Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD8713

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
106.006.449/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indirecte discriminatie bij inschaling wordt in beginsel gerepareerd door met vakbond overeengekomen regeling. In individuele gevallen kan toepassing daarvan leiden tot een te grote discrepantie tussen anciënniteit en beloning. Groepsactie is dan niet mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0493
RAR 2008, 113
JAR 2008, 217
JAR 2008/217
JAR 2009/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1.de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

VERENIGING FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Amsterdam,

2. [Appellante sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Appellante sub 3],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

procureur: mr. M.A.C. Vijn,

t e g e n

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. E.J. Henrichs.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Partijen zullen hierna worden aangeduid als FNV c.s. (appellanten gezamenlijk) of FNV, [appellante sub 2] en [appellante sub 3] respectievelijk KLM.

1.2 Bij exploot van 18 december 2003 zijn FNV c.s. in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (nader te noemen: de kantonrechter), onder rolnummer CV 02-18929 op 25 september 2003 tussen hen als eiseressen en KLM als gedaagde uitgesproken vonnis.

1.3 Bij memorie van grieven hebben FNV c.s. zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, hun eis gewijzigd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd als in die memorie staat vermeld.

1.4 Bij memorie van antwoord heeft KLM de door FNV c.s. geformuleerde grieven bestreden een en ander met conclusie als verwoord in die memorie.

1.5 Partijen hebben de zaak doen bepleiten door hun procureurs. Beiden hebben gepleit aan de hand van pleitnotities, die zijn overgelegd. KLM heeft daarbij bewijs aangeboden en haar is akte verleend van het in het geding brengen van nog een aantal producties.

1.6 Partijen hebben ten slotte arrest gevraagd op de processtukken van beide instanties. De inhoud van die stukken geldt als hier ingelast.

2. Grieven

Voor de inhoud van de door FNV c.s. geformuleerde grieven wordt verwezen naar de onder 1.3 genoemde memorie.

3. Feiten en behandeling van grief 1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.7) een aantal feiten vastgesteld. Omtrent deze feiten bestaat geen geschil zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Grief 1 klaagt erover dat de kantonrechter in zijn vonnis geen melding heeft gemaakt van de uitspraak van de Commissie gelijke behandeling in de zaak [Z]. De grief faalt alleen al omdat de kantonrechter alleen die feiten behoefde te vermelden die hij voor zijn beslissing van belang achtte. Op de beslissing van de Commissie gelijke behandeling in de zaak [Z] wordt in het hiernavolgende nog teruggekomen.

4. Beoordeling

4.1.1 FNV is een vakorganisatie in de zin van artikel 1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst. Het hof begrijp haar procespositie aldus dat zij beoogt zowel een vordering als bedoeld in artikel 3:305a BW in te stellen als namens de in de procedure met name genoemde leden op te treden. In eerste aanleg trad zij op namens 36 – in een productie bij de inleidende dagvaarding genoemde – van haar leden, die allen in dienst zijn (geweest) van KLM als cabinepersoneel (stewardess of (assistent) purser). Ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep hebben FNV c.s. te kennen gegeven dat tussen KLM en een aantal van die leden inmiddels een oplossing van het onderhavige geschil is bereikt en dat FNV de onderhavige procedure niet meer namens deze leden voert.

4.1.2 Op de arbeidsovereenkomsten tussen KLM en de leden voor wie FNV optreedt en [appellante sub 2] en [appellante sub 3] is de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Cabinepersoneel van toepassing (hierna: de cao), waarbij FNV geen partij is. De cao-onderhandelingen worden namens de werknemers gevoerd door de Vakbond voor Nederlands cabinepersoneel (VNC), van welke vakbond in 1999 ruim 90 procent van het bij KLM in dienst zijnde cabinepersoneel was aangesloten.

4.1.3 [Appellante sub 2] (geboren op […]1947) is sinds 8 februari 1984 als stewardess in vaste dienst bij KLM op parttime basis (50%). Voorafgaand aan haar indiensttreding heeft [appellante sub 2] van 13 april 1976 tot en met 7 februari 1984 op basis van een stand-by overeenkomst voor KLM als stewardess gewerkt.

