Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD9040

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
106.002.379/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL5447
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL5447
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM9615, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM9615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestaan van een van appellanten is dusdanig gemotiveerd betwist dat dit moest worden onderzocht. Op basis van uittreksel uit openbaar register kan worden aanvaard dat appellante een in het Vorstendom Lichtenstein gevestigde rechtspersoon is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [Appellant 1],

wonende te [woonplaats], [land],

2. [X], wonende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van lasthebber van [appellant 2],

wonende te Sao Paulo, Brazilië,

3. de rechtspersoon naar vreemd recht LAFRANCA STIFTUNG,

gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,

APPELLANTEN,

EISERS IN HET INCIDENT EX ARTIKEL 20 WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING,

VERWEERDERS IN DE INCIDENTEN TOT ZEKERHEIDSTELLING VOOR DE PROCESKOSTEN,

VERWEERDERS IN HET INCIDENT TOT VOEGING,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n

1. de naamloze vennootschap

FORWARD BUSINESS PARKS 2000 N.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

GEÏNTIMEERDE IN DE HOOFDZAAK,

EISERES IN HET INCIDENT TOT VOEGING,

EISERES IN HET INCIDENT TOT ZEKERHEIDSTELLING VOOR DE PROCESKOSTEN,

procureur: mr. T.R.B. de Greve,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHIPSHOL 2000 B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

GEÏNTIMEERDE IN DE HOOFDZAAK,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

3. [Geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats], [land],

GEÏNTIMEERDE IN DE HOOFDZAAK,

procureur: mr. J.W. van Rijswijk,

4. [Geïntimeerde 4],

laatstelijk wonende te [woonplaats], [land],

GEÏNTIMEERDE IN DE HOOFDZAAK,

EISER IN HET INCIDENT TOT ZEKERHEIDSTELLING VOOR DE PROCESKOSTEN,

VERWEERDER IN HET INCIDENT TOT VOEGING,

VERWEERDER IN HET INCIDENT EX ARTIKEL 20 WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING,

procureur: mr. C.F. Kroes,

5. [Geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE IN DE HOOFDZAAK,

EISER IN HET INCIDENT TOT ZEKERHEIDSTELLING VOOR DE PROCESKOSTEN,

VERWEERDER IN HET INCIDENT TOT VOEGING,

VERWEERDER IN HET INCIDENT EX ARTIKEL 20 WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING,

procureur: mr. C.F. Kroes.

1. Het (verdere) geding in hoger beroep

1.1 De partijen worden hierna opnieuw verkort aangeduid. Het hof zal de appellanten in de hoofdzaak afzonderlijk respectievelijk [appellant 1], Tan en Lafranca noemen en samen [appellanten]. De geïntimeerden in de hoofdzaak zal het hof afzonderlijk Forward, Chipshol, [geïntimeerde 3], [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] noemen en samen Forward c.s.

1.2 Het hof heeft op 29 november 2007 in de hoofdzaak een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst het hof naar dit arrest.

1.3 Daarna heeft Lafranca in de hoofdzaak een akte genomen en daarbij een productie in het geding gebracht.

1.4 Zowel Forward, Chipshol als [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] hebben daarop gereageerd met een antwoordakte. Forward heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, evenals [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]. Chipshol heeft haar standpunt dat Lafranca niet bestaat, gehandhaafd.

1.5 Tot slot hebben alle partijen in dit geding arrest gevraagd.

2. Verdere beoordeling van het hoger beroep in de hoofdzaak

2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 29 november 2007 heeft overwogen en beslist.

De door Forward genomen akte geeft het hof geen aanleiding om dit arrest toe te lichten of aan te vullen.

2.2 Lafranca wil van haar bestaan doen blijken door middel van een productie. Zij heeft in het geding gebracht een stuk dat het opschrift draagt “Öffentlichkeitsregister Liechtenstein – Hinterlegung”, welk stuk dateert van 13 december 2007 en wordt aangeduid met “Beglaubigter Auszug”.

