Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BE9432

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
23-006033-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 408 Sv. Schriftelijk aanhoudingsverzoek van raadsman. Bij afwezigheid van raadsman en verdachte ter terechtzitting verzoek niet gehonoreerd. Termijnoverschrijding hoger beroep.

Een telefonische mededeling van de officier van justitie zich niet te zullen verzetten tegen aanhouding geldt niet als een mededeling op grond waarvan bij de verdachte en haar raadsman de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de behandeling ter zitting zal worden aangehouden. Ook het uitblijven van een reactie van of namens de politierechter op het verzoek om uitstel kan niet gezien worden als zo’n mededeling. Immers, de beslissing op het verzoek om aanhouding wordt eerst ter terechtzitting door de politierechter genomen. Evenmin kan die mededeling van de officier van justitie of het uitblijven van die reactie van of namens de politierechter meebrengen dat de beroepstermijn nog niet is aangevangen, dan wel op een later tijdstip is aangevangen dan uit de wettelijke regeling voortvloeit.Verdachte is derhalve niet ontvankelijk in hoger beroep wegens termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

parketnummer 23-006033-07

parketnummer(s) 13-461711-07

datum vonnis eerste aanleg 30 augustus 2007

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

PROCES-VERBAAL TERECHTZITTING

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige strafkamer, op 6 augustus 2008.

Tegenwoordig:

mr. R. Veldhuisen raadsheer,

en mr. M.N. Maris griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. L.L. Bonsel, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte,

ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op vragen van de raadsheer te zijn:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

GBA-adres: [adres], [woonplaats]

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig [raadsman], advocaat te [plaats].

De raadsheer vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen zij zal horen en deelt haar mede dat zij niet tot antwoorden verplicht is.

De raadsheer maakt melding van een brief met bijlagen van [raadsman] van 31 juli 2008, zijnde een briefwisseling met de officier van justitie in eerste aanleg, mr. Y.J. Hopman, en verzoekt de advocaat-generaal zich uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De advocaat-generaal voert het woord en verklaart –zakelijk weergegeven-:

De inleidende dagvaarding is in persoon uitgereikt op 23 mei 2007. De zitting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007, zodat het hoger beroep op 15 oktober 2007 te laat is ingesteld. Ik zal ingaan op de stukken die door de raadsman zijn ingediend. Voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg is er contact geweest tussen de raadsman en de officier van justitie, mr. Hopman, welke laatstgenoemde heeft gezegd zich niet te zullen verzetten tegen de door de raadsman verzochte aanhouding. Ik verwijs naar de brief van de officier van justitie Hopman, d.d. 16 november 2007. De onderhavige situatie wijkt af van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, betreffende een griffiemedewerker die een foute mededeling heeft gedaan. In dit geval is geen sprake van een fout; de officier van justitie heeft aangegeven dat zij zich niet zal verzetten tegen aanhouding. Echter, niet de officier van justitie beslist over de aanhouding, maar de rechter. Het appèl is derhalve niet tijdig ingesteld en ik verzoek het hof de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep.

De advocaat-generaal legt voorts zijn vordering aan het hof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:

Hoewel het juist is dat de rechter over een aanhouding beslist, leert de praktijk dat als om uitstel wordt verzocht wegens een goede reden, het uitstel ook meestal wordt verleend. De officier van justitie heeft in eerste aanleg aangegeven akkoord te zijn met het gevraagde uitstel. Bovendien heb ik per brief aan de politierechter om uitstel verzocht, waarbij ik heb vermeld dat ik er zonder tegenbericht vanuit zal gaan dat het uitstel wordt verleend. Ik heb enkele malen nagebeld en het was allemaal in orde: op de zitting zou van het verzoek gewag worden gemaakt.

Er is door het parket een fout gemaakt, want het uitstel is ter zitting niet aan de orde gekomen; anders zou het zeker zijn verleend. Er wordt mij voor de voeten geworpen dat ik er niet was. Echter, toen ik terugkwam van vakantie was de appèltermijn al verstreken.

De fout ligt bij het OM; de officier van justitie heeft bovendien de taakstraf opgeschort.

Hiernaar door de voorzitter gevraagd, deel ik mede dat de fout van het parket is gelegen in het feit dat de officier van justitie de politierechter ter zitting attent had moeten maken op het verzoek tot aanhouding. Als de stukken niet in het dossier zaten, dan had de officier van justitie melding van mijn telefoongesprek moeten maken. Desgevraagd, na voorlezing van de brief van officier van justitie Hopman door de raadsheer, deel ik mede dat ik niet uit de stukken kan opmaken of de aanhouding ter zitting is behandeld. Als een en ander niet in het proces-verbaal is opgetekend, mag ik er vanuit gaan dat het niet aan de orde is gekomen.

Onder verwijzing naar de eerder genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, betreft het een foutieve mededeling van de officier van justitie waardoor ik op het verkeerde been ben gezet. Ik mag immers op de mededeling van het parket vertrouwen. Ik heb direct appèl ingesteld na het bericht van de reclassering dat cliënte de taakstraf moest uitvoeren. Het is niet reëel om te informeren naar de appèltermijn, terwijl er is verzocht om aanhouding.