4.1.4 [Appellante sub 3] (geboren op […] 1950) is sinds 1 juli 1993 als stewardess in vaste dienst bij KLM eveneens (met uitzondering van een aantal maanden in 1994, waarin zij fulltime heeft gewerkt) op parttime basis (laatstelijk 66,7%). Daaraan voorafgaand heeft zij vanaf mei 1977 als stewardess voor KLM gewerkt op basis van achtereenvolgens een seizoencontract voor vijf maanden (1 mei 1997 – 1 oktober 1977), een stand-by overeenkomst (1 oktober 1977 – 1 april 1979), een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van vijf jaar (1 april 1979 – 1 april 1984) en (nogmaals) een stand-by overeenkomst (1 juni 1984 – 1 juli 1993). In 1985 heeft zij haar werkzaamheden onderbroken wegens een zwangerschap.

4.1.5 Ook de werknemers voor wie FNV optreedt, hebben voorafgaand aan hun (parttime) dienstverband op basis van een stand-by overeenkomst werkzaamheden verricht. Tussen een aantal van hen en KLM heeft daar weer aan voorafgaand een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van vijf jaar bestaan. Tot 1977 sloot KLM met cabinepersoneel uitsluitend arbeidscontracten voor vijf jaar af. Van 1977 tot 1984 werden er arbeidscontracten voor onbepaalde tijd met cabinepersoneel afgesloten doch uitsluitend op fulltime basis. Vanaf 1984 heeft KLM parttime arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd met cabinepersoneel gesloten. De werknemers voor wie FNV optreedt zijn tussen 1984 en 1993 in vaste dienst gekomen.

4.1.6 Zowel de werknemers voor wie FNV optreedt als [appellante sub 2] en [appellante sub 3] zijn bij hun aanstelling in vaste dienst ingeschaald op het aanvangssalaris van schaal 2b van de cao. Het geschil tussen partijen betreft die inschaling, waarbij door KLM ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met de feitelijke werkervaring die door betrokkenen in de aan het vaste dienstverband voorafgaande jaren is verworven.

4.1.7 Drie ex-collega’s van betrokkenen, [X], [Y] en [Z] hebben zich tot de Commissie gelijke behandeling gewend, die bij uitspraken d.d. 15 januari 1997 als haar oordeel heeft uitgesproken dat KLM jegens hen indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7A:1637ij BW (hof: thans artikel 7:646 BW) zonder dat dit objectief gerechtvaardigd was en dat KLM derhalve in strijd met deze wettelijke bepaling heeft gehandeld door bij de overgang naar een deeltijdcontract de door hen eerder opgedane ervaring niet mee te wegen bij de voor de inschaling van belang zijnde anciënniteit en bij de voor promotie van belang zijnde senioriteit. De Commissie gelijke behandeling heeft in haar uitspraken KLM aanbevolen criteria op te stellen “aan de hand waarvan de door haar als relevant erkende werkervaring van stand-by’s wordt meegewogen bij de inschaling en promotie”.

4.1.8. Tussen KLM en VNC is naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling overleg gevoerd over een systeem aan de hand waarvan de voorervaring van cabinepersoneel bij de aanstelling in vaste dienst kon worden meegewogen. Dat overleg heeft in 1999 geresulteerd in een overeenkomst (hierna de Regeling) die – kort gezegd – inhoudt dat bij de inschaling en promotie van cabinepersoneel dat vanaf 1 juli 1999 in vaste dienst komt en daar aan voorafgaand op basis van een stand-by overeenkomst heeft gewerkt maximaal 2,5 jaar ervaring in aanmerking wordt genomen (een half jaar per ervaringsjaar met een maximum van vijf jaar). Voor tussen 1 januari 1988 en 1 juli 1999 in vaste dienst gekomen voormalige stand-by’s houdt de Regeling in dat deze medewerkers met terugwerkende kracht tot 1 juli 1999 opnieuw worden ingeschaald volgens de hiervoor weergegeven systematiek. Voormalige stand-by’s, die vóór 1 januari 1988 in vaste dienst zijn gekomen, zijn van de Regeling uitgesloten. Bij hen wordt werkervaring bij in vaste indiensttreding niet in aanmerking genomen.