In dat stuk wordt onder registernummer FL-0001.079.614-3 melding gemaakt van een “Stiftung” met de naam “Lafranca Stiftung” met zetel in “Vaduz” en “Repräsentanz/Zustell-adresse” “c/o JURICON TREUHAND ANSTALT [adres, postcode en plaats]”. Ten aanzien van deze “Stiftung” vermeldt dit stuk verder dat haar “Urkunde” van 27 november 1981 dateert alsmede dat haar “Verwaltung” in handen is van “[Y; adres, postcode en plaats]” met de hoedanigheid “Mitglied” van de “Stiftungsrat”.

2.3 Naar het oordeel van het hof kan in deze fase van het geding worden aanvaard dat Lafranca een in het Vorstendom Liechtenstein gevestigde rechtspersoon is.

Lafranca heeft met het door haar in het geding gebrachte stuk een bruikbaar aanknopingspunt aangeboden waaraan bewijs kan worden ontleend voor haar bestaan. Hetgeen Forward, Chipshol alsmede [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] daartegenover hebben aangevoerd is niet toereikend om voor een voldoende gemotiveerde betwisting van het bestaan van Lafranca door te gaan. In dit verband valt in het bijzonder op dat de feitelijke aanknopingspunten die het in het geding gebrachte stuk bood, verder niet in het debat over deze kwestie zijn betrokken. In het bijzonder geeft de betwisting geen aanleiding van Lafranca het bewijs te verlangen dat zij nog steeds bestaat.

Dat het door Lafranca geproduceerde bewijsstuk in het Duits is gesteld, maakt verder geen verschil.

2.4 Dat betekent dat al hetgeen in het tussenarrest in de hoofdzaak in de zaak tussen Lafranca en Forward c.s. is overwogen in de veronderstelling dat Lafranca bestaat, thans zijn in zover voorlopig karakter heeft verloren.

Lafranca heeft met geen van haar grieven I tot en met XXIV succes in het door haar ingestelde hoger beroep. Bewijslevering kan achterwege blijven, omdat er geen geschil bestaat over feiten die het oordeel van het hof anders kunnen doen uitvallen.

2.5 Grief XXV van [appellanten] is gericht tegen de (hoofdelijke) proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

Nu [appellanten] geen succes hebben met hun hoger beroep, dienen de proceskosten van de eerste aanleg voor hun rekening te blijven.

Onbestreden is verder gebleven dat [appellanten] de proceskosten van de eerste aanleg inmiddels hebben vergoed aan Forward c.s. Bezwaarlijk valt daarom thans in te zien, welk belang zij nog hebben bij een afzonderlijk onderzoek naar de vraag of zij hoofdelijk verbonden zijn tot vergoeding van de door Forward c.s. gemaakte proceskosten. Toelichting op grond waarvan daarover anders zou moeten worden gedacht, ontbreekt.

In de toelichting op grief XXV ontbreekt overigens enig aanknopingspunt voor de gedachte dat hoofdelijke veroordeling van [appellanten] onjuist zou zijn. Het bepaalde in artikel 6:6 Burgerlijk Wetboek kan daaraan niet in de weg staan, gelet op de uitzondering voorzien in het eerste lid van die bepaling en in aanmerking genomen de lijn die de Hoge Raad heeft uitgezet in zijn arrest van 17 maart 2000 (NJ 2000/353).

Ook ontbreekt in de toelichting op grief XXV een toereikende uiteenzetting waarom de door de rechtbank begrote bedragen onjuist zouden zijn. Gelet op het procesverloop en het procesbelang waarover partijen strijden, komen de door de rechtbank begrote bedragen bepaald niet aanstonds onjuist voor. Daarbij komt dat niet alleen een aantal vrijwaringsincidenten is uitgemond in een vonnis van 25 november 1998 waarbij vrijwaring is toegestaan, maar ook is op 6 maart 2002 vonnis gewezen in een incident tot desaveu.

