Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD8279

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
07/00973
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6938, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is er recht bestaat op aftrek van omzetbelasting ter zake van diensten in het kader van het bodemonderzoek.

Het Hof overweegt dat aanspraak op aftrek van omzetbelasting bestaat indien belanghebbende aannemelijk maakt dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst inzake het bodemonderzoek het oogmerk had de grond, waarop dat onderzoek betrekking had, in de toekomst te leveren c.q. te exploiteren en dat zij het oogmerk had dit belast te doen. Voorts dient belanghebbende aannemelijk te maken dat alstoen redelijkerwijze te verwachten viel dat dat oogmerk te verwezenlijken was.

Belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt en heeft derhalve geen recht op aftrek.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/48.19 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 07/00973

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de maatschap [X],

gevestigd te [P],

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/7041 van de rechtbank Haarlem (de rechtbank) van 25 oktober 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft in haar aangifte omzetbelasting voor het tijdvak 1 december tot en met 31 december 2003 om teruggaaf van een bedrag groot € 34.150 verzocht. Na bezwaar tegen de weigering daarvan heeft de inspecteur bij uitspraak van 3 juni 2006 het bezwaar afgewezen. Daarop heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 oktober 2007, verzonden op 26 oktober 2007, het beroep onge-grond verklaard.

1.2. J.F.H.M. Knevels heeft als gemachtigde van belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak van de rechtbank. Het beroepschrift is gedagtekend 3 december 2007 en is op die datum ter griffie van het Hof ontvangen. Het beroepschrift is aangevuld bij brieven van 2 januari 2008 en 16 januari 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingezonden.

1.3. Ter zitting van 30 juni 2008 is verschenen de gemachtigde bij substitutie drs. S.A.P.M. van Es-van der Mast, vergezeld van [A] en namens de inspecteur A.H. Geerdinck, vergezeld van [P]. Een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is aan deze uitspraak gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

Het Hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld. Uit hetgeen in hoger beroep is aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat de rechtbank de feiten onjuist heeft vastgesteld.

Op grond van het verhandelde ter zitting voegt het Hof daaraan toe dat met betrekking tot de aan [de B.V.] verstrekte opdracht tot het verrichten van bodemonderzoek geen schriftelijk stuk is opgemaakt is en dat de aandelen van [de B.V.] voor 100% in handen zijn van [H].

2.2. Omvang van het geschil in hoger beroep

In geschil is of de ter zake van het bodemonderzoek door [de B.V.] aan belanghebbende in rekening gebrachte bedragen aan omzetbelasting tot een totaal van € 34.150 door belanghebbende in aftrek kunnen worden gebracht op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet).

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet kan worden aangemerkt. Daartoe is onder meer overwogen:

“5.2. Eiseres (Hof: belanghebbende) voert aan dat haar voornemen om economische activiteiten te verrichten, blijkt uit het oogmerk waarmee zij de koopovereenkomst heeft gesloten. Artikel 4, eerste lid, van de Zesde richtlijn (Richtlijn 77/388/EEG) bepaalt dat oogmerk en resultaat van een economische activiteit niet van belang zijn; het voornemen dient aan de hand van objectieve omstandigheden te worden onderbouwd. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat de BV het initiatief heeft genomen om de tuinders te benaderen en dat de BV heeft geprobeerd om een uiteindelijke koper te vinden. Niet is gebleken dat eiseres zelf enige activiteit heeft verricht om een koper voor de gronden te vinden en te voorkomen dat de in de koopovereenkomst neergelegde ontbindende voorwaarde van artikel 18, onderdeel b, zou intreden. Op grond van het feit dat de BV in haar correspondentie niet eiseres maar de tuinders heeft genoemd als haar cliënten, op grond van het belang van de tuinders bij de uiteindelijke levering van de gronden en op grond van de bepaling in de koopovereenkomst dat de verkoper - de tuinders - verplicht is de vergoeding voor de bemiddeling aan de BV te voldoen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de BV namens eiseres handelde. Feiten en objectieve omstandigheden die op het tegendeel wijzen, zijn gesteld noch gebleken. Alsdan is niet aannemelijk dat eiseres op enigerlei wijze betrokken is geweest bij economische activiteiten dan wel bij daarop voorbereidende werkzaamheden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres daarom niet worden aangemerkt als ondernemer zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting is vermeld.

2.5. Relevante bepalingen

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet is de belasting die de ondernemer in aftrek brengt – voor zover hier van belang – de belasting die in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, een en ander voor zover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet is de aftrek van voorbelasting uitgesloten indien - voor zover hier van belang - de goederen en diensten worden gebezigd ten behoeve van prestaties als zijn bedoeld in artikel 11 van de Wet.

