Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BE9682

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
200.003.141.01 SKG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer in dienst van GVB is geschorst vanwege onderzoek naar vermeende diefstal, en vervolgens weer tewerk gesteld. Hij vordert dat GVB intern een tekst publiceert, met daarin onder meer opgenomen dat GVB hem zuivert van alle blaam en waarin zij aan hem haar verontschuldigingen aanbiedt. Afgewezen. Ten overvloede: ook o.g.v. strijd met vrijheid van meningsuiting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/238
AR-Updates.nl 2008-0564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GVB EXPLOITATIE B.V., gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE in het principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in het incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. O.S. van Beijeren,

t e g e n

Werknemer,

GEÏNTIMEERDE in het principaal hoger beroep,

APPELLANT in het incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. B.J.H. Crans.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna GVB en Werknemer genoemd.

Bij dagvaarding van 27 februari 2008 is GVB in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de kantonrechter te Amsterdam in het kort geding tussen partijen (Werknemer als eiser en GVB als gedaag¬de) onder kenmerk KK 08 27 heeft gewezen en dat is uitgesproken op 30 januari 2008. Het appelexploot bevat de grieven.

GVB heeft bij memorie overeenkomstig de dagvaarding acht grieven voorgesteld, bescheiden in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog zal beslissen zoals in de memorie vermeld, met veroordeling van Werknemer in de kosten van het geding in beide instanties.

Daarop heeft Werknemer geantwoord, de grieven en de daaraan verbonden conclusie bestreden en zijnerzijds – in incidenteel hoger beroep – zijn vordering gewijzigd. Hij heeft be¬schei¬den in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk, dat het hof het beroep van GVB zal verwerpen en zijn gewijzigde vordering – met, zo begrijpt het hof, vernietiging van het vonnis in zoverre – zal toewijzen, met veroordeling van GVB in de kosten van het geding in hoger beroep. Tevens heeft Werknemer een DVD ter griffie van het hof gedeponeerd.

Vervolgens heeft GVB in het incidenteel hoger beroep geantwoord, een productie overgelegd en geconcludeerd – zakelijk – dat het hof de gewijzigde vordering zal afwijzen en Werknemer zal veroordelen in de kosten gevallen op het incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben de zaak doen bepleiten op 21 mei 2008, GVB door haar procureur en Werknemer door mr. P. Veenhoven, advocaat te Almere, aan de hand van door ieder van partij¬en overge¬legde pleitnotities. GVB heeft bij die gelegenheid nog een akte - met een bewijs¬stuk - genomen.

Ten slotte hebben partijen recht gevraagd op de stukken van beide instan¬ties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Op 2 september 2002 is Werknemer als buschauffeur in dienst getreden van GVB. Op 27 oktober 2007 heeft GVB Werknemer geschorst wegens verdenking van diefstal van een aan een collega toebehorende doos met laarzen uit het eindpunthuisje van bus 22 op 5 oktober 2007. GVB heeft een onderzoek ingesteld en Werknemer alsmede een aantal andere medewerkers gehoord. Dit heeft geleid tot een rapport van 15 november 2007 van het Meldpunt Integriteit van GVB, dat concludeert tot de aanbeveling Werknemer ‘met directe ingang’ te ontslaan ‘op grond van onrechtmatige toe-eigening van andermans eigendom en opzettelijke onjuiste informatieverschaffing om de onrechtmatige toe-eigening in een andere (valse) voorstelling te plaatsen’.

GVB heeft bij brief van 21 december 2007 aan Werknemer geschreven: ‘naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten acht ik uw schuld onvoldoende bewezen en hef ik uw schorsing per heden op.’ Op 24 december 2007 is Werknemer weer aan het werk gegaan.

4.2 Werknemer heeft gevorderd – kort gezegd – dat de kantonrechter GVB beveelt om op straffe van verbeurte van een dwangsom een tekst inhoudende een ‘rehabilitatie’ op te nemen in het personeelsblad ‘Spits’ en per email (intranet) te verspreiden onder het personeel van GVB. De rehabilitatie dient onder meer te vermelden dat ‘uit door het Bureau Integriteit van het GVB verricht onderzoek niet (is) gebleken dat Werknemer zich heeft schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit’, dat ‘hij (-) gezuiverd (dient) te worden van alle blaam’ en dat ‘het GVB (-) haar verontschuldigingen aan Daniël werknemer aan(biedt).’ Tevens heeft Werknemer een voorschot gevorderd op door hem geleden materiële en immateriële schade.

De kantonrechter heeft de rehabilitatie¬vordering toegewezen en de vordering tot betaling van materiële schade (buitengerechtelijke kosten) gedeeltelijk toegewezen en de vordering voor het overige afgewezen.

