Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD9862

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
05/231
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een bedrijf overgenomen. Bij de overdracht van goederen is een partij retentiegoederen achtergebleven. De douane constateert bij een latere controle een vermis en reikt een utb uit. Belanghebbende heeft een herberekening opgesteld. Ter zitting stemt de inspecteur met deze herberekening in. De Douanekamer volgt partijen. Naar het oordeel van de Douanekamer rechtvaardigt de feitelijke situatie zoals die uit het geheel van de contacten die partijen met elkaar hebben gehad met betrekking tot de goederen die zij als retentiegoederen hebben aangeduid, bezien tegen de achtergrond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, niet de conclusie dat die goederen aan het toezicht van de Douane zijn onttrokken, in de zin van artikel 203, eerste lid van het CDW.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 05/231 DK

de dato 6 augustus 2008

1. De procedure

1.1. Op 19 januari 2005 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van M. de Jager en mr. K.M. Chung van Deloitte Belastingadviseurs te Rotterdam, namens X B.V. te Y belanghebbende, ook wel aangeduid als “X”.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam/kantoor Rotterdam Laan op Zuid (hierna:de inspecteur) van 21 december 2004, kenmerk [….] waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling (hierna : UTB), gedagtekend 20 februari 2003, kenmerk [….], ten bedrage van € 56.151, voor het bedrag van € 56.127,83 aan accijns, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 273 geheven. Belanghebbende heeft haar beroepschrift nader aangevuld bij brief van 11 februari 2005. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 20 november 2007.

Ter zitting zijn namens belanghebbende verschenen M. de Jager, tot zijn bijstand vergezeld van mr.drs. E.M. Udo en namens de inspecteur mr. W.A.M. Uhlenbroek, tot zijn bijstand vergezeld van mr. P. de Wit. Tijdens de zitting hebben partijen een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de gedingstukken.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende beheert een bedrijf voor de serviceverlening in het kader van opslag en afhandeling van douanegoederen. Op 1 augustus 2000 heeft zij de activa en passiva van E (D) B.V. (hierna: E) overgenomen. Op dat moment was belanghebbende niet in het bezit van een vergunning accijnsgoederenplaats (AGP). E was in het bezit van een douane-entrepotvergunning type C en bezat daarnaast een vergunning voor een AGP. Bij het overnemen van de activiteiten van E door belanghebbende bleek dat in de loods c.q. AGP nog een hoeveelheid accijnsgoederen was opgeslagen. Deze, door partijen “retentiegoederen” genoemd, werden door E vastgehouden aangezien zij eigendom waren van personen die aan haar nog voorgeschoten belastingen en kosten verschuldigd waren.

2.2.1. Bij brief van 23 juni 2000, gericht tot de douanepost Reeweg, team 11, had E verzocht deze goederen op te mogen nemen in het entrepot type C.

De tekst van deze brief luidt voorzover van belang, als volgt:

“Geachte hr F

Hiermede verzoeken wij u de partijen welke op bijgaand voorraadoverzicht staan vermeld met de aantekening regres op te mogen nemen in het entrepot type C

Tevens verzoeken wij het recht op A.G.P. status te kunnen behouden bij uitslag

(…)”

2.2.2. Teneinde eveneens een AGP- vergunning te verkrijgen heeft belanghebbende op 5 juli 2000 overlegd met de douane. Naar aanleiding daarvan heeft de douane bij brief van 6 juli 2000 het volgende aan belanghebbende meegedeeld:

“(…)

In navolging op ons gesprek van 5 juli 2000, kan ik u mededelen dat ik op 6 juli een brief naar team 4 van het douanedistrict Rotterdam heb gestuurd voor de te stellen zekerheidsbedragen inzake de aangevraagde vergunningen C-sum, TA en TG voor de fa. X B.V. Zij zullen u formeel per beschikking op de hoogte stellen.

Gezien het feit dat het goederenpakket wat bij deze vergunningen hoort, overgaat van E naar X hanteren we, zoals gisteren is afgesproken tijdens ons gesprek, de berekende zekerheden welke wij onlangs hebben uitgevoerd voor E.

