

2.6.1. Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van belanghebbende geen behandeling meer.

2.6.2. De slotsom luidt dat het Hof onbevoegd is voor zover het beroep betreft de wijze van betaling van de door de rechtbank in de bestreden uitspraak op bezwaar gelaste vergoeding van griffierecht alsmede van de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding voor de kosten van bezwaar en dat het hoger beroep voor het overige ongegrond is.

2.7. Proceskosten

Nu belanghebbende in ongelijk wordt gesteld acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten in eerste en tweede aanleg op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, J.P.F. Slijpen en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 15 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.