De grieven richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover zij de vorderingen heeft toegewezen en de gronden waarop deze beslissing berust.

4.3 GVB heeft aangevoerd dat zij ten onrechte en per vergissing in haar brief van 21 december 2007 heeft geschreven dat zij de schuld van Werknemer onvoldoende bewezen acht. Volgens haar is er wel degelijk voldoende bewijs dat Werknemer de doos met laarzen heeft ontvreemd. Zij heeft Werknemer slechts niet ontslagen omdat hij de laarzen uit zichzelf heeft teruggebracht, omdat hij overigens steeds goed heeft gefunctioneerd en omdat zijn ontslag in de gegeven omstandigheden een te zware sanctie achtte (memorie van grieven 33).

Anders dan Werknemer meent, staat voormelde brief er niet aan in de weg dat GVB in dit kort geding de stelling verdedigt dat Werknemer de doos met laarzen wel heeft ontvreemd en dat zij deze stelling ten grondslag legt aan haar verweer tegen de vordering van Werknemer.

4.4 GVB heeft uitvoerig aan de hand van voormeld rapport van het Meldpunt Integriteit met bijlagen, een later onderzoeksrapport van 10 maart 2008 van het door GVB ingeschakelde Interseco (productie 6 bij memorie van grieven) en van video-opnamen van bewakingscamera’s rond het eindpunthuisje uiteengezet waarop haar stelling berust. Werknemer heeft de stelling van GVB bestreden en dit zijnerzijds eveneens uitvoerig toegelicht.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat en op de video-opnamen is ook te zien dat X, de collega van wie de laarzen zijn gestolen, met – onder andere – de doos met laarzen het eindpunthuisje is binnengegaan en dat Werknemer met een doos, waarvan het hof – met partijen – aanneemt dat deze de hier bedoelde laarzen bevat, naar buiten komt. Volgens Werknemer had hij de doos kort tevoren bij zijn auto op de parkeerplaats aangetroffen en was hij het huisje binnengestapt om deze aan collegae te tonen en te vragen of de doos van een van hen was. Omdat dat laatste niet het geval bleek te zijn, is hij weer met de doos naar buiten gegaan en heeft hij deze in zijn auto gelegd om deze aan het eind van zijn dienst aan de afdeling gevonden voorwerpen van GVB af te geven. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij eerder op de dag een meegebrachte koelbox aan collegae had getoond en vervolgens daarmee naar buiten is gestapt.

Op de beelden – die bij het hof zijn gedeponeerd en waarvan het hof voor zover nodig kennis heeft genomen – is echter wel het binnentreden en verlaten van het eindpunthuisje door Werknemer op verschillende tijdstippen te zien, maar niet diens binnentreden met de doos met laarzen en evenmin diens binnentreden of verlaten met de koelbox. Dat brengt mee dat de lezing van GVB zeker niet onaannemelijk is en dat Werknemer’s mededelingen omtrent de koelbox mogelijk (ook) niet op waarheid berusten en (aanvankelijk) waren ingegeven door de wens een plausibele verklaring te geven voor het feit dat hij blijkens de beelden met een doos naar buiten was gekomen. Op grond van dit een en ander concludeert het hof dat ermee rekening moet worden gehouden dat de bodemrechter zal oordelen dat Werknemer de doos met laarzen inderdaad heeft ontvreemd en dat de vorderingen tot rehabilitatie en tot vergoeding van schade niet toewijsbaar zijn. Dat betekent dat de kantonrechter de vorderingen in dit kort geding ten onrechte heeft toegewezen.

Werknemer heeft nog aangevoerd dat de beelden van de bewakingscamera’s, die volgens GVB alleen in actie komen indien zij beweging waarnemen, bewijsbaar hiaten vertonen ook daar waar zich wel degelijk en met zekerheid beweging voordeed. GVB heeft dit aan de hand van voormeld onderzoeksrapport van Interseco en tijdschema’s (bijlage 12 bij dat rapport) gemotiveerd bestreden. Op grond daarvan kan de kritiek van Werknemer voorshands niet als juist worden aanvaard.

4.5 Als zelfstandige grond voor zijn vorderingen heeft Werknemer nog aangevoerd dat GVB in diverse stadia aan collegae van Werknemer mededelingen heeft gedaan over de verdenking, nodeloos lang over de besluitvorming heeft gedaan en hem – zoals hij het formuleert - te lang heeft laten ‘bungelen’ (onder meer pleitnota in hoger beroep onder 23 tot en met 28). Het hof overweegt als volgt.

Dat GVB mededelingen heeft gedaan over de verdenking aan collegae, is niet aannemelijk geworden.