Als kanttekening plaats ik hierbij dat de opslag zekerheid voor het C-sum verhoogd dient te worden met een bedrag van ƒ 90.000,- omdat de ‘retentiegoederen’ vooralsnog in opslag liggen in het nieuwe C-Sum van X.

In het initieel onderzoek, welke op de douanepost Reeweg opgestart wordt voor de voornoemde vergunningen, zal- mits er geen wijzigingen zijn opgetreden in het goederenpakket- als uitgangspunt gelden de zekerheden zoals die hieronder staan vermeld:

C-Sum opslag ƒ 230.000,- (= inclusief de retentiegoederen)

Vervoer zekerheid ƒ 400.000 (= documentenzekerheid inclusief vergunning TA)

Art. 362 zekerheid ƒ 250.000

totale zekerheid ƒ 880.000

Voor de volledigheid merk ik nog op dat de vergunningaanvraag voor het AGP apart behandeld wordt door team 5 van het douanedistrict Rotterdam. Het initieel onderzoek wordt door dit team gedaan.

De te stellen zekerheid voor de Accijns Goederenplaats wordt t.z.t. bepaald.

Hoogachtend,

Belastingdienst/Douane post P […]weg

Namens het hoofd van de Douanepost

F

c.c. dhr. G (team 4)”.

2.2.3. Bij faxbericht van 12 juli 2000, gericht aan de heer G van de Belastingdienst/Douane, district Rotterdam, team 4, heeft belanghebbende onder meer het volgende meegedeeld:

“Zoals afgesproken bevestigen wij hieronder de gemaakte afspraken tijdens onze bespreking op 5 juli 2000 met betrekking tot X B.V.

(…) Verdere afspraken die gemaakt zijn:

De heer F zal een briefje aan [advieskantoor] sturen, waarin hij aangeeft wat de zekerheid moet zijn die als borg moet worden gesteld voor de diverse gevraagde vergunningen.

NB De heer F heeft na afloop van de vergadering contact met ondergetekende opgenomen en meegedeeld dat de borg zoals die voor E (D) B.V. was berekend, moet worden verhoogd met NLG 90.000 voor het C sum, aangezien goederen in het entrepot C-sum zijn opgeslagen die door E (D) B.V. zijn vastgehouden en die niet in de berekening van de zekerheid van het C-sum zijn opgenomen.

(…)

Indien de vorenstaande weergave van onze afspraken onjuist is, verzoeken wij u contact met ons op te nemen, zodat een en ander kan worden gecorrigeerd.”

2.2.4. Op 23 augustus 2000 heeft de douane een onderzoek ingesteld inzake de aanvraag door belanghebbende van de vergunningen ‘douane–entrepot type C, ‘toegelaten afzender’, ’toegelaten geadresseerde’’en ‘toegelaten douane-expediteur.

De tekst van het onderzoeksrapport luidt, voorzover van belang, als volgt:

“(…).

7.2. Voorstel opslagzekerheid

Voordat gebruik gemaakt kan worden van de vergunning douane-entrepot type-C (sum) dient een bedrag van fl. 230.000,-- aan zekerheid te worden gesteld. (inclusief f 90.000 zekerheid voor retentiegoederen).

8. Standpunt douane

8.1. Conclusie

De vergunningen douane-entrepot type-C (sum), toegelaten geadresseerde, toegelaten afzender T1 en toegelaten douane-expediteur kunnen, indien er voldoende zekerheid is gesteld, worden afgegeven.”

2.3. Op 18 februari 2003 heeft de douane over de periode juli 2000 tot en met november 2002 een administratieve controle uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften en de naleving van de voorschriften van de volgende vergunningen: entrepot type C, toegelaten geadresseerde en toegelaten afzender.

De bevindingen uit het controlerapport luiden, voorzover van belang:

(…)

1.9. Verloop onderzoek

De heer I was het aanspreekpunt tijdens de controle. De medewerking was goed. Tijdens de controle vertelt de heer I dat er in het entrepot nog grote partijen zijn opgeslagen, waarvan de oorsprong voor hem onbekend is.

