Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5763

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
106.011.683/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de notaris onjuist heeft gehandeld door het betalen op 16 maart 2007 aan de advocaat van Boerdam van het depotbedrag dat de notaris voor zowel klager als Boerdam onder zich hield, omdat de executie van het beslag inmiddels – naar hem bekend was – was geschorst. Die schorsing was hem niet alleen aangezegd in het exploot, waarbij de ten verzoeke van klager uitgebrachte kort geding dagvaarding was betekend, maar volgt op grond van het bepaalde in artikel 476 lid 2 Rv ook uit de wet. Anders dan de notaris nog heeft betoogd impliceerde de schorsing van de executie dat hij het onder hem rustende depotbedrag niet mocht uitbetalen. Ook al had hij de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv inmiddels afgelegd. Uit het systeem van de wet volgt dat de verplichting van artikel 477 Rv niet geldt indien en zolang de executie van het beslag op grond van artikel 476 Rv is geschorst.

Door alsnog over te gaan tot uitbetaling op 16 maart 2007 van het bedrag aan de advocaat van Boerdam heeft de notaris gelden onttrokken aan het depot, hetgeen de notaris ernstig kan worden verweten. Zeker nu het beslagrecht voor het notariaat geen dagelijkse materie is, had in het bijzonder de aanzegging dat de executie was geschorst voor de notaris aanleiding moeten zijn om zich nader in de bepalingen omtrent het (derden)beslag te verdiepen en niet zonder meer tot uitbetaling van het depot over te gaan. Het hof is derhalve van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 26 juni 2008 in de zaak onder nummer 106.011.683/01 NOT van:

MR. [naam],

notaris te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. A.M. Rottier,

t e g e n

[naam],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. C.J.M. Linssen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 29 oktober 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen -tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder te noemen de kamer, van 5 oktober 2007, waarbij de klacht van geïntimeerde, hierna te noemen klager, gegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van waarschuwing aan de notaris.

1.2. Van de zijde van klager is op 24 december 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de notaris is op 18 april 2008 nog een productie ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2008. Klager, de notaris en hun gemachtigden zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd. De gemachtigden aan de hand van een pleitnotitie

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. Klager is gehuwd geweest met mevrouw[naam] (verder te noemen: [naam]). Hun huwelijk is op 26 september 2001 door echtscheiding ontbonden. Partijen hebben geprocedeerd voor de rechtbank te Amsterdam over onder meer de afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. In die procedure heeft die rechtbank een drietal (tussen)vonnissen gewezen.

3.2. Bij tussenvonnis van 23 juni 2004 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat klager wordt gemachtigd de vakantiewoningen van partijen te verkopen en dat de volledige verkoopopbrengst, onder aftrek van de hypothecair verbonden schulden, bij een notaris in depot zal worden gegeven in afwachting van de definitieve afrekening.

3.3. Op 2 november 2005 heeft de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis onder meer bepaald dat partijen zullen overgaan tot de definitieve

afrekening van de opbrengst van de vakantiehuisjes, onder aftrek van de hypothecair verbonden schulden, en dat de resterende overwaarde bij helfte zal worden verdeeld, als ook dat klager aan [naam] zal betalen een bedrag van € 51.322,63, vermeerderd met rente.

3.4. In de loop van 2006 heeft klager een van de vakantiewoningen verkocht. Deze is op 19 mei 2006 geleverd ten overstaan van notaris mr. C.W. van der Eijk, de voorganger van de notaris. De netto verkoopopbrengst van € 38.149,- is door notaris mr. Van der Eijk conform het in voormeld tussenvonnis bepaalde in depot gehouden.

3.5. De notaris is per 1 februari 2007 benoemd tot opvolger van notaris mr. Van der Eijk en heeft als zodanig het notariële protocol, waaronder de notariële bankrekeningen van notaris mr. Van der Eijk, overgenomen.

3.6. Op 23 februari 2007 is op verzoek van [naam] op grond van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2005 ten laste van klager executoriaal derdenbeslag gelegd onder de notaris.

3.7. Op diezelfde dag is namens de notaris het formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingevuld en retour gezonden aan de gerechtsdeurwaarder.

3.8. Bij faxbrief van 2 maart 2007 heeft de advocaat van klager de notaris onder meer meegedeeld dat zij kennis had genomen van het gelegde derdenbeslag, dat dit beslag vexatoir was en dat de notaris niet kon doorbetalen zolang de definitieve afrekening tussen klager en [naam] niet vaststond.

3.9. Op 6 maart 2007 is op verzoek van de beslagleggende gerechtsdeurwaarder namens de notaris een gecorrigeerd formulier ex artikel 475 lid 2 Rv ingezonden. Daarop is vermeld dat de notaris een bedrag van € 38.149,50 uit de verkoopopbrengst van de vakantiewoning onder zich hield.

