Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD9739

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
23-001369-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof komt tot oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren. Het hof heeft daarbij bepaald dat de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel binnen een jaar na aanvang van die tenuitvoerlegging dient plaats te vinden en dat het openbaar ministerie het hof daarover zal berichten binnen 11 (elf) maanden na aanvang van die tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001369-08

datum uitspraak: 4 augustus 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-458001-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 5 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd.

De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van feit 1:

hij op 29 december 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelpand, perceel Middenweg 69, heeft weggenomen een gourmetschotel, waarde 20,09 euro, toebehorende aan Vomar B.V.;

ten aanzien van feit 3:

hij op 22 oktober 2007 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk dagverblijf 40 van politiebureau ’s-Gravesandeplein, toebehorende aan regiopolitie Amsterdam-Amstelland, heeft beschadigd door de muren te bekladden met zwarte strepen;

ten aanzien van feit 4:

hij op 22 oktober 2007 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [A], brigadier van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, dienstdoende bij Wijkteam ’s Gravesandeplein, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden: “Jij bent een homo. Ik kom je in het park wel tegen. Ik pijp jou nog wel. Jij bent een homo”;

ten aanzien van feit 6:

hij op 19 april 2007 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de opsporingsambtenaar van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, [B], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid en in het openbaar, in het Oosterpark ten aanhore van andere personen mondeling heeft toegevoegd de woorden: “Je bent een flikker”.

Hetgeen onder 1, 3, 4 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte

diefstal;

ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen;

ten aanzien van het onder 4 en 6 bewezengeachte

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte -voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde- veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren. Ten aanzien van feit 4 en 6 heeft de rechtbank de verdachte geen straf of maatregel opgelegd. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, toegewezen de vordering van benadeelde partij Politie Amsterdam-Amstelland tot het bedrag van EUR 37,12 en de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte -voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde- zal worden veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren met een tussentijdse toetsing na 6 maanden. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ten aanzien van feit 4 en 6 geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van een politiecel door met zijn schoenen de muren van die cel te bekladden met zwarte strepen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte de politie overlast en schade berokkend. Voorts heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan het beledigen van een ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie. Zo heeft hij tijdens zijn verblijf in een politiecel, na de opdracht te hebben gekregen het dagverblijf, dat hij vervuild had, schoon te maken aan de dienstdoende verbalisant toegevoegd: “Jij bent een homo. Ik kom je in het park wel tegen. Ik pijp jou nog wel. Je bent een homo”. Het woord ‘homo’ binnen deze context, kan niet anders worden opgevat dan als een scheldwoord en is derhalve gebruikt met het opzet om te beledigen. De verbalisant heeft het woord ‘homo’ en de overige woorden als beledigend kunnen opvatten, omdat niemand behoeft te accepteren dat dergelijke woorden tegen hem worden geuit en in deze omstandigheden kwalificaties worden toegevoegd op een terrein dat behoort tot de persoonlijke integriteit, identiteit en levenssfeer. In het openbaar heeft de verdachte een andere verbalisant, terwijl hij agressief heeft lopen zwaaien met zijn armen, de term “flikker” toegevoegd. Ook deze woorden kunnen als beledigend worden opgevat en hebben de strekking de verbalisant in eer en goede naam aan te randen.

Het hof heeft onder meer kennis genomen van een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport van het Leger des Heils, van 13 februari 2008, opgemaakt door [C], rapporteur. Het hof heeft tevens kennis genomen van de aanvullende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd door mevrouw [D], werkzaam bij het Leger des Heils, reclassering. Het rapport houdt als conclusie en advies -zakelijk weergegeven- onder meer het navolgende in:

Betrokkenes confrontaties met justitie zijn in hoofdzaak te wijten aan diens langdurige alcoholproblematiek en gebrek aan intensieve hulpverlening, zoals bijvoorbeeld een klinische opname. Tevens spelen het niet hebben van een eigen onderdak en het ontbreken van een dagbesteding zoals werk en daarmee een eigen inkomen een rol. Wij schatten de kans op recidive derhalve in als hoog.