Daarom hebben we besloten een inventarisatie op de hoogbelaste goederen te houden. Deze inventarisatie heeft plaatsgevonden op de datum 10-12-2002

4. Bevindingen

4.1. Opslag

De volgende verschillen zijn bij de inventarisatie geconstateerd.

(…).

“Er is sprake van vermis, omdat bij de inventarisatie deze goederen niet in het entrepot aanwezig zijn.

Vermis heeft twee gevolgen:

1 Het niet of onvolledig aanzuiveren van het stelsel van douane-entrepot leidt tot een vermis in entrepot.

Bij zo’n vermis beloopt de entreposeur een administratieve boete (art. 39 Douanewet).

2. De rechten bij invoer worden alsnog verschuldigd (art. 203 en 204 CDW).

Er is sprake van overmaat, omdat bij de inventarisatie meer goederen aanwezig zijn dan uit de aangifte/documenten c.q. administratie blijkt.

Overmaat heeft tot gevolg:

1 Indien in een douane-entrepot een overmaat wordt vastgesteld, worden de te veel bevonden goederen geacht onder het stelsel van douane-entrepots te zijn geplaatst (art. 28 Douanebesluit). Deze goederen dienen derhalve nog in de voorraadadministratie van het entrepot te worden opgenomen.

Volgens de heer I, dateren deze verschillen uit de periode dat de vorige beheerder van het entrepot (E B.V.), nog verantwoordelijk was voor de voorraad. Doch bij de overname is een door beide partijen getekende overeenkomst opgesteld, waarin bepaald is dat de eindvoorraad van E de beginvoorraad van de administratie van X is. Hierbij was een voorraadlijst gevoegd waarin tevens alle vermiste partijen waren opgenomen. Hieruit blijkt dat de verantwoordelijkheid van deze partijen is overgegaan op X.

Conclusie: 1 Per saldo blijft er een minderbevinding over van :

Overige alcoholhoudende dranken ad 100% 2608 liter

Wijn niet mousserend 8,6%-15% 27 liter

Bier Plato extractgehalte van 11 tot 15 1062 liter

Sigaretten 200.000 stuks

7 Recapitulatie van het onderzoek

7.1. Correcties

Het onderzoek geeft aanleiding tot de volgende fiscale correctie : € 56.151,00,

Wegens meer verschuldigdheid van accijns. Specificatie:

Tarief/hl per 10/12/2002 Vermis Na te heffen €

Ov alc prod ad 100% €1504,00/hl 26,08 hl 39.224,00

Wijn 8,5-15 €59,02/hl 0,27 hl 16,00

Bier 11-15 €25,11/hl 10,62 hl 267,00

Sigaretten €83,22 per 1000 st 200.000 st 16.644,00 56.151,00

Correctie voor overmaat maar geen verschuldigdheid van accijns. Specificatie:

Tarief/hl per 10/12/2002 Overmaat €

Ov alc prod ad 100% €1504,00 13,02 hl 19.582,00

7.2. Uitnodiging tot betaling

Op grond van art. 203 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 juncto art. 2 lid 2, letter a van de Douanewet is een douaneschuld ontstaan en bent u de rechten verschuldigd omdat u de verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder de vermiste goederen waren geplaatst, dient na te komen.

U ontvangt op korte termijn een UTB van € 56.151,00.

(…)”.

2.4. Op 20 februari 2003 heeft de inspecteur de in het onderzoeksrapport vermelde UTB ten bedrage van € 56.151,-- voor accijns aan belanghebbende uitgereikt.

Als rechtsbasis is in de UTB artikel 203 van het CDW vermeld.

2.5. Belanghebbende heeft bij brief van 25 februari 2003 bezwaar gemaakt tegen de uitnodiging tot betaling.

2.6. Op 21 december 2004 heeft de inspecteur het bezwaar inzake de uitnodiging tot betaling gedeeltelijk gegrond verklaard en de UTB (na verhoging met € 12,93) verminderd met € 36,10 tot € 56.127,83.

3. Het geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of de inspecteur belanghebbende terecht heeft uitgenodigd tot betaling van het onder 2.6. vermelde bedrag aan accijns.

