Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD6542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
106.011.422/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het bepaalde in artikel 103 lid 5 Wet op het Notarisambt (Wna) kan de kamer besluiten tot openbaarmaking van de maatregel van waarschuwing of berisping, indien enig door deze bepaling beschermd belang dat vordert. Op grond van artikel 107 lid 3 Wna is deze bepaling ook in hoger beroep toepasselijk.

In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat geen belang een openbaarmaking als hiervoor bedoeld rechtvaardigt. Weliswaar zijn de gedragingen van de oud-notaris en de kandidaat-notaris verwijtbaar, doch niet zodanig dat zij een dergelijke openbaarmaking van de beslissing zouden rechtvaardigen. Bovendien wordt de uitspraak van het hof – weliswaar geanonimiseerd – gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Het hof zal daarom het verzoek van klagers afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 3 juli 2008 in de zaak onder nummer 106.011.422/01 NOT van:

MR. [naam],

oud-notaris te [plaats],

MR. [naam],

kandidaat-notaris te [plaats],

APPELLANTEN,

gemachtigde: mr. P.E. Mazel,

tegen

1. MR. [naam],

2. MR. [naam]

3. IR. [naam]

allen wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN,

en de zaak onder nummer 106.011.449/01 NOT van:

1. MR. [naam],

2. MR. [naam]

3. IR.[naam]

allen wonende te [plaats],

APPELLANTEN,

tegen

MR. [naam],

oud-notaris te [plaats],

MR. [naam],

kandidaat-notaris te [plaats],

GEINTIMEERDEN,

gemachtigde: mr. P.E. Mazel.

1. Voeging van beide zaken in hoger beroep

De over en weer door partijen aangespannen procedures in hoger beroep tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 1 augustus 2007, zijn door het hof gevoegd daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en tussen dezelfde partijen aanhangig zijn die ook in eerste aanleg tegenover elkaar stonden.

2. Het verloop van de procedure in de gevoegde zaken

2.1. Van de zijde van appellanten in de zaak met nummer 106.011.422/01 NOT, verder te noemen de oud-notaris en de kandidaat-notaris, is bij een op 20 augustus 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld en van de zijde van appellanten in de zaak met rekestnummer 106.011.449/01 NOT, verder te noemen klagers, is bij een op 28 augustus 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift, eveneens tijdig hoger beroep ingesteld tegen de onder 1 genoemde beslissing van de kamer waarbij de klacht tegen de oud-notaris en de kandidaat- notaris gegrond is verklaard. Aan de oud-notaris is de maatregel van waarschuwing opgelegd, terwijl aan de kandidaat-notaris de maatregel van berisping is opgelegd.

2.2. In de zaak met rekestnummer 106.011.449/01 NOT is van de zijde van de oud-notaris en de kandidaat-notaris op 11 oktober 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. Van de zijde van klagers is op 20 november 2007 een aanvulling op het verzoekschrift ter griffie ingekomen. Van de zijde van de oud-notaris en de kandidaat-notaris is op 21 maart 2008 een gewaarmerkte verklaring van mevro[naam] ter griffie ingekomen, alsmede is op 27 maart 2008 een stelbriefje van de gemachtigde van de oud-notaris en de kandidaat-notaris ter griffie van het hof ingekomen.

2.3. De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 maart 2008. Verschenen zijn klagers, de oud-notaris, de kandidaat-notaris alsmede hun gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd.

3. De stukken van de gedingen

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

4. De feiten in beide zaken

4.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de beslissing van 1 augustus 2007 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat, behoudens het navolgende.

4.2. De oud-notaris stelt – kort gezegd – dat zijn kantoor op vrijdag 29 september 2006 wel bereikbaar was. Deze stelling zal het hof – indien nodig – bij zijn beoordeling van de klacht betrekken.

