Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD9733

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
104.007.856
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing gezag na uithuisplaatsing van een kind dat 3 maanden na de geboorte uit huis is geplaatst afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 mei 2008

Familiekamer

Zaaknummer 104.007.856

Rekestnummer (oud) 1366/2007

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de moeder”,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Tilburg,

verweerder, verder te noemen “de raad”.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2007, uitgesproken onder zaaknummer / rekestnummer: 230701 / FA RK 07-2769 (ontheffing gezag).

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 30 oktober 2007, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verzoeken van de raad tot ontheffing van de moeder van het gezag over [het kind] en tot benoeming van de stichting Bureau Jeugdzorg (verder te noemen: de stichting) als voogdes over [het kind] af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 december 2007, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 6 maart 2008 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de moeder bijgestaan door mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder, advocaat te Amersfoort. Namens de raad is [...] verschenen en namens de stichting [...] en [...]. De vader [de vader] is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1 De moeder heeft een relatie gehad met [de vader], waaruit op [geboortedatum] 2003 [het kind] (verder te noemen: [het kind]) is geboren. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [het kind]. De vader heeft [het kind] erkend op 28 juli 2003.

3.2 [het kind] is bij beschikking van 30 september 2003 voorlopig onder toezicht gesteld met een machtiging tot uithuisplaatsing met benoeming van de stichting tot gezinsvoogdes.

3.3 Bij beschikking van 29 december 2003 is de moeder uit het gezag geschorst met benoeming van de stichting tot voogdes.

3.4 Bij beschikking van 7 april 2004 is een verzoek van de raad tot ontzetting van de moeder uit het gezag afgewezen onder gelijktijdig uitspreken van een ondertoezichtstelling waarbij de stichting als gezinsvoogdes is aangewezen.

De rechtbank achtte geen aanwijzingen aanwezig dat de moeder verantwoordelijk was voor de bovenbeenbreuk van [het kind].

Bij beschikking van voornoemde datum is de machtiging tot uithuisplaatsing gegeven.

Bij beschikking van 29 maart 2007 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing laatstelijk verlengd.

3.5 [het kind] verblijft sinds 1 oktober 2003 in een pleeggezin. Zij ontwikkelt goed en leeftijdsadequaat en is in het pleeggezin veilig gehecht.

3.6 De moeder vormt sinds 22 december 2006 samen met haar zoon [oudste kind], geboren op [geboortedatum] 1996, een gezin. De moeder en de vader hebben een turbulente relatie gekend. De vader hield hulpverlening af, kon dreigend reageren en feiten verdraaien. De moeder was enige tijd opgenomen in een alcoholkliniek. Na het uiteengaan van de ouders in januari 2005 heeft de moeder in een blijf-van-mijn-lijf-huis verbleven waar zij is behandeld voor alcoholverslaving en psychische problemen. In augustus 2005 heeft zij zich in een dubbeldiagnose kliniek laten opnemen voor behandeling van medicijnverslaving en psychiatrisch problematiek.

Na deze intramurale behandeling is zij onder begeleiding van een ambulante hulp zelfstandig gaan wonen in [woonplaats] waar haar familie ook woont. In december 2006 is [oudste kind], de zoon uit een eerdere relatie van de moeder, terug bij de moeder geplaatst.

3.7 Vanaf het moment waarop de ondertoezichtstelling werd uitgesproken vindt er éénmaal in de drie weken omgang tussen de ouder en [het kind] plaats. Op verzoek van de moeder heeft in de periode dat zij opgenomen was geen omgang plaatsgevonden.

De moeder heeft vanaf augustus 2007 éénmaal in de vier weken van 13.30 uur tot 15.30 uur omgang met [het kind].

De reden voor het terugbrengen van de omgangsfrequentie is dat beide ouders acceptatie dienen te vinden in de beslissing van de rechter om hen van het gezag te ontheffen. De contacten tussen [het kind] en de ouders verlopen redelijk goed.

3.8 De stichting heeft zich op 14 mei 2007 schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [het kind] te aanvaarden.

3.9 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 10 mei 2007, heeft de raad verzocht de moeder te ontheffen van het gezag over [het kind] en voorgesteld de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot voogdes te benoemen.

3.10 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [het kind] en de stichting tot voogdes benoemd over [het kind].

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:266 BW kan de rechtbank, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge artikel 1:268 lid 2 BW onder a leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.2 Vooropgesteld moet worden dat de verblijfplaats van [het kind] bij haar pleegouders in deze procedure niet ter discussie staat.

De vraag die voorligt is of, gelet op het belang van [het kind] en uitgaande van de situatie waarbij [het kind] bij de pleegouders verlijft, de vergaande maatregel van ontheffing, waarbij de ouder het gezag verliest omdat hij ongeschikt of onmachtig is de verzorging en opvoeding te vervullen moet worden uitgesproken of dat kan worden volstaan met de minder verstrekkende maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing waarbij het ouderlijk gezag slechts wordt beperkt.