3.2. De Douanekamer heeft voor de beslechting van het geschil mede in de beschouwingen betrokken Mededeling 42 uit het Besluit van 14 november 2002, nr. BCPP 2002/3027 M. De tekst hiervan luidt, voorzover van belang:

“Mededeling 42. Voorwaarden voor het salderen van meer- en minderbevindingen in accijnsgoederenplaats en inrichting voor verbruiksbelasting

(…)

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten

(…)

2.3. Arrest van de Hoge Raad

Op 23 december 1998 heeft de Hoge Raad der Nederlanden arrest gewezen waarin het oordeel is vervat dat, onder voorbehoud van een onbetwist deugdelijke administratie, een redelijke toepassing van de Wet meebrengt dat saldering van verschillen binnen groepen van accijnsgoederen die aan hetzelfde accijnstarief zijn onderworpen, geoorloofd is.

Naar het oordeel van de Hoge Raad dienen, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, voor de beoordeling of sprake kan zijn van saldering van een vermis met een meerbevinding alle accijnsgoederen, voor zover aan hetzelfde accijnstarief onderworpen, in de vergelijking te worden betrokken. Indien belanghebbende een deugdelijke administratie voert kan van hem niet worden verlangd dat hij de oorzaken van de verschillen aangeeft, nu het bij vermis altijd gaat om verschillen die uitsluitend volgen uit die administratie en niet verklaarbaar zijn.

2.4. Voorwaarden voor toepassing van de saldering

2.4.1. Algemeen

Het arrest van de Hoge Raad betekent dat accijnsgoederen, die in een accijnsgoederenplaats worden vermist (dat wil zeggen dat de daadwerkelijk aanwezige voorraad lager is dan de administratieve voorraad), voor de toepassing van artikel 88, eerste lid, van de Wet op de accijns slechts worden aangemerkt als te zijn uitgeslagen nadat daarop in mindering is gebracht de hoeveelheid accijnsgoederen met hetzelfde accijnstarief waarvoor sprake is van een meerbevinding. De toepassing van de saldering is slechts mogelijk als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

1. Er is sprake van een onbetwist deugdelijke administratie

2. Er is sprake van accijnsgoederen met hetzelfde accijnstarief

3. Het betreft accijnsgoederen in kleinhandelsverpakking

4. De accijnsgoederen zijn opgeslagen op één kadastrale locatie

5. Het betreft accijnsgoederen van dezelfde eigenaar

6. Het betreft vermissen en meerbevindingen in de opslagfase

(…)”.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Met toestemming van de douane zijn communautaire accijnsgoederen opgeslagen in het entrepot type C van belanghebbende. Met de overgelegde correspondentie is aannemelijk gemaakt dat de toestemming daadwerkelijk is verleend.

4.2. Er is geen wettelijke basis voor de heffing van accijns. De in geding zijnde goederen zijn wel degelijk communautaire accijnsgoederen. Vóór de overdracht aan belanghebbende lagen deze opgeslagen in het AGP van UWR. De onderhavige goederen zijn communautaire accijnsgoederen die niet aan een douaneregeling zijn onttrokken. Het belastbare feit van artikel 203 van het CDW heeft zich niet voorgedaan. Er is daarom geen douaneschuld bij invoer ontstaan. De UTB is ten onrechte uitgereikt.

4.3. Ten aanzien van meer- en minderbevindingen is saldering mogelijk. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1998, nr. 34000 en mededeling 42 van de Staatssecretaris met nadere richtlijnen voor het salderen van meer- en minderbevindingen. De inspecteur dient de door belanghebbende overgelegde herberekening met betrekking tot de UTB te volgen en deze dienovereenkomstig te verlagen tot een bedrag van € 16.894,57.

4.4. Verzocht wordt om veroordeling van de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten op basis van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.5. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan het volgende toegevoegd.

- Ik was reeds bij het faillissement van E en de overdracht van goederen aan X betrokken. Ik ben bij het gehele proces aanwezig geweest. Ook was ik erbij toen de afspraken tussen belanghebbende en de douane, in de personen van de heer G, ontvanger, en de heer F, zijn gemaakt.

