Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5765

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
106.011.781/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager is niet ontvankelijk in zijn klacht wegens overschrijding van de driejarentermijn ex 99 lid 12 Wna

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 26 juni 2008 in de zaak onder nummer 106.011.781/01 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen klager, is bij een op 20 november 2007 ter griffie ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Almelo, verder te noemen de kamer, van 1 november 2007, waarbij de door geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ingediende klacht gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 20 december 2007 ter griffie van het hof een verweerschrift ingekomen.

1.3. Op 15 april 2008 is van de zijde van klager een aanvullend stuk ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2008. Klager en de notaris zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De ontvankelijkheid van klager in zijn klacht

3.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de klacht tegen de notaris, gezien het tijdstip van indiening, ontvankelijk is. Het hof dient de ontvankelijkheid van de klacht te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt, hierna Wna.

3.2. Ingevolge artikel 99 lid 12 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaar na de dag waarop de tot het indienen van een klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris, dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

3.3. Bij de kamer is op 2 mei 2007 de klacht van klager binnen gekomen, die betrekking heeft op het handelen van de notaris als waarnemer bij het passeren van een akte op 28 september 1989 ter zake van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarin klager was gehuwd. De klacht houdt in dat het onverdeelde aandeel van klager in de nalatenschap van zijn ten tijde van het tot stand komen van de akte reeds overleden vader niet in scheiding en deling is betrokken. Volgens klager is het feit dat klager mogelijk als gerechtigde in een nog niet verdeelde nalatenschap was betrokken, destijds door de notaris ook niet ter sprake gebracht.. Het hof oordeelt als volgt.

3.4. Bij het passeren van de akte op 28 september 1989 was klager in persoon aanwezig; hij heeft de akte ondertekend. Voorafgaand aan het passeren van de akte heeft klager een concept hiervan ontvangen. Ter terechtzitting heeft klager verklaard dat hij er zich destijds – ten tijde van de echtscheiding – wel bewust van was dat hij een aandeel had in de nalatenschap van zijn vader, maar dat niet ter sprake heeft gebracht omdat zijn moeder als vruchtgebruikster de ouderlijke woning bewoonde, zodat een verdeling pas aan de orde zou komen na de verkoop van die woning. De hiervoor in sub 4.2. genoemde termijn van drie jaren is dan ook aangevangen op 28 september 1989, zodat klager de onderhavige klacht te laat heeft ingediend. Daaraan doet niet af dat klager stelt zelf eerst in 2007 kennis te hebben genomen van de gevolgen van het niet opnemen van zijn aandeel in de ouderlijke woning in de eerder genoemde akte.

3.5. Op grond van het voorgaande is de klacht niet ontvankelijk.

3.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de navolgende beslissing

4. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 1 november 2007, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.M.A. Verscheure en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op donderdag 26 julni 2008 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ALMELO

Klachtzaak: 06 07 Wna

UITSPRAAK

inzake: [naam],

wonende te [plaats],

klager;

tegen: mr. [naam],

notaris te [plaats],

hierna te noemen de notaris.

1 Verloop van de procedure

Bij brief van 1 mei 2007 heeft klager een klacht ingediend bij de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Almelo, hierna te noemen de Kamer.

De notaris heeft zich verweerd bij schrijven van 26 juni 2007. Klager heeft gerepliceerd bij brief van 19 juli 2007.

De klachtzaak is ter zitting van 8 oktober 2007 behandeld. Klager en de notaris zijn in persoon verschenen.

2 Toetsingskader

In deze klachtzaak dient te worden beoordeeld of de notaris heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de Wet op het notarisambt (Wna).

3 Feiten

Gelet op hetgeen klager en de notaris over en weer hebben verklaard en gelet op door hen overgelegde stukken, gaat de Kamer uit van de volgende feiten.

• De vader van klager is in 1980 overleden.

• De moeder van klager heeft in 1980 het vruchtgebruik gekregen over het erfdeel van klager in de nalatenschap van zijn vader. Tot die nalatenschap behoorde de gemeenschappelijke eigendom van de voormalige echtelijke woning van vader en moeder.

• Het erfdeel van klager is destijds in de huwelijksgoederengemeenschap van klager en zijn toenmalige echtgenote, mw. [naam], gevallen.

• De tussen klager en mw. [naam] destijds bestaande huwelijksgoederengemeenschap is door echtscheiding ontbonden in 1985.

• Bij notariële akte van 28 september 1989 - verleden ten overstaan van de notaris, destijds kandidaat-notaris en optredend als plaatsvervanger voor notaris mr. A.D. Plaggemars - is overgegaan tot scheiding en deling van die ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

• In juli 2006, ten tijde van de verkoop en levering van de woning van de moeder van klager, bleek dat zijn vroegere echtgenote moest meetekenen voor die verkoop en levering.

• Eerst toen bleek aan klager dat voormelde aanspraak op de nalatenschap van de vader van klager kennelijk geen onderdeel heeft uitgemaakt van de scheiding en deling van de ontbonden huwelijks-goederengemeenschap van klager en mw. [naam].

• Mw. [naam] maakt aanspraak op een deel van de verkoopopbrengst.

4 Standpunten

In zijn klachtbrief geeft klager het verloop weer en wijst hij op brief- en e-mailverkeer met de notaris. Kort samengevat stelt klager zich op het standpunt dat de notaris ten tijde van het passeren van de akte van 28 september 1989 en tijdens de daaraan voorafgaande - onder zijn verantwoordelijkheid gehouden - besprekingen heeft verzuimd het onverdeelde aandeel in de nalatenschap van de vader van klager aan de orde te stellen. Als gevolg daarvan is dat onverdeelde aandeel niet in de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap betrokken.