4.1.9. [X] en [Y], met wie KLM in 1993 een vast dienstverband aanging, hebben naar aanleiding van de onder 4.1.7 genoemde uitspraak van de Commissie gelijke behandeling een procedure aanhangig gemaakt tegen KLM. In die procedure heeft de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 22 september 2004 in hoger beroep geoordeeld dat onverkorte toepassing van de Regeling, waarbij slechts vijf ervaringsjaren werden meegewogen (met een factor 0,5) geen recht deed aan de zeer ruime ervaringsjaren die [X] en [Y] hadden. De rechtbank achtte een beloning op basis van alle ervaringsjaren die [X] en [Y] hadden op basis van een factor 0,5 in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling en heeft de loonvorderingen van [X] en [Y] overeenkomstig dat uitgangspunt toegewezen.

4.2 FNV c.s. vorderen in deze procedure na wijziging (“aanpassing”) van hun eis in hoger beroep:

voor recht te verklaren dat

I het in strijd is met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 BW subsidiair met de bepalingen van goed werkgeverschap om de feitelijke ervaringsjaren van de ex stand-by medewerk(st)ers niet mee te tellen op de datum van indiensttreding in vast dienstverband;

II het in strijd is met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 BW om de betrokken ex stand-by medewerk(st)ers wiens arbeidsovereenkomst is aangevangen voor 31 december 1976 niet in te schalen in salarisschaal 2a van de cao en

III om onderbreking wegens zwangerschap- en bevallingsverlof op de ervaringsjaren in mindering te brengen;

en voorts om, uitvoerbaar bij voorraad, KLM te veroordelen tot IV herinschaling binnen één maand na betekening van dit arrest van de leden van FNV (met uitzondering van de in 4.1.1 bedoelde leden met wie een regeling is getroffen) en [appellante sub 2] en [appellante sub 3] op basis van de helft van hun feitelijk ervaringsjaren op basis van een stand-by overeenkomst en alle eerdere feitelijke fulltime ervaringsjaren met ingang van de datum van de aanvang van het vaste dienstverband, zulks op verbeurte van een dwangsom;

V nabetaling van loon vanaf 1 januari 1997 of zoveel eerder als stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden (waaronder (VII) voor [appellante sub 2] € 14.283,97 bruto over de periode maart 1996 tot en met december 2001 en (IX) voor [appellante sub 3] € 31.587,78 bruto over de periode 1 juli 1993 tot en met december 2001);

VI, VIII en X betaling van wettelijke verhoging en wettelijke rente als nader gespecificeerd in de pleitnota van de procureur van FNV c.s. in hoger beroep.

De kantonrechter heeft deze vorderingen, voor zover in eerste aanleg al aan de orde, afgewezen. Tegen deze beslissing en de gronden waarop deze berust, richten zich de grieven.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat KLM bij de inschaling van betrokkenen bij het tot stand komen van een vast dienstverband indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt zonder dat dit objectief gerechtvaardigd was in de zin van artikel 7:646 BW. Partijen zijn verdeeld over de vraag hoe de eerdere werkervaring van betrokkenen alsnog moet worden meegewogen bij de voor de inschaling van belang zijnde anciënniteit om het gemaakte (verboden) onderscheid te “repareren”. Het geschil tussen partijen betreft niet de plaatsing van betrokkenen op de volgordelijst voor promotie, naar zijdens FNV c.s. bij de pleidooien in hoger beroep uitdrukkelijk is bevestigd.

4.4 FNV c.s. hebben hun eis bij repliek in eerste aanleg aangevuld met de vordering voor recht te verklaren dat het in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 BW is om voormalige stand-by medewerksters wiens arbeidsovereenkomst is aangevangen voor 31 december 1976 niet in te schalen in salarisschaal 2a van de cao. Zij zijn bij indiensttreding ingeschaald in de (lagere) salarisschaal 2b van de cao, welke schaal werd toegepast op al het cabinepersoneel dat na 31 december 1976 als steward(ess) in dienst trad van bij KLM of werd bevorderd tot assistent purser. KLM heeft tegen die eiswijziging bezwaar gemaakt en bij conclusie van dupliek in eerste aanleg en bij memorie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter heeft beslist dat de vordering van FNV c.s. ter zake van de inschaling in salarisschaal 2a was verjaard en dat het recht om inschaling in schaal 2a te vorderen in ieder geval was verwerkt. Tegen die beslissing richt zich grief 2. Die grief is op zichzelf gegrond. Partijen zijn het erover eens dat een gedeelte van de loonvordering van alle betrokkenen (het gedeelte dat betrekking heeft op loon verschuldigd vóór 1 januari 1997 of zoveel eerder als de verjaring is gestuit) is verjaard. Dat betekent evenwel niet dat betrokkenen ook geen recht meer zouden hebben de hoogte van het hen toekomende salaris (over de periode dat navordering kan plaatsvinden) aan de orde te stellen. Betrokkenen hebben, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, hun recht alsnog inschaling in salarisschaal 2a te vorderen ook niet verwerkt. Op geen enkel moment hebben betrokkenen bij KLM het vertrouwen gewekt dat zij de onderhavige vordering niet meer zouden instellen. Gesteld noch gebleken is voorts dat de (bewijs)positie van KLM onredelijk is verzwaard. Ook overigens heeft KLM geen omstandigheden gesteld of gebleken die tot de slotsom kunnen leiden dat sprake is van rechtsverwerking.