Het bedrijf E failleerde, er waren tientallen niet gezuiverde accijns geleidedocumenten. X wilde een deel van de activa overnemen. Er was echter geen tijd om de zaken op een fatsoenlijke wijze te regelen. We wilden een AGP en een entrepotvergunning hebben op naam van de eigenaar, een buitenlands bedrijf. Dit wilde de inspecteur echter niet toestaan. Er was een aantal partijen goederen (retentiegoederen) aanwezig die onder douaneverband moest blijven, terwijl de vergunning van de vorige eigenaar afliep. Wij hebben toen een verzoek gedaan de achtergebleven partijen accijnsgoederen in entrepot te mogen houden zonder accijnsheffing. De heer F heeft daarvoor door de tijdsdruk toen niet schriftelijk maar wel mondeling toestemming verleend. Hij gaf aan dat we er later op terug zouden komen. De douanevergunning van belanghebbende nam een aanvang op de dag dat de voorgaande vergunning eindigde. De goederen zijn op dat moment automatisch met alle rechten en verplichtingen door belanghebbende overgenomen. De zaak is voor E toen afgewikkeld. Twee tot drie jaar later volgde een douanecontrole bij X. De douane is toen op de retentiegoederen attent gemaakt.

Uiteindelijk is op de aanvraag voor een AGP-vergunning nooit beslist.

- Ik heb de inspecteur gevraagd de heer F opnieuw te benaderen om zijn zienswijze te geven.

- De herberekening is als volgt totstandgekomen. Het betreft hier goederen met één tarief. Er is in de tellijst van de douane een aantal telfouten gemaakt. Daarnaast is een aantal goederen reeds weggevoerd. De documentatie hiervan is aan de inspecteur overgelegd.

- De uitspraak van de Douanekamer is ook van toepassing op de nog aangehouden procedure inzake een aanvullende UTB voor douanerechten ten bedrage van € 1.728,-.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Er is geen sprake van toestemming van de douane om accijnsgoederen uit de AGP van UWR op te slaan in het entrepot C van belanghebbende. De door belanghebbende hiervoor aangedragen correspondentie overtuigt niet.

5.2. Belanghebbende is nooit in het bezit geweest van een AGP-vergunning. Dit heeft tot gevolg dat er naar aanleiding van de controle in het entrepot type C van UWR terecht een UTB is opgelegd.

5.3. Het betreft een entrepot type C. Het is niet mogelijk mededeling 42 van het boekwerk accijns toe te passen zodat saldering van meer- en minderbevindingen niet is toegestaan. Het door belanghebbende onder 4.3. vermelde arrest van de Hoge Raad en mededeling 42 van de Staatssecretaris kunnen slechts van toepassing zijn bij meer- en minderbevindingen van accijnsgoederen in een AGP.

5.4. De door belanghebbende overgelegde bescheiden ter herberekening van de UTB kunnen niet dienen om de UTB te verlagen. Daartoe moet douanedocumentatie worden overgelegd.

5.5. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan het volgende toegevoegd.

- Er is nooit toestemming door de douane verleend. Ik heb geen commentaar op hetgeen op de douane-eenheid heeft plaatsgevonden. De heer F is niet meer werkzaam bij de douane. Mij zijn geen schriftelijke stukken van zijn standpunt in deze zaak bekend. De heer G is door mij wel geraadpleegd.

- Indien belanghebbende aantoont dat inderdaad toestemming is verleend door genoemde heer F dan verliezen de in mijn verweerschrift hierop betrekking hebbende stellingen aan gewicht.

- Ik ben akkoord met de herberekening van de UTB door belanghebbende.

- De meervermelde uitspraak van de Hoge Raad is in zoverre te volgen dat entrepot en AGP van elkaar verschillen, maar dat de wijze van heffing in essentie dezelfde is. Het gaat in de onderhavige zaak om goederen met hetzelfde accijnstarief.

6. De rechtsoverwegingen

6.1.1. Op grond van artikel 98 van het CDW kunnen in douane-entrepot worden opgeslagen:

a) niet-communautaire goederen, zonder dat deze aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;

b) communautaire goederen waarvoor specifieke communautaire wetgeving, wegens plaatsing in een douane-entrepot, voorziet in maatregelen die in beginsel aan de uitvoer van goederen zijn verbonden.