Voorts zou, zelfs indien het juist zou zijn dat GVB niet voortvarend genoeg in haar besluitvorming is geweest, die omstandigheid – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet een voorlopige voorziening rechtvaardigen waarin GVB gelast wordt Werknemer te rehabiliteren of GVB veroordeeld wordt de gevorderde schade geleden doordat Werknemer als verdachte is aangemerkt te vergoeden. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking dat Werknemer niet heeft gesteld dat een bepaald deel respectievelijk welk deel van de schade zou moeten worden toegerekend aan de omstandigheid dat de besluitvorming langer dan in zijn ogen wenselijk heeft geduurd. Aan het voorgaande moet worden toegevoegd dat voorshands niet kan worden uitgesloten dat het verweer dat het onderzoek – dat niet uitmondde in een ontslag op staande voet – nu eenmaal veel tijd vergde, gegrond is, mede omdat ook enige tijd is verstreken doordat de advocaat van Werknemer niet beschikbaar was voor het bekijken van de videobeelden.

4.6 Ten overvloede overweegt het hof dat de vordering te bevelen

? dat GVB als haar mening te kennen zou geven dat ‘niet (is) gebleken dat Werknemer zich heeft schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit’ en dat ‘hij (-) gezuiverd (dient) te worden van alle blaam’ alsmede

? dat ‘het GVB (-) haar verontschuldigingen aan werknemer aan(biedt)’

tegenover het uitdrukkelijke verweer van GVB dat zij die mening niet deelt en geen aanleiding ziet voor verontschuldigingen (onder meer grief 5) hoe dan ook niet toewijsbaar was. Het aldus opleggen van een mening en excuses is in strijd met de vrijheid van meningsuiting.

4.7 Al het voorgaande neemt niet weg dat het besluit van GVB de schorsing op te heffen en Werknemer weer voor het werk uit te nodigen tevens de verplichting voor GVB meebracht datgene te doen dat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar als goed werkgeefster mocht worden verwacht om Werknemer weer adequaat in het werk en te midden van zijn collegae te re-integreren. GVB heeft – naar het hof uit het verloop der in punt 36 tot en met 44 van de memorie van grieven beschreven gebeurtenissen afleidt: ná het vonnis waarvan beroep (in punt 42 moet naar blijkt uit productie E bij memorie van antwoord/grieven kennelijk worden gelezen ‘7 februari 2008’) – de door haar in het personeelsblad en op het intranet geplaatste ‘rectificatie’ waarin GVB concludeert ‘dat de schuld van Werknemer onvoldoende is gebleken’, tevoren aan Werknemer voorgelegd.

Het is niet ondenkbaar dat GVB daarmee voormelde verplichting niet voldoende is nagekomen. Dat neemt echter niet weg dat de vordering zoals ingesteld niet toewijsbaar is. Het hof ziet onvoldoende aanleiding – mede het stadium van het geding alsmede de noodzaak van verder onderzoek in aanmerking nemende – een wel aanvaardbare formulering te ontwerpen. Daarbij heeft het hof ook nog in aanmerking genomen dat Werknemer het voorstel van GVB heeft verworpen zonder een tegenvoorstel te doen, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft bevestigd. Naar het voorlopig oordeel van het hof had dat – na het voorstel van GVB – wel op zijn weg gelegen in plaats van te volharden bij zijn naar het oordeel van hof hoe dan ook niet toewijsbare eis.

4.8 Geconcludeerd moet worden dat de vorderingen van Werknemer, met vernietiging van het vonnis, alsnog dienen te worden afgewezen. Gelet hierop is de vordering van GVB om Werknemer te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen GVB op grond van het bestreden vonnis aan Werknemer heeft betaald of op hem is verhaald met rente toewijsbaar als hierna volgt.

5. Slotsom

De grieven, die geen afzonderlijke behandeling vergen, slagen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vorderingen van Werknemer alsnog afwijzen. Het hof zal de vordering van GVB toewijzen en Werknemer als de in het ongelijk gestelde partij verwijzen in de kosten in beide instanties.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van Werknemer af;

veroordeelt Werknemer aan GVB terug te betalen al hetgeen GVB op grond van het bestreden vonnis aan Werknemer heeft betaald of op haar is verhaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die betaling of dat verhaal tot aan de dag van de terugbetaling;

verwijst Werknemer in de kosten van het geding in beide instan¬ties, aan de zijde van GVB in eerste aanleg begroot op € 400,- voor salaris gemachtigde en in hoger beroep tot op heden begroot op € 1.896,- in het principaal hoger beroep en op € 948,- in het incidenteel hoger beroep voor procureurssalaris en op € 325,80 voor verschotten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N. van Lingen, P. Ingelse en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2008.