4.5 FNV c.s. hebben ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep verzocht met betrekking tot dit onderdeel van het geschil een nadere onderbouwing te mogen geven. KLM heeft zich tegen inwilliging van dit verzoek niet verzet. Partijen (eerst FNV c.s. en vervolgens KLM) zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij aanvullende memorie nader over de 2a/2b problematiek uit te laten. Iedere verdere beslissing op dit punt wordt aangehouden.

4.6 Met grief 3 stellen FNV c.s. het oordeel van de kantonrechter aan de orde dat [appellante sub 3] haar recht heeft verwerkt op te komen tegen het door KLM niet als voorervaring in aanmerking nemen van de tijd dat zij (in 1985) in verband met zwangerschap geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht. KLM heeft zich in hoger beroep niet langer verzet tegen het in aanmerking nemen van de tijd dat niet gewerkt werd wegens zwangerschap, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft en de op dit punt gevorderde verklaring voor recht op zichzelf toewijsbaar is.

4.7 FNV c.s. vorderden in eerste aanleg (onder – na vernummering – III) herinschaling met ingang van de datum dat het vaste dienstverband een aanvang nam, primair op basis van het feitelijk gewerkte aantal jaren voorafgaand aan indiensttreding, subsidiair op basis van de helft van het aantal feitelijke dienstjaren tijdens de periode van werken op stand-by basis en op basis van alle feitelijke fulltime-jaren en meer subsidiair op basis van de helft van de feitelijke ervaringsjaren met een maximum van 2,5 ervaringsjaar met ingang van de datum van ingang van hun vaste dienstverband. Hun primaire en meer subsidiaire vordering hebben zij in appel niet gehandhaafd. Zij stellen ter onderbouwing van hun subsidiare vordering dat KLM zich ten onrechte beroept op de Regeling en hen slechts overeenkomstig die overeenkomst wil herinschalen. Een dergelijke overeenkomst kan, zo voeren zij aan, de wettelijke bepalingen inzake gelijke behandeling niet terzijde schuiven. Om die reden heeft de kantonrechter ook ten onrechte overwogen dat hij de inhoud van de door KLM gehanteerde beleidslijn (de overeenkomst met VNC) slechts marginaal kan toetsen, aldus FNV c.s. Tegen deze overweging richt zich grief 4. Het hof overweegt als volgt.

4.6 Beoordeeld moet worden of de wijze waarop KLM haar inschalingsbeleid bij het in vaste dienst nemen van cabinepersoneel dat voorafgaande aan dat vaste dienstverband op basis van een stand-by overeenkomst werkervaring had opgedaan (in sommige gevallen nog voorafgegaan door een dienstverband voor bepaalde tijd), welk inschalingsbeleid in strijd was met de wettelijke bepalingen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zodanig heeft gerepareerd dat het indirecte onderscheid genoegzaam ongedaan is gemaakt.