5. Het standpunt van klagers

5.1. De door klagers geuite klacht is drieledig:

a. klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij tot drie keer toe niet in staat is gebleken de inhoud van de conceptakten correct weer te geven voor het passeren daarvan op 2 oktober 2006, ondanks dat hem een voorbeeld tekst is aangereikt door klagers.

b. de oud-notaris wordt verweten dat hij bereikbaar diende te zijn voor klagers toen zijn aanwezigheid - in verband met de fouten in de concepten – vereist was. Doordat hij in gebreke is gebleven klagers correcte concepten toe te sturen is de oud-notaris zijn toezegging niet nagekomen en is hij tekort geschoten in zijn toezicht op de kandidaat-notaris; voorts verwijten klagers de oud-notaris dat hij bij het passeren op 2 oktober 2006 onnodige druk heeft uitgeoefend op klager sub 3 en zijn partner door het doornemen van de inhoud van de definitieve akte achterwege te laten omdat de verkopende partij zat te wachten;

c. de oud-notaris is zijn belofte om de afschriften van de gepasseerde akten in de maand oktober 2006 aan klagers toe te sturen niet nagekomen, nu deze afschriften eerst zijn ontvangen, na twee maal een herinnering per e-mail aan de kandidaat-notaris te hebben gestuurd, op 9 november 2006.

5.2. Ten slotte verzoeken klagers het hof te bepalen dat de maatregel die aan de kandidaat-notaris en de oud-notaris wordt opgelegd gepubliceerd zal worden in een regionaal dagblad en op de website www.rechtspraak.nl.

6. Het standpunt van de oud-notaris en de kandidaat-notaris

6.1. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben – gedeeltelijk – de stellingen van klagers betwist en hebben zich als volgt verweerd.

6.2. De kandidaat-notaris en de oud-notaris hebben erkend dat er bij het redigeren van de conceptakten fouten zijn gemaakt. Zij betreuren dit en hebben daarvoor hun excuses aangeboden aan klagers.

6.3. De oud-notaris heeft voorts betoogd dat hij voor klagers steeds bereikbaar is geweest, ook toen hij met het kantooruitstapje in Parijs was. In dat verband heeft de oud-notaris gewezen naar de gewaarmerkte verklaring van mevrouw [naam], waaruit is gebleken dat het kantoor de hele dag bereikbaar is geweest. Tevens heeft de oud-notaris naar voren gebracht dat hij klager sub 3 en zijn partner geenszins onder druk heeft gezet, maar dat hij juist het initiatief heeft genomen om een en ander in goede banen te leiden.

6.4. Met betrekking tot de toezending van de afschriften heeft de oud-notaris zich verweerd met de stelling dat hij de ‘de heer [naam] en zijn partner’ duidelijk heeft medegedeeld dat de afschriften binnen ongeveer vier weken verzonden zouden worden. De afschriften zijn op 7 november 2006 aan klagers verzonden.

7. De beoordeling

7.1.Het onderzoek in hoger beroep naar klachtonderdelen a en b, voor zover de kamer die wel heeft behandeld, heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt, behoudens ten aanzien van de opgelegde maatregel.

7.2. Door klagers is in hoger beroep met betrekking tot klachtonderdeel b aangevoerd dat de kamer niet heeft beslist op het subonderdeel dat door de notaris uitgeoefende druk is uitgeoefend op klager sub 3 en diens partner, om het doornemen van de concepten achterwege te laten. De beoordeling van dit gedeelte van de klacht heeft de kamer naar het oordeel van het hof ten onrechte in het midden gelaten, zodat het hof dit alsnog zal doen. Daarbij komt het hof tot de gevolgtrekking – gelet op de haaks op elkaar staande verklaringen van de oud-notaris enerzijds en de klagers anderzijds – dat de feitelijke gang van zaken niet kan worden vastgesteld, zodat de juistheid van de stellingen van klagers op dit punt niet kan worden vastgesteld.

7.3. Ook met betrekking tot het klachtonderdeel c voeren klagers in hoger beroep terecht aan dat het subonderdeel van de klacht waarmee zij de door hen gestelde te late toezending van de afschriften op het oog hebben, niet door de kamer is behandeld. Het hof zal deswege zulks alsnog doen.

