Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD9908

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
200.003.038
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek OTS tijdens mondelinge behandeling in eerste aanleg. Als de schriftelijkheidseis geldt, is daaraan voldaan door aantekeningen van de griffier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2008

Familiekamer

Zaaknummer 200.003.038

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

verder te noemen “de moeder”,

procureur mr. F.B. Falkena,

tegen

De Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder,

verder te noemen “de raad”.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 8 februari 2008, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 234341 / JE RK 07-1448.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 februari 2008, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van zowel de raad als de vader tot ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 april 2008, heeft [de vader] (hierna te noemen ‘de vader’) het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Hij verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.

2.3 De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend, maar ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2008 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.X.D.A. Hagens, advocaat te Leusden. Namens de raad is [...] verschenen en namens de William Schrikker Stichting (hierna te noemen “de stichting”) [...], gezinsvoogd. De vader is met kennisgeving vooraf niet verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de nader te noemen [het kind] niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de ouders is op [geboortedatum] 1991 [het kind] geboren. De vader en de moeder zijn op 9 augustus 1991 met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is geëindigd door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 9 december 2004. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [het kind].

3.2 Op 24 juli 2007 heeft de raad bij de kinderrechter in de rechtbank Utrecht een verzoekschrift ingediend strekkende tot ondertoezichtstelling van [het kind] voor de duur van een jaar.

3.3 Bij beschikking van 6 augustus 2007 heeft de kinderrechter [het kind] onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en de uitvoering van deze maatregel opgedragen aan de stichting, voor de duur van zes maanden, dus tot 6 februari 2008, en de beslissing voor het overige aangehouden.

3.4 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 8 februari 2008 hebben zowel de raad als de vader een mondeling verzoek tot ondertoezichtstelling van [het kind] voor de duur van een jaar ingediend. De moeder heeft zich hiertegen mondeling verweerd.

3.5 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter [het kind] onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, en de uitvoering van deze maatregel opgedragen aan de stichting, met ingang van de datum van de beschikking voor de duur van zes maanden.

4 De motivering van de beslissing

4.1 De moeder stelt met een beroep op artikel 1:265 lid 1 BW dat de rechter niet op het mondelinge verzoek van de raad en de vader de ondertoezichtstelling van [het kind] had mogen uitspreken. Het hof begrijpt dat de moeder van mening is dat de rechter de raad en de vader niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in hun verzoek. Deze grief faalt. Het hof oordeelt dat, voor zover de wet in het geval van een verzoek op grond van artikel 1:254 lid 1 BW schriftelijkheid zou eisen, de notities van de griffier van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, althans het proces-verbaal, zijn aan te merken als een verzoekschrift in de zin van artikel 1: 265 lid 1 BW (vergelijk Hoge Raad 3 november 2000, NJ 2000, 418). Voor zover de moeder stelt dat zij zich op het mondelinge verzoek onvoldoende heeft kunnen voorbereiden en dat zij in haar verweer is geschaad, oordeelt het hof dat deze grief geen doel treft, nu het een en ander door de behandeling in hoger beroep is hersteld. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de rechtbank de raad en de vader op juiste gronden in hun verzoek ontvankelijk heeft verklaard. Gelet op het voorgaande zal het hof de gronden voor de ondertoezichtstelling van [het kind] beoordelen.

4.2 Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW onder toezicht worden gesteld van de stichting indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.3 Uit de stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken van gronden die de ondertoezichtstelling van [het kind] rechtvaardigen. Dat het ontbreken van een omgangsregeling tussen [het kind] en de vader een ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van [het kind] vormt, is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken. Voorts is de (enkele) omstandigheid dat sprake is van een mogelijk loyaliteitsconflict bij [het kind] niet voldoende om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. Van de in het rapport van 20 juli 2007 omschreven problemen tussen de moeder en haar nieuwe partner is thans niet meer gebleken.

In juni/juli 2008 zal een onderzoek door Trialis naar de ontwikkeling van [het kind] plaatsvinden. Voor dit onderzoek, welke in het belang van [het kind] wordt geacht, is echter geen ondertoezichtstelling noodzakelijk. In dit verband is van belang dat de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft toegezegd dat zij aan het onderzoek zal meewerken en het hof gaat ervan uit dat zij deze toezegging zal nakomen.

Andere feiten of omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van [het kind] ernstig worden bedreigd zijn niet gesteld of gebleken.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking dient te vernietigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 8 februari 2008;

wijst de verzoeken van de raad en de vader af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Wefers Bettink, Van Gelder en Ernes, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, bijgestaan door mr. Ligtenberg-Vastenholt als griffier en is op 17 juni 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.