Klager geeft aan dat hij thans daardoor alsnog zijn erfdeel moet delen met zijn vroegere echtgenote. Naar de mening van klager is dat een gevolg van het verzuim van de notaris waarvoor klager de notaris aansprakelijk houdt. Bovendien wijst klager er op dat hij voor de akte heeft moeten betalen.

De notaris wijst vooral op zijn e-mail aan klager van 21 maart 2007. Daarin is gewezen op de formulering in de akte van 28 september 1989. Door de notaris wordt geconstateerd dat meergenoemd onverdeeld aandeel niet ter sprake is geweest bij de besprekingen aangaande de verdeling. Voor het overige wijst de notaris op het aspect dat hij destijds als kandidaat-notaris heeft waargenomen voor inmiddels oud-notaris mr. A.D. Plaggemars. Bovendien zijn genoemde besprekingen voorafgaand aan het passeren van de vorenbedoelde akte destijds niet door hem persoonlijk gevoerd.

5 Overwegingen

Ingevolge artikel 98, eerste lid, Wna zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

In artikel 99, twaalfde lid, Wna is bepaald dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

Voor zover de notaris heeft bedoeld aan te geven dat hij, in deze zaak gehandeld hebbend als waarnemer voor notaris mr. Plaggemars, niet tuchtrechtelijk kan worden aangesproken overweegt de Kamer het volgende.

In artikel 29, zesde lid, Wna is bepaald dat zolang de waarnemer bevoegd is, de notaris onbevoegd is met betrekking tot zijn eigen protocol het notarisambt uit te oefenen. Genoemd artikel in samenhang met het bepaalde in artikel 98, eerste lid, Wna brengt naar het oordeel van de Kamer met zich dat de notaris, destijds kandidaat-notaris belast met het als waarnemer passeren van een akte, met betrekking tot de daaraan verbonden notariële werkzaamheden (ook als deze feitelijk door medewerkers van het kantoor zijn verricht) tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. De klacht is derhalve wat dit betreft ontvankelijk.

Voor zover het gaat om verstreken termijnen overweegt de Kamer dat de klacht is ingediend binnen drie jaren nadat klager, naar onweersproken is gesteld, eerst in 2006 heeft kennis genomen van het aspect dat de onverdeelde nalatenschap (kennelijk) niet in de akte van 28 september 1989 is besloten. De klacht is aldus naar het oordeel van de Kamer daarom tijdig ingediend.

Met betrekking tot het verwijt dat het onverdeelde aandeel in de nalatenschap van de vader van klager geen onderdeel uitmaakt van de akte van 28 september 1989 en dat dit niet expliciet met klager is besproken, overweegt de Kamer het volgende.

Uit de akte blijkt dat daarin in het bijzonder de afspraken met betrekking tot onroerend goed, hypothecaire schuld en pensioenaanspraken zijn opgenomen. Voor het overige gaat het om afspraken in algemene bewoordingen. Niet gebleken is dat een afspraak over meergenoemd aandeel in de nalatenschap, welbewust is weggelaten. Mede gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting nog hebben verklaard, moet worden aangenomen dat klager noch de notaris in die tijd aan dit onderdeel hebben gedacht.

Een onverdeeld aandeel in een nalatenschap is in de notariële praktijk echter een niet ongebruikelijk ,en in voorkomende gevallen veelal een belangrijk, onderdeel van een ontbonden huwelijksgoederen-gemeenschap. Daarom mag van een notaris - die opdracht heeft gekregen een notariële akte van scheiding en deling op te maken en te passeren - worden verwacht dat hij het al dan niet bestaan van een onverdeeld aandeel in een nalatenschap bij de partijen bij die akte uitdrukkelijk aan de orde stelt.

De notaris heeft dat destijds verzuimd. De klacht is daarom gegrond.

Om evenwel misverstanden te voorkomen wordt ten overvloede overwogen dat de Kamer klager niet volgt in zijn redenering dat het voorgaande met zich brengt dat de akte in de huidige vorm geen zin heeft gehad. In de akte is immers een aantal van belang zijnde zaken wel vastgelegd. Ook volgt de Kamer de stelling van klager niet dat, vanwege het ontbreken van bedoeld onderdeel in de akte, klager zijn erfdeel moet worden gedeeld. Het recht van mw. [naam] op een deel van de onderhavige nalatenschap bestaat immers al sinds het overlijden van de vader van klager in 1980. In deze procedure is derhalve niet komen vast te staan dat door klager vermogensrechtelijke schade is geleden als gevolg van het verzuim van de notaris. Een oordeel daarover is niet aan deze Kamer maar eventueel aan de civiele rechter.

De Kamer ziet, gezien het geheel van de omstandigheden, geen aanleiding de notaris een maatregel op te leggen.

Beslist wordt derhalve als volgt.

6 Beslissing

De kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Almelo

- verklaart de klacht gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, voorzitter, mr. G. Van Eerden, mr. W. Meijling, mr. F.J.M. Mulder en mr. E.R. Willems, leden en door de voorzitter in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman als secretaris in het openbaar uitgesproken op 1 november 2007.

Tegen deze beslissing van de kamer van toezicht kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Afschrift verzonden: 1 november 2007