7.4. Nu de notaris na het verlijden van de akten op 2 oktober 2006 de toezegging heeft gedaan dat de afschriften “binnen ongeveer vier weken” verzonden zou worden – welke toezegging in hoge mate overeenstemt met de stellingen klagers op dit punt – en de toezending feitelijk gerealiseerd is op 9 november 2006 – derhalve vijfeneenhalve week na het passeren van de akten – is het hof van oordeel dat deze overschrijving van de termijn niet zodanig is dat dit subonderdeel van de klacht gegrond moet worden verklaard. Daarbij is voorts van belang dat niet is gesteld, noch is gebleken welk belang zij hadden bij een strikt aanhouden van die termijn.

7.5. Het hof kan zich niet verenigen met de door de kamer opgelegde maatregel aan zowel de oud-notaris als aan de kandidaat-notaris. Het hof neemt daarbij in overweging dat het alleszins begrijpelijk is dat klagers zich geërgerd hebben aan de fouten in de conceptakten en de in hun ogen slechte bereikbaarheid van het notariskantoor. Dat neemt echter niet weg dat de maatregel van berisping zoals opgelegd aan de kandidaat-notaris in dat licht bezien een te zware maatregel is. Het hof acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Ook de maatregel zoals opgelegd aan de oud-notaris acht het hof te zwaar. In zijn geval kan met een gegrondverklaring van de desbetreffende klachtonderdelen worden volstaan, zonder oplegging van enige maatregel. Het hof zal – mede met het oog op de duidelijkheid – het dictum van de bestreden beslissing vernietigen en opnieuw vaststellen.

7.6. In dat verband dient ook het verzoek van klagers met betrekking tot de openbaarmaking van de maatregelen in een regionaal dagblad en op www.rechtspraak.nl beschouwd te worden. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 103 lid 5 Wet op het Notarisambt (Wna) kan de kamer besluiten tot openbaarmaking van de maatregel van waarschuwing of berisping, indien enig door deze bepaling beschermd belang dat vordert. Op grond van artikel 107 lid 3 Wna is deze bepaling ook in hoger beroep toepasselijk.

In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat geen belang een openbaarmaking als hiervoor bedoeld rechtvaardigt. Weliswaar zijn de gedragingen van de oud-notaris en de kandidaat-notaris verwijtbaar, doch niet zodanig dat zij een dergelijke openbaarmaking van de beslissing zouden rechtvaardigen. Bovendien wordt de uitspraak van het hof – weliswaar geanonimiseerd – gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Het hof zal daarom het verzoek van klagers afwijzen.

7.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

7.8. Het voorgaande leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

In de zaken met nummer 106.011.422/01 NOT en nummer 106.011.449/01 NOT:

- vernietigt de bestreden beslissing voor wat betreft het dictum, en, opnieuw recht doende:

- verklaart het klachtonderdeel onder a (ten aanzien van de kandidaat-notaris) en onder b (ten aanzien van de oud-notaris) gedeeltelijk, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 7.1 aangeduid, gegrond;

- verklaart het resterende subonderdeel van klachtonderdeel b en klachtonderdeel c (beide ten aanzien van de oud-notaris) ongegrond;

- legt de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing op;

- bevestigt de bestreden beslissing met inachtneming van het vorenstaande voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L. Verheij en C.P. Boodt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 3 juli 2008 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing d.d. 1 augustus 2007 inzake de klacht onder nummer 06-40 van:

1. [...],

hierna ook te noemen: klager 1,

2. [...],

hierna ook te noemen: klaagster 2,

3. [...],

hierna ook te noemen: klager 3,

allen hierna ook te noemen: klagers,

tegen

1. [...],

notaris te [...],

hierna ook te noemen: de notaris,

2. [...],

als kandidaat-notaris werkzaam bij de notaris,

hierna ook te noemen: de kandidaat-notaris.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

• de klacht, met bijlagen, ingekomen op 14 november 2006;

• het antwoord, met bijlagen, van de notaris en de kandidaat-notaris;

• de repliek van klagers;

• de dupliek van de notaris en de kandidaat-notaris.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juni 2007.

Daarbij waren aanwezig:

• klagers,

• de notaris en zijn kandidaat-notaris.

Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt.