Voorts verzet ik mij tegen inhoudelijke behandeling vandaag bij het hof, aangezien mijn cliënte alsdan een instantie verliest. Buiten toedracht van de raadsman heeft de behandeling in eerste aanleg zonder aanwezigheid van de verdachte plaatsgevonden en onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 3 januari 1995, NJ 1995/517, dient te worden teruggewezen naar de rechtbank.

De advocaat-generaal repliceert als volgt, zakelijk weergegeven:

Ik deel de mening van de raadsman, dat het openbaar ministerie fouten heeft gemaakt, niet. De officier van justitie heeft slechts aangegeven zich niet te verzetten tegen aanhouding. Het ligt voorts op de weg van de raadsman om te bezien of aan het verzoek tot aanhouding gevolg is gegeven door de rechter.

De raadsman dupliceert als volgt, zakelijk weergegeven:

Er is geen proces-verbaal van de zitting. Er wordt verondersteld dat de officier van justitie geen fouten heeft gemaakt; ik verzoek het hof derhalve de officieren van justitie Dontje en Hopman te horen als getuige. Mevrouw Dontje kan verklaren of mevrouw Hopman met haar heeft gesproken over deze kwestie.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Zij verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik wil graag de kans hebben om mijn verhaal te doen.

Na beraad in raadkamer verklaart de raadsheer het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.

De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.

AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

Voorvragen

Aangezien de dagvaarding aan de verdachte in persoon is uitgereikt, verstrijkt de appèltermijn 14 dagen na de uitspraak. Het vonnis dateert van 30 augustus 2007, terwijl het hoger beroep is ingesteld op 15 oktober 2007. Daarmee is gegeven dat de appèltermijn is overschreden.

Overschrijding van de appèltermijn door of namens de verdachte betekent in de regel dat hij niet in het appèl kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de verstrekte informatie waardoor bij de verdachte of diens raadsman de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn nog niet is aangevangen dan wel op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit.

Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Weliswaar staat vast dat de officier van justitie aan de raadsman desgevraagd voorafgaand aan de terechtzitting van 30 augustus 2007 als haar standpunt te kennen gegeven dat het verzoek van de raadsman niet zou stuiten op verzet bij die officier, doch dit gegeven kan niet worden aangemerkt als informatie in evenbedoelde zin waardoor bij de raadsman de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat ter terechtzitting van 30 augustus 2007 het onderzoek ter terechtzitting door de politierechter zou worden geschorst.

Evenmin kan het uitblijven van een reactie naar aanleiding van de door de raadsman aan de griffier/strafunit rechtbank verzonden brief van 6 juli 2007, in het bijzonder wat betreft de passage “In verband met vakantie verzoek ik u de zitting tot na mijn vakantie aan te houden. Zonder tegenbericht ga ik ervan uit dat dit geen probleem zal opleveren” de verdachte en haar raadsman baten.

Het uitblijven van een reactie van de zijde van de griffier/strafunit rechtbank is weliswaar ongelukkig, een verontschuldiging voor het ontijdig instellen van het hoger beroep kan daarin niet worden gevonden. Een beslissing op een verzoek tot aanhouding wordt immers eerst ter terechtzitting genomen. In dit verband heeft als regel te gelden dat van de raadsman, die namens zijn cliënte een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak heeft gedaan, mag worden gevergd dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet doorgaan van de behandeling van die zaak, althans dat hij ervoor zorg draagt dat hij daaromtrent kan worden geïnformeerd (vergelijk Hoge Raad, 9 mei 2000, LJN: AA5730). De door de raadsman aan zijn praktijk ontleende ervaring dat uitstel meestal wordt verleend en diens verwachting dat zulks ook in casu zou geschieden, is in dit kader zonder rechtens relevante betekenis.

In het onderhavige geval zijn naar het oordeel van het hof ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die nopen tot het afwijken van die regel (welk afwijken mogelijk betekenis zou hebben gehad voor de termijn waarbinnen tijdig hoger beroep kon worden ingesteld). Het hof overweegt tot slot en ten overvloede, dat ook gezien de op de achterzijde van de inleidende dagvaarding afgedrukte toelichting op de procedure onder 6. en 10. de raadsman beter had kunnen en moeten weten.

Het voorgaande voert tot de slotsom, dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat het verzuim van de termijn waarbinnen het hoger beroep tijdig kon worden ingesteld niet kan worden verontschuldigd. De verdachte zal daarom in dat beroep niet-ontvankelijk worden verklaard en het verzoek van de raadsman tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank wordt reeds daarom afgewezen.

Het hof wijst voorts af het verzoek van de raadsman tot het doen oproepen van twee officieren van justitie, omdat het hof -het vorenoverwogene in aanmerking genomen- hun verhoor ter terechtzitting redelijkerwijs niet noodzakelijk acht.

Beslissing:

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep.

De raadsheer geeft aan verdachte kennis dat zij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.