4.3 De raad voert aan dat de maatregel van ontheffing nodig is om continuering van het verblijf van [het kind] in het pleeggezin te garanderen en om de noodzakelijke voorwaarden te waarborgen voor een verdere optimale hechtingsontwikkeling van [het kind], zoals veiligheid, zekerheid en continuïteit in de opvoeding. De raad acht de maatregel noodzakelijk om aan [het kind] duidelijkheid te bieden omtrent haar opvoedingsperspectief en continuering van haar verblijf in het pleeggezin. De raad acht dat mede noodzakelijk omdat de ouders vinden dat [het kind] bij haar moeder moet wonen, waardoor voor [het kind] de onzekerheid blijft bestaan. De raad ziet geen mogelijkheden voor terugkeer van [het kind] naar haar moeder vanwege ernstige zorgen omtrent de betrouwbaarheid en stabiliteit van moeders functioneren en haar leerbaarheid. Ter gelegenheid van de zitting heeft de raad daaraan toegevoegd dat het weliswaar beter gaat met moeder en dat haar oudste kind [oudste kind] weer bij haar woont en dat de verzorging met de begeleiding die moeder krijgt goed gaat, maar dat dat voor [het kind] geen maatstaf is. De raad voert aan dat [het kind] last heeft van de onrust rond de jaarlijkse verlengingen. De raad acht terugplaatsing voor [het kind] geen optie meer en daarom de maatregel van verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer aan de orde.

De stichting onderschrijft het verzoek van de raad. Zij geeft aan dat de moeder en [het kind] een goede relatie met elkaar hebben en dat de omgang onbegeleid plaatsvindt. De stichting tekent daarbij aan dat de moeder niet altijd op tijd haar afspraken nakomt en dat zij de stichting onjuist heeft geïnformeerd over de hulpverlening die zij krijgt.

4.4 De moeder wil graag voor [het kind] zorgen en verzet zich tegen een ontheffing. Zij heeft zich steeds verzet tegen de jaarlijkse uithuisplaatsing. Zij betwist dat [het kind] last heeft van de jaarlijkse procedure en zij geeft aan dat zij op dit moment aanvaart dat [het kind] in het pleeggezin verblijft.

4.5 Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [het kind] vanaf twee maanden na haar geboorte in het pleeggezin verblijft en belang heeft bij een ongestoorde voortgezette hechting in dat gezin niet noodgedwongen meebrengt dat de moeder uit het gezag moet worden ontheven.

De door de raad gestelde onrust rond de jaarlijkse verlengingen wordt door de moeder betwist en acht het hof onvoldoende onderbouwd. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat [het kind] last heeft van de jaarlijkse verlengingen en dat die verlengingen een ongestoord verblijf in het pleeggezin nadelig beïnvloeden. Het hof acht deze stelling te algemeen en niet in overeenstemming met de door de raad in zijn rapportage gestelde situatie dat [het kind] nadat er omgang heeft plaatsgevonden haar dagelijkse ritme weer snel oppakt.

4.6 Het hof acht evenmin gewenst dat een kind vanaf de geboorte tot aan het bereiken van de meerderjarigheid onder toezicht staat met steeds weer een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

In de onderhavige omstandigheden van het geval waarbij de moeder nimmer voor [het kind] heeft gezorgd is het de vraag of de moeder ook in de toekomst onmachtig of ongeschikt zal blijken te zijn om de opvoeding en verzorging van [het kind] op zich te nemen.

Het hof acht op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de moeder, hetgeen zij heeft meegemaakt en haar geringe leerbaarheid, de kans dat zij voor [het kind] kan gaan zorgen in de toekomst niet groot, maar die kans acht het hof op grond van de positieve ontwikkelingen die de moeder doormaakt op dit moment niet volledig uitgesloten.

Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat de positief veranderde situatie bij de moeder nog niet structureel is zoals door de stichting in het raadsrapport aangegeven en het feit dat in het raadsrapport de rol van de moeder niet altijd duidelijk is omdat er ook vaak over de ouders gesproken wordt.

4.7 Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat op dit moment het belang van [het kind] niet wordt geschaad als de moeder niet wordt ontheven uit het gezag en dat niet kan worden vastgesteld dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om op termijn de opvoedingstaken voor [het kind] op zich te nemen. Het hof zal het verzoek van de raad afwijzen.

4.8 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2007, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad strekkende tot ontheffing van het gezag van de moeder af;

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Vries Robbé- de Roy van Zuydewijn, Rijken en Van Ginhoven, bijgestaan door mr. Van Waterschoot als griffier, en is op 6 mei 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.