3.10. Omstreeks 10 maart 2007 heeft de gerechtsdeurwaarder de notaris schriftelijk meegedeeld dat hij de verklaring op het formulier van 6 maart 2007 erkende en heeft hij de notaris verzocht het bedrag over te maken op de derdenrekening van de advocaat van [naam].

3.11. Op 13 maart 2007 is aan de notaris betekend een afschrift van de dagvaarding in kort geding, waarbij klager onder meer de opheffing van het onder de notaris gelegde derdenbeslag vorderde onder aanzegging aan de notaris dat de executie op grond van artikel 476 Rv wordt geschorst.

3.12. De notaris heeft op 16 maart 2007 het door hem in depot gehouden bedrag van € 38.547,33 (na verrekening van rente en kosten) op de derdenrekening van de advocaat van [naam] overgemaakt.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de notaris dat hij het onder hem in depot gegeven bedrag ondanks het feit dat hij wist dat de executie van het vonnis, op grond waarvan beslag was gelegd, was geschorst, heeft doorbetaald aan de advocaat van [naam].

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij de doorbetaling buiten medeweten of raadpleging van klager heeft verricht, terwijl de advocaat van klager de notaris bij brief van 2 maart 2007 had geïnstrueerd niet tot betaling over te gaan, mede omdat het beslag vexatoir zou zijn.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klager betwist en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris heeft betoogd dat artikel 477 Rv meebrengt dat, zodra de verklaring van artikel 476b Rv is gedaan, de derde-beslagene verplicht is het bedrag waarop beslag is gelegd af te geven en dat het bepaalde in artikel 476 Rv daaraan niet in de weg staat.

5.3. Voorts heeft de notaris gesteld dat hij klager over de doorbetaling van het bedrag schriftelijk heeft geïnformeerd bij brief van 16 maart 2007.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat de notaris onjuist heeft gehandeld door het betalen op 16 maart 2007 aan de advocaat van [naam] van het depotbedrag dat de notaris voor zowel klager als [naam] onder zich hield, omdat de executie van het beslag inmiddels – naar hem bekend was – was geschorst. Die schorsing was hem niet alleen aangezegd in het exploot, waarbij de ten verzoeke van klager uitgebrachte kort geding dagvaarding was betekend, maar volgt op grond van het bepaalde in artikel 476 lid 2 Rv ook uit de wet. Anders dan de notaris nog heeft betoogd impliceerde de schorsing van de executie dat hij het onder hem rustende depotbedrag niet mocht uitbetalen. Ook al had hij de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv inmiddels afgelegd. Uit het systeem van de wet volgt dat de verplichting van artikel 477 Rv niet geldt indien en zolang de executie van het beslag op grond van artikel 476 Rv is geschorst.

Door alsnog over te gaan tot uitbetaling op 16 maart 2007 van het bedrag aan de advocaat van [naam] heeft de notaris gelden onttrokken aan het depot, hetgeen de notaris ernstig kan worden verweten. Zeker nu het beslagrecht voor het notariaat geen dagelijkse materie is, had in het bijzonder de aanzegging dat de executie was geschorst voor de notaris aanleiding moeten zijn om zich nader in de bepalingen omtrent het (derden)beslag te verdiepen en niet zonder meer tot uitbetaling van het depot over te gaan. Het hof is derhalve van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

6.2. Het hof is voorts van oordeel dat het op de weg van de notaris had gelegen de advocaat van klager te berichten over zijn voornemen om tot betaling van het onder hem rustende bedrag over te gaan. Het hof kan de notaris dan ook niet volgen in zijn stelling dat hij heeft gereageerd op het faxbericht van de advocaat van klager van 2 maart 2007. In de brief van 16 maart 2007 heeft de notaris klager voor een voldongen feit gesteld en is hij niet ingegaan op de stellingen van de advocaat van klager in de brief van 2 maart 2007. Het hof acht ook dit klachtonderdeel gegrond.

6.3. Met de kamer is het hof van oordeel dat de maatregel van waarschuwing gelet op de gegrondbevinding van de klachten en de ernst van de feiten, passend en geboden is.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep en bekrachtigt de beslissing van de kamer van 5 oktober 2007.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.M.A. Verscheure en P. Blokland op 26 juni 2008 en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN

TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2007/839

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaats],

klager,

advocaat mr. C.J.M. Linssen te Oss,

tegen

MR. [naam],

notaris te [plaats],

advocaat mr. A.M. Rottier te 's-Hertogenbosch.

Partijen worden verder klager en de notaris genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van 16 mei 2007 met bijlagen van klager, waarin de klacht tegen de notaris is neergelegd

- de brief (het verweerschrift) van 7 juni 2007 met bijlagen van de notaris

- de brief van 29 juni 2007 met bijlagen van klager

- de brief (de dupliek) van 17 juli 2007 met bijlage van de notaris

- de mondelinge behandeling van de klacht op 30 augustus 2007

- de brief van 4 september 2007 van de notaris.

2. De feiten

2.1 Klager is gehuwd geweest met[naam] (verder te noemen: [naam]). Hun huwelijk is op 26 september