Het had op de weg van [appellanten] gelegen om, beter dan zij gedaan hebben, uit te leggen waarom de rechtbank de proceskosten aan de zijde van hun wederpartijen te hoog heeft begroot. Het enkele feit dat in een of meer vrijwaringszaken nog geen vonnis is gewezen staat niet in de weg aan de kostenbegroting waarvoor de rechtbank koos. Daaruit volgt immers niet noodzakelijkerwijs dat de vrijwaringsincidenten nodeloos zijn opgeworpen.

Slotsom is dat ook grief XXV faalt.

3. Slotsom

3.1 Nu alle grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

3.2 [Appellanten] zijn in de hoofdzaak de in het ongelijk gestelde partij. Zij hebben in de hoofdzaak de kosten van het hoger beroep te dragen en zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van hun wederpartijen.

De kosten die waren gemoeid met het verzet tegen de vermeerdering van eis, zullen niet afzonderlijk worden begroot, omdat het verzet verworpen is (rolbeschikkingen 26 oktober 2006 en 11 januari 2007).

De proceskosten die waren gemoeid met het bij gelegenheid van de pleidooien in het geding brengen van aanvullende producties worden geacht samen te vallen met de voor de pleidooien te begroten proceskosten.

De proceskosten die waren gemoeid met het voortgezet debat over het bestaan van Lafranca zullen niet ten laste van [appellanten] worden gebracht, omdat het verweer van Forward, Chipshol alsmede [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] geen doel heeft getroffen.

3.3 De kosten van het door Forward opgeworpen incident tot voeging komen niet voor rekening van [appellanten], want deze incidentele vordering werd afgewezen (incidenteel arrest van 8 december 2005).

3.4 De kosten van het door [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] opgeworpen incident tot zekerheid voor de proceskosten, welke zekerheid is toegewezen (incidenteel arrest 8 december 2005), komen ten laste van [appellanten]

3.5 De kosten van de door [appellanten] ex artikel 20 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering tegen [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] ingestelde vordering, welke vordering werd afgewezen (incidenteel arrest 8 december 2005), komen niet voor afzonderlijke begroting in aanmerking. Zij worden geacht samen te vallen met de overige door [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] gemaakte kosten.

3.6 De kosten van het door Forward opgeworpen incident tot zekerheid voor de proceskosten, welke zekerheid is toegewezen (incidenteel arrest 29 juni 2006), komen ten laste van [appellanten]

3.7 De proceskosten zullen als volgt worden begroot:

- Forward: griffierecht € 291,- en salaris procureur 4,5 punten à tarief VIII,

- Chipshol: griffierecht € 291,- en salaris procureur 3 punten à tarief VIII,

- [geïntimeerde 3]: griffierecht € 291,- en salaris procureur 3 punten à tarief VIII,

- [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]: griffierecht € 291,- en salaris procureur 4 punten à tarief VIII.

Daaraan zij voor de goede orde nog toegevoegd dat Forward, Chipshol alsmede [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] in hun proceskostenbegrotingen ten onrechte ervan uitgaan dat door de griffier van dit hof een hoger griffierecht is bepaald.

3.8 Forward, Chipshol alsmede [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] hebben elk gevorderd dat de ten laste [appellanten] uit te spreken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

3. Beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak:

bekrachtigt het vonnis van 15 september 2004 waarvan beroep;

in de hoofdzaak en in de incidenten:

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep en begroot deze tot de dag van deze uitspraak aan de zijde

- van Forward op € 291,- voor verschotten en € 20.610,- voor salaris procureur,

- van Chipshol op € 291,- voor verschotten en € 13.740,- voor salaris procureur,

- van [geïntimeerde 3] op € 291,- voor verschotten en € 13.740,- voor salaris procureur,

- van [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] op € 291,- voor verschotten en € 18.320,- voor salaris procureur;

verklaart de kostenveroordelingen ten gunste van Forward, Chipshol, [geïntimeerde 3] alsmede [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, J.H. Huijzer en A.C. Faber en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2008 door de rolraadsheer.