6.1.2. Ingevolge artikel 106, eerste lid, letter a, van het CDW kunnen de douane-autoriteiten, bij een economische behoefte en mits het douanetoezicht er niet door in het gedrang komt, toestaan dat andere communautaire goederen dan die bedoeld in artikel 98, lid 1, onder b, in de ruimten van het douane-entrepot worden opgeslagen.

6.1.3. Op grond van artikel 27 van het Douanebesluit worden accijnsgoederen slechts onder het stelsel van douane-entrepots geplaatst voorzover de Wet op de accijns daarin voorziet. Een wijziging in de administratie van een douane-entrepot, waardoor de wijze van toezicht op het douane-entrepot wordt beïnvloed, mag op grond van artikel 29 van het Douanebesluit pas worden aangebracht na verkregen goedkeuring van de inspecteur.

6.2. Het in artikel 203, eerste lid, van het douanewetboek vermelde begrip onttrekking aan het douanetoezicht moet volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden opgevat als elke handeling of elk nalaten als gevolg waarvan de bevoegde douaneautoriteiten de toegang wordt belemmerd tot onder toezicht staande goederen en wordt belet de in artikel 37, lid 1 van het douanewetboek bedoelde controles uit te voeren (arresten van 1 februari 2001, D. Wandel, C-66/99, Jurispr. blz I-873, en 11 juli 2002, Liberexim, C-371/99, Jurispr. blz I-6227). De fysieke afwezigheid van de goederen wordt door het Hof van Justitie aangemerkt als een der objectieve voorwaarden om van een onttrekking te kunnen spreken (arrest Wandel, punt 48).

6.3. Naar het oordeel van de Douanekamer is een vermenging van goederen met een verschillende status ontstaan tijdens belanghebbendes overname van de goederen van E. Blijkens de uitgebreide, hiervoor in rubriek 2 ten dele weergegeven, correspondentie van (de adviseur van ) belanghebbende met de douane, was de douane bij deze overname zeer nauw betrokken.

Telkenmale is nadrukkelijk gesproken over vastgehouden goederen oftewel “retentiegoederen” en de herkomst daarvan, zowel in de stukken van belanghebbende (zie bijvoorbeeld sub 2.2.3. hiervoor) als in die van de inspecteur (zie bijvoorbeeld sub 2.2.4.).

Uit de feiten en uit het onderzoek ter zitting is tevens komen vast te staan dat er ook uitvoerig mondeling overleg is geweest tussen belanghebbende en de inspecteur.

6.4. De feitelijke situatie zoals die uit het geheel van de contacten die partijen met elkaar hebben gehad met betrekking tot de goederen die zij als “retentiegoederen” hebben aangeduid, rechtvaardigt, bezien tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie, niet de conclusie dat die goederen aan het toezicht van de Douane zijn onttrokken, in de zin van artikel 203, eerste lid, van het CDW. Belanghebbende is derhalve ten onrechte aangewezen als schuldenaar op grond van het vierde lid van genoemd artikel.

6.5. Uit een herberekening van belanghebbende volgt dat zij – bij nadere bestudering van de voorraadtelling die heeft plaatsgevonden – van mening is dat een UTB van € 16.894,57 aan accijns met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1998, nr. 34.000, had moeten worden uitgereikt.

Ter zitting heeft de inspecteur gemeld dat hij met deze herberekening akkoord kan gaan.

De Douanekamer kan partijen hierin volgen, mede gelet op hetgeen sub 6.1. tot en met 6.4. is overwogen.

6.6. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is. De uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd, en de UTB moet worden verminderd tot € 16.894,57, waarbij artikel 201 van het CDW als nieuwe rechtsbasis heeft te gelden.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op .

2 (beroepschrift, verschijnen zitting) x 1,5 (gewicht) x € 322 (waarde per punt) = € 966.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- vermindert de UTB tot € 16.894,57;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 966, aan belanghebbende te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 6 augustus 2008 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mrs. A. Bijlsma en R.R. Winter, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.