4.7 KLM stelt zich op het standpunt dat de met VNC getroffen Regeling het door haar gemaakte onderscheid genoegzaam ongedaan gemaakt is. Zij stelt dat zij door de Commissie gelijke behandeling en de kantonrechter is aangespoord een collectieve regeling te treffen en dat VNC een representatieve vakvereniging is, waarbij ten tijde van het tot stand komen van de Regeling meer dan 90% van het cabinepersoneel was aangesloten. Zij voert verder aan dat gekozen is voor een systeem van een forfaitaire benadering aan de hand van ervaringsjaren omdat het ondoenlijk was voor alle personeelsleden voor wie de overeenkomst zou gelden de voorervaring juist te waarderen. Die voorervaring is niet alleen afhankelijk van het aantal gevlogen uren maar ook van de veroudering van de ervaring. In de Regeling is gekozen voor een relatief hoge waardering van de ervaringsjaren – veel van degenen op wie de Regeling van toepassing was vlogen aanzienlijk minder dan 50% van het aantal vlieguren dat iemand met een fulltime dienstverband maakt – maar daar staat tegenover dat slechts vijf jaar ervaring, opgedaan in de laatste tien jaar, in aanmerking wordt genomen, aldus KLM.

4.8 Op zichzelf is het treffen van een collectieve regeling een doelmatig middel om het indirecte onderscheid dat KLM bij de inschaling van betrokkenen heeft gemaakt te repareren. KLM en VNC hadden belang bij een systeem, waarbij de ervaring opgedaan tijdens de periode dat op basis van een stand-by overeenkomst was gewerkt, bij de inschaling in aanmerking zou worden genomen zonder dat die voorervaring voor iedere belanghebbende afzonderlijk specifiek zou moeten worden gewaardeerd, hetgeen – zo al mogelijk - niet alleen uiterst ingewikkeld zou zijn geweest maar ook zou leiden tot beoordelingsgeschillen. Het treffen van een regeling was ook door de Commissie gelijke behandeling aanbevolen. Als vertegenwoordigster van ruim negentig procent van het cabinepersoneel was VNC voor KLM de meest geëigende partij om een overeenkomst als de onderhavige mee te sluiten. Het feit dat de partijen bij de Regeling met die overeenkomst beoogden de normen voor gelijke behandeling “in te vullen” brengt ook mee dat aan die “invulling” een belangrijke betekenis toekomt. Het bereikte resultaat valt, mede in het licht van hetgeen KLM heeft gesteld omtrent de wijze waarop de betrokken belangen zijn gewogen, op zichzelf te billijken. Vanwege het noodzakelijke compromiskarakter van de Regeling is onvermijdelijk dat sommige betrokkenen meer gebaat kunnen zijn geweest bij een strikt individuele benadering. Dat maakt toepassing van de regeling ten opzichte van diegenen echter niet per definitie onredelijk. Een en ander brengt mee dat, hoewel FNV c.s. bij het tot stand komen van de Regeling niet waren betrokken, toepassing van de Regeling in beginsel de indirecte discriminatie, die bij de inschaling van betrokkenen bij het aangaan van een vast dienstverband heeft plaats gevonden, repareert tenzij toepassing van de Regeling in individuele gevallen tot een te grote discrepantie leidt tussen de jaren dat betrokkene voor KLM heeft gewerkt en de intensiteit van die werkzaamheden enerzijds en de inbouw van anciënniteit in het salaris conform de Regeling anderzijds. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien de desbetreffende werknemer onmiddellijk voorafgaand aan het vaste dienstverband op regelmatige basis (derhalve zonder onderbrekingen van meer dan incidentele aard) langjarig substantiële werkzaamheden voor KLM heeft verricht.

4.9 KLM heeft ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep overzichten in het geding gebracht van door [appellante sub 2] en [appellante sub 3] in de jaren voordat zij in vaste dienst kwamen gemaakte vlieguren ([appellante sub 2] 15 mei 1976 – 7 februari 1984; [appellante sub 3] 31 mei 1984 t/m 30 september 1984 en 1988 t/m 30 juni 1993, van de tussenliggende periode zijn volgens KLM geen gegevens beschikbaar). [Appellante sub 2] en [appellante sub 3] hebben de juistheid van deze gegevens niet betwist.