Betrokkene is geruime tijd bekend bij zowel justitie als de reclassering van het Leger des Heils in Amsterdam. In de loop der tijd zijn er een aantal voorlichtingsrapporten over hem uitgebracht met daarin even zovele hulpverleningsplannen. Helaas moet daarbij worden vastgesteld dat dit alles en ondanks goede bedoelingen wederzijds, slechts heeft geleid tot meerdere confrontaties van betrokkene met justitie en dat hij mede daardoor nu in aanmerking komt voor een eventuele ISD-maatregel. Betrokkene heeft qua hulpverlening een eigen plan opgesteld en onzes inziens is dit plan,

dat wij overigens slechts mochten inzien, niet afdoende om hem een goed en afdoend toekomstperspectief te bieden.

Indien het in deze strafzaak tot een veroordeling komt, zijn er onzes inziens geen contra-indicaties aanwezig om betrokkene in aanmerking te laten komen voor een ISD-maatregel. Invalshoek vanuit deze maatregel dient daarbij te zijn, dat betrokkene door middel van een langdurig en intensief afkick- en resocialisatietraject wordt voorbereid op een terugkeer in de samenleving.

Mevrouw [D] heeft het advies -namens [C]- ter terechtzitting gehandhaafd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat er geen ISD-maatregel aan de verdachte kan worden opgelegd nu een concreet behandelplan ontbreekt. De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en hem te schorsen uit de voorlopige hechtenis.

De verdachte heeft dit verzoek ondersteund en aan het hof een map overgelegd met daarin onder meer een omschrijving van datgene wat er moet gebeuren als hij in vrijheid zal worden gesteld.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt vast dat er in het verleden diverse pogingen zijn ondernomen om de verdachte met zijn problemen te helpen. Deze pogingen zijn echter keer op keer op niets uitgelopen. Van een behandelplan is algemeen bekend dat bewustwording van het probleem een van de eerste zaken is die aan de orde komt en aan bewustwording ontbreekt het bij betrokkene. Bovendien is het afbreken van een behandelplan geen beletsel de maatregel op te leggen. Op grond van het voorlichtingsrapport van [C], en de toelichting daarop van [D], is het hof van oordeel dat oplegging van de ISD-maatregel in de voorwaardelijke vorm onvoldoende waarborgen biedt voor een gunstige ontwikkeling. Hierbij is van groot belang dat de verdachte momenteel niet over een vast woonadres kan beschikken.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat een schorsing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde kan zijn nu daarvoor geen termen aanwezig zijn. Het belang dat is gediend met de voortzetting van de voorlopige hechtenis weegt in dit geval zwaarder dan de persoonlijke belangen van de verdachte.

Het hof heeft tevens kennis genomen van een zogenaamde ketenkaart veelplegers betreffende de verdachte van 9 juli 2008, alsmede van een formulier van het Centraal Justitieel Incasso Bureau van 25 juni 2008 waaruit blijkt dat de tegen de verdachte openstaande nog ten uitvoer te leggen straffen de vier maanden niet overschrijden.

De thans bewezengeachte feiten onder 1 en 3 betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juli 2008 in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten ten minste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidbenemende straf en die feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.

Op grond van vele veroordelingen wegens het plegen van geweldsmisdrijven en de persoon van de verdachte zoals gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting houdt het hof er ernstig rekening mee dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet op de aard van de door de verdachte veelvuldig gepleegde feiten eist de veiligheid van personen en goederen oplegging van de maatregel.

Nu wat betreft het bewezengeachte feit ook overigens aan de in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan, zal het hof gelasten dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders.

Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ter uitvoer te leggen. Daarom zal het hof de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en die tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Het hof ziet aanleiding te besluiten tot een tussentijdse beoordeling zoals hierna vermeld, waarbij de termijn niet op zes maanden zal worden gesteld, zoals gevorderd, omdat die termijn het hof te kort voorkomt.

Nu de ISD-maatregel wordt opgelegd, zal ten aanzien van het onder 4 en 6 bewezengeachte geen straf of maatregel worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38m, 38n, 267, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Vordering van de benadeelde partij Politie Amsterdam-Amstelland

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering erkend.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partij daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 3, 4 en 6 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde:

Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel binnen een jaar na aanvang van die tenuitvoerlegging en bepaalt dat het openbaar ministerie het hof daarover zal berichten binnen 11 (elf) maanden na aanvang van die tenuitvoerlegging.

ten aanzien van het onder 4 en 6 bewezenverklaarde:

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij Politie Amsterdam-Amstelland:

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.M. Verheul, mr. J.M.J. Chorus en mr. J.A.M. de Wit, in tegenwoordigheid van mr. E. Wiersma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 augustus 2008.