2.6. Beoordeling van het hoger beroep

2.6.1. Tussen partijen is onder meer in geschil of en zo ja, in hoeverre de diensten in het kader van het bodemonderzoek, waarop de in geding zijnde belasting betrekking heeft, aan belanghebbende zijn verricht. De inspecteur stelt dat die diensten in elk geval niet alleen aan belanghebbende zijn verricht maar mede aan de elf eigenaren van de grond die voorwerp was van onderzoek. Het Hof zal eerst nagaan of, zo de diensten (mede) aan belanghebbende zijn verricht, zij aanspraak heeft op aftrek van de ter zake in rekening gebrachte belasting.

2.6.2. Het Hof stelt voorop dat de omstandigheid dat belanghebbende ten tijde van het sluiten van een overeenkomst inzake bodemonderzoek nog geen economische activiteiten had verricht er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de in geding zijnde omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de door belanghebbende beoogde transacties niet tot stand zijn gekomen, zodat uiteindelijk door belanghebbende geen enkele economische activiteit is verricht.

2.6.3. In een geval als het onderhavige kan belanghebbende aanspraak maken op aftrek van omzetbelasting indien zij aannemelijk maakt dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst inzake het bodemonderzoek het oogmerk had de grond, waarop dat onderzoek betrekking had, in de toekomst te leveren c.q. te exploiteren en dat zij het oogmerk had dit belast te doen. Voorts dient belanghebbende aannemelijk te maken dat alstoen redelijkerwijze te verwachten viel dat dit oogmerk te verwezenlijken was.

2.6.4. Uit hetgeen belanghebbende heeft gesteld omtrent de varianten met betrekking tot de afloop van projecten als de onderhavige leidt het Hof af dat belanghebbende de percelen grond niet zelf wenste te exploiteren, maar streefde naar een overdracht van die percelen aan een derde, hetzij door een rechtstreekse levering door de eigenaar/tuinder aan die derde, hetzij door een levering door de eigenaar/tuinder aan belanghebbende gevolgd door een levering door belanghebbende aan die derde. Belanghebbende stelt dat zij in die gevallen bouwterreinen als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Wet zou hebben geleverd. De inspecteur heeft in dit verband ter zitting herhaald dat sprake zou zijn geweest van vrijgestelde leveringen van de desbetreffende onroerende zaken en dat een belaste levering niet voor de hand lag.

2.6.5. Uit de tot de gedingstukken behorende ‘Koopovereenkomst cluster [‘X’}’ blijkt dat de door de eigenaren/tuinders aangeboden grond met glasopstanden bij levering als zodanig doorgaans zou zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Wet. In twee gevallen was de in die bepaling genoemde termijn van twee jaren nog niet verstreken. Dit betekent dat een belaste levering van deze onroerende zaken door belanghebbende zich slechts zal kunnen voordoen indien vóór die levering die zaken zodanig worden bewerkt dat er bouwterreinen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet ontstaan. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dit voor wat betreft de onderhavige onroerende zaken tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Het oogmerk van belanghebbende om uiteindelijk bouwterreinen te leveren wordt naar het oordeel van het Hof onvoldoende ondersteund door objectieve gegevens. Belanghebbende heeft niet kunnen aangeven dat en in hoeverre de omvorming van grond met glasopstallen in bouwterreinen in dit geval redelijkerwijs was te verwachten. Allereerst was onzeker of de gemeente medewerking zou verlenen aan de plannen van belanghebbende en derhalve of de beoogde transacties zouden kunnen worden gerealiseerd. Voorts was gelet op het onder 2.6.4. overwogene onzeker of er sprake zou zijn van een transactie door belanghebbende. Verder zou belanghebbende bij het realiseren van bouwterreinen in meerbedoelde zin afhankelijk zijn geweest van de medewerking van de eigenaren/tuinders en de wensen van kopers. Daarbij komt dat het slopen van glasopstallen als regel niet voldoende zou zijn geweest om een bouwterrein te doen ontstaan. Gelet op deze onzekerheden heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat destijds redelijkerwijze te verwachten viel dat het oogmerk bouwterreinen te leveren voor de in geding zijnde percelen grond met glasopstanden te verwezenlijken was.

2.6.6. Uit het onder 2.6.5. overwogene volgt dat belanghebbende de in geding zijnde omzetbelasting niet in aftrek kan brengen. Alsdan kan in het midden blijven de vraag of de desbetreffende diensten mede aan anderen dan belanghebbende zijn verricht.

2.7. Slotsom

Gelet op het vorenoverwogene dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd.

2.8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld op 17 juli 2008 door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en J.W. Zwemmer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier, en is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Bij ontstentenis van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste lid van de belastingkamer.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.