4.10 Uit de gegevens blijkt dat [appellante sub 2] in de bijna acht jaar dat zij op stand-by basis heeft gewerkt voordat zij op 8 februari 1984 in vaste dienst trad, een intensieve en regelmatige werkervaring heeft opgedaan en gemiddeld 24.02 uur per maand heeft gevlogen, hetgeen substantieel is uitgaande van het aantal vlieguren dat iemand die parttime (voor 50%) in vaste dienst is gemiddeld maakt, te weten 25.83 uur. Dat betekent dat toepassing van de Regeling in het geval van [appellante sub 2] tot te grote discrepantie leidt tussen de jaren dat [appellante sub 2] op basis van een stand-by contract heeft gewerkt en de intensiteit waarmee zij dat heeft gedaan en inschaling conform de Regeling. Nu zij vóór 1 januari 1988 in vaste dienst is gekomen wordt haar relevante vliegervaring als stand-by stewardess bij toepassing van de Regeling in het geheel niet in aanmerking genomen. Dat is in haar geval niet meer proportioneel te achten. Ook limitering tot vijf ervaringsjaren volstaat niet in het geval van [appellante sub 2]. Gelet op het vorenstaande acht het hof een beloning van [appellante sub 2] bij de aanvang van haar vaste dienstverband op basis van de acht ervaringsjaren van haar stand-by contract met een factor 0,5 in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling, hetgeen neerkomt op inschaling per 8 februari 1984 met vier anciënniteitsjaren. KLM zal in de gelegenheid worden gesteld bij de harerzijds nog te nemen aanvullende memorie een loonberekening met in achtneming van het vorengaande over te leggen, waarop FNV c.s. bij akte zullen kunnen reageren.

4.11 [Appellante sub 3] heeft in de jaren voorafgaand aan haar vaste dienstverband ingaande 1 juli 1993 volgens genoemde berekening gemiddeld 18.03 uur per maand gevlogen en in de laatste vijf jaar voorafgaand aan 1 juli 1993 respectievelijk 14.88, 16.46, 13.36, 25.53 en 26.90 uur. Zij heeft daarmee niet voorafgaand aan haar vaste dienstverband langjarig ononderbroken dermate substantiële en intensieve werkzaamheden voor KLM verricht dat bij de aanvang van haar vaste dienstverband dient te worden afgeweken van de Regeling op grond waarvan KLM haar 2,5 ervaringsjaren toekende. Met die toekenning is het onderscheid naar geslacht genoegzaam opgeheven.

4.12 Of met betrekking tot de leden voor wie FNV in deze procedure optreedt het toekennen van ervaringsjaren conform de Regeling tot te grote discrepantie leidt, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Daarvoor is de door FNV ingestelde collectieve actie niet geschikt. Toewijzing van het in algemene termen geformuleerde petitum is (met uitzondering van de vordering sub III, strekkende tot een verklaring voor recht dat het in strijd is met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 BW om de onderbreking wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof op de ervaringsjaren in mindering te brengen) daarom niet aan de orde.

4.13 Partijen zijn het erover eens dat de eventuele vorderingen van betrokkenen zijn verjaard, voor zover deze betrekking hebben op nabetaling van salaris verschuldigd over de periode vóór 1 maart 1997 of zoveel eerder als de verjaring is gestuit. De kantonrechter heeft op grond daarvan overwogen dat hij kan billijken dat de Regeling niet verder teruggaat dan 1988. Tegen die beslissing richt zich grief 5. Uit het vooroverwogene volgt dat de grief gegrond is. Ook diegenen die vóór 1 januari 1988 in vaste dienst zijn gekomen kunnen aanspraak maken op inschaling met in achtneming van hun voorervaring mits die onmiddellijk voorafgaand aan het vaste dienstverband is opgedaan en langjarig, regelmatig en substantieel is.

4.14 Grief 6 mist na het vorengaande zelfstandige betekenis en kan onbesproken blijven.

5. Conclusie en instructie

Partijen (eerst FNV c.s. en dan KLM) zullen in de gelegenheid worden gesteld om bij nadere memorie hun stellingen met betrekking tot de in overweging 4.5 besproken 2a/2b problematiek aan te vullen. KLM zal bij die gelegenheid tevens een loonberekening betreffende van [appellante sub 2] dienen te verschaffen conform het in overweging 4.8 besprokene. FNV zal op deze gegevens vervolgens bij akte kunnen reageren.

6. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 3 juli 2008 voor het nemen van een nadere memorie aan de zijde van FNV c.s.

bepaalt dat KLM vervolgens in de gelegenheid zal zijn een nadere memorie te nemen, waarna FNV c.s. nog op de bij die memorie in geding gebrachte gegevens kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, A.R. van de Veen en M.M.M. Tillema en is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2008 door de rolraadsheer.