De feiten

Met het notariskantoor heeft klager 3 afgesproken dat de akten in verband met de door hem en zijn partner beoogde aankoop van de aan de [adres] gelegen woning op maandag 2 oktober 2006 zouden worden gepasseerd. Klagers 1 en 2 zouden ­ zoals daarbij door klager 3 aan de kandidaat-notaris kenbaar gemaakt ­ de aankoop gedeeltelijk financieren.

Bij die gelegenheid heeft klager 3 aan de kandidaat-notaris een kopie van een hypothecaire akte van 19 januari 2006 verstrekt betreffende de aankoop van een appartement door klagers broer eerder in 2006. Deze akte zou ­ zoals toen door klager 3 aan de kandidaat-notaris kenbaar gemaakt ­ voor de kandidaat-notaris als voorbeeld moeten dienen teneinde tot een gelijkluidende althans in essentie gelijksoortige akte te komen, nu de situaties van beide broers nagenoeg identiek waren. In beide gevallen lenen de broers van hun ouders [klagers 1 en 2], zijn alleen de broers schuldenaar en niet hun partners. Omdat de appartementen ook op naam van hun partners [zullen] staan, zijn naast de broers ook de respectieve partners hypotheekverstrekkers. Met de opbrengst uit de overlijdensrisicoverzekering, afgesloten op het leven van de betreffende schuldenaar [klager 3], zou ­ aldus klagers ­ de schuld dienen te worden afgelost. Uitsluitend betreffende deze overlijdensverzekering zou een pandrecht op de verzekeringsuitkering gevestigd moeten worden door de begunstigde, de partner van klager 3, ten gunste van de geldverschaffers.

Na een telefoongesprek met de kandidaat-notaris heeft klager 1 bij e­mail van 22 september 2006 de kandidaat-notaris nogmaals gewezen op de voorbeeldakte van 19 januari 2006 en op de strekking daarvan. Na ontvangst van de bij hieropvolgende e­mail verzonden concepten van de kandidaat-notaris, heeft klager 1 bij e­mail van 26 september 2006 de kandidaat-notaris verzocht de nodige veranderingen in deze concepten aan te brengen. Na ontvangst van de herziene concepten van de kandidaat-notaris, heeft klager 3 naar aanleiding hiervan ­ in overleg met de andere klagers ­ bij e­mail van 28 september 2006 een gecorrigeerde geldleningsovereenkomst en tweede hypotheekakte aan de kandidaat-notaris gezonden, zulks met de mededeling dat hij niet tevreden was over het werk van de kandidaat-notaris en dat hij dit onder de aandacht van de notaris zou brengen. Klager 3 heeft de notaris hiervan op dezelfde dag in een afzonderlijke e­mail op de hoogte gebracht.

Op de pogingen van klager 3 om vervolgens op diezelfde dag, 28 september 2006, telefonisch in contact te treden met het notariskantoor, kreeg hij geen gehoor. Ook zijn direct daarna verzonden e­mail bleef onbeantwoord. Na op de volgende dag nogmaals zonder succes telefonisch contact met het notariskantoor te hebben gezocht, is klager 3 persoonlijk langs het notariskantoor gegaan. Op zijn bellen werd echter niet opengedaan. Na tussenkomst van de KNB is klager 1 vanuit Parijs opgebeld door de kandidaat-notaris. Deze ­ op dat moment met de rest van het kantoor op excursie in Parijs in het kader van een personeelsfeest ­ heeft toen klager 1 zijn excuses aangeboden voor de gemaakte fouten en voor het niet informeren van klagers over de afwezigheid van het voltallige personeel vanaf donderdagmiddag 28 september 2006. Ook de notaris, die klager 1 vervolgens op klagers verzoek aan de lijn kreeg, heeft toen zijn excuses aan klager 1 aangeboden. Daarbij heeft de notaris klager 1 de toezegging gedaan, dat hij, tezamen met de kandidaat-notaris, ervoor zou zorgen dat klagers op zondag 1 oktober 2006 alsnog correcte concepten zouden krijgen van de op maandag 2 oktober 2006 te passeren akten.

Op zondag 1 oktober 2006 hebben klagers per e­mail nieuwe varianten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte ontvangen. Na overleg met klagers 1 en 2 heeft klager 3 op dezelfde dag deze stukken teruggezonden en deze voorzien van correcties. Later op de dag hebben klagers 1 en 2 zich per e­mail bij de notaris beklaagd over de kwaliteit van de op zondag geleverde concepten en hem meegedeeld dat zij pas volmacht zouden geven om hen te vertegenwoordigen bij het passeren, indien zij zo spoedig mogelijk en ruim voor het passeren 100 % correcte stukken van de notaris ­ en niet van de kandidaat-notaris ­ zouden ontvangen.

Op 2 oktober 2006 heeft de notaris de betreffende akten gepasseerd, in aanwezigheid van klager 3 en diens partner.

De klacht en het verweer van de notaris en de kandidaat-notaris

De klacht valt ­ zakelijk en verkort weergegeven ­ uiteen in twee onderdelen.

1. De kandidaat-notaris heeft tot op het allerlaatste moment ­ de verstrekking van de conceptakten op 1 oktober 2006 vóór het passeren daarvan op 2 oktober 2006 ­ geen kans gezien om een en ander correct in de concepten weer te geven, zulks ondanks dat hij van het begin af aan het hem door klager 3 verstrekte voorbeeld in handen heeft gehad en ondanks dat klagers hem vervolgens meermalen de door hen gewenste correcties hebben aangereikt.

De fouten strekten zich bij herhaling uit van incorrecte weergaven van personalia en data tot essentiële fouten zoals het niet correct weergeven in de akten van de hoedanigheid van de verschillende partijen. Tijdsaanduidingen werden bijvoorbeeld niet in schrijfletters uitgedrukt en meermalen werd nagelaten klager 3 ­ in tegenstelling tot zijn partner ­ als “schuldenaar” aan te duiden, naast zijn hoedanigheid ­ evenals zijn partner ­ van hypotheekverstrekker.

2. De notaris had ervoor moeten zorgen dat hij ­ of een door hem aangewezen waarnemer ­ bereikbaar voor klagers was, toen zijn ingrijpen noodzakelijk was. Hij is vervolgens zijn toezegging niet nagekomen om klagers alsnog correcte concepten te verstrekken. In zoverre is hij tekortgeschoten in zijn toezicht op de kandidaat-notaris.

Bij het passeren op 2 oktober 2006 van de akten heeft hij bovendien ­ gezien de voorgeschiedenis ­ onnodige druk op klager 3 en diens partner uitgeoefend om het doornemen van de als definitief bedoelde akten achterwege te laten, omdat de verkopende partij zat te wachten.

De notaris en de kandidaat-notaris hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna ­ voor zover nodig ­ zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

De door klagers gestelde en blijkens overgelegde kopieën gemaakte fouten zijn door de kandidaat-notaris en de notaris erkend.

De kandidaat-notaris

Het betreft hier bij herhaling [tot driemaal toe] gemaakte fouten in de conceptakten, die naar het oordeel van de Kamer niet vallen onder de noemer “kennelijke verschrijvingen of misslagen”, maar die ­ telkens weer ­ ontegenzeglijk in strijd zijn geweest met de door klagers beoogde ­ en bij de kandidaat-notaris bekende ­ inhoud en strekking van deze akten. Daar doet niet aan af dat de kandidaat-notaris klagers zijn excuses hiervoor heeft aangeboden.

De klacht is daarom gegrond en de Kamer acht de handelwijze van de kandidaat-notaris dermate laakbaar dat zij een tuchtmaatregel op zijn plaats acht.

Bij het bepalen van de zwaarte van de maatregel ten aanzien van de kandidaat-notaris heeft de Kamer rekening gehouden met het feit dat hij al sinds 1999 werkzaam is als kandidaat-notaris [vanaf 1 mei 2006 bij de notaris] en sinds medio 2002 als vaste waarnemer is opgetreden.

In dit geval acht de Kamer de maatregel van berisping passend.

De notaris

Uitgangspunt is dat de notaris tuchtrechtelijk verantwoordelijk is en blijft voor de organisatie van zijn kantoor en voor de kwaliteit van het werk dat door zijn personeel wordt geleverd.

In het onderhavige geval had de notaris ervoor moeten zorgdragen dat op donderdag 28 september 2006 en de daaropvolgende dag[en] hijzelf [of een waarnemer] onmiddellijk beschikbaar was voor het verlenen van zijn notariële dienst op eventuele verzoeken van clientèle, althans voor het beantwoorden van hun vragen. De notaris mag zijn protocol in ieder geval niet onbeheerd achterlaten. Artikel 28 Wet op het notarisambt [Wna] voorziet in de waarneming van het protocol van de notaris, indien deze door omstandigheden gedwongen is zijn protocol te verlaten, en artikel 29 Wna regelt de procedurele aspecten van de waarneming. De maatregelen die de notaris echter in dit geval voor zijn afwezigheid heeft getroffen, zijn niet voldoende gebleken.

Had de notaris immers wel afdoende maatregelen voor zijn notariële beschikbaarheid getroffen, dan had hij veel eerder, namelijk onmiddellijk bij ontvangst van de aan hem gerichte e­mail van 28 september 2006, waarin klager 3 zich over de kwaliteit van het door de kandidaat-notaris geleverde werk had beklaagd, de regie in handen kunnen [en moeten] nemen. Hiermee had de aanvankelijk vergeefse poging van klager 3 voorkomen kunnen worden om de notaris, diens waarnemer of de kandidaat-notaris de daaropvolgende dag te bereiken.

Echter, ook na de telefonische toezegging op vrijdag 29 september 2006 van de notaris ­ eenmaal door klager 1 confronteerd met de klachten van klagers ­ om de conceptakten onder zijn directe toezicht door de kandidaat­notaris verder te laten bewerken, bleken de op zondag 1 oktober 2006 aangeleverde concepten nog steeds niet de door klagers gewenste inhoud en strekking te hebben. De concepten bleken ten derden male soortgelijke fouten als eerder gemaakt te bevatten, terwijl in het concept van de geldleningsovereenkomst het aanvankelijk correct vermelde geboortejaar “1948” van klager 1 nu was gewijzigd in het evident foutieve “2006”.

Aan het voorgaande doet niet af dat de notaris aan klagers zijn excuses heeft aangeboden, dat hij ter verontschuldiging heeft verwezen naar de drukte op het kantoor, aan de Kamer ter zitting heeft toegezegd de kantoorbezetting bij afwezigheid van het personeel ­ al dan niet vanwege personeelsuitjes ­ voortaan beter te zullen regelen en persoonlijk ervoor heeft gezorgd dat de akten uiteindelijk met de door klagers gewenste inhoud en strekking ­ in de woorden van de notaris: “een degelijk notarieel product” ­ zijn gepasseerd.

De klacht is daarom in beiderlei opzicht gegrond. Daarbij laat de Kamer ­ als door de notaris betwist en niet verder door klagers geadstrueerd ­ in het midden of de notaris op 2 oktober 2006 al dan niet druk op klager 3 en diens partner heeft uitgeoefend om het verder doornemen van de akten achterwege te laten.

De Kamer is van oordeel dat de tekortkomingen van de notaris dusdanig verwijtbaar zijn, dat de maatregel van waarschuwing op zijn plaats is.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

1. verklaart de klacht ten aanzien van de kandidaat-notaris gegrond;

legt aan de kandidaat-notaris de maatregel van berisping op;

bepaalt dat de opgelegde maatregel, nadat deze beslissing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal worden tenuitvoergelegd op een nader te bepalen vergadering van de Kamer, waartoe de notaris per aangetekende brief zal worden opgeroepen door de secretaris;

2. verklaart de klacht ten aanzien van de notaris gegrond;

legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;

bepaalt dat de opgelegde maatregel, nadat deze beslissing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal worden tenuitvoergelegd op een nader te bepalen vergadering van de Kamer, waartoe de notaris per aangetekende brief zal worden opgeroepen door de secretaris.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.J. Paris, voorzitter, R. van der Galiën, J.Z. Moree, M.G.L. den Os­Brand en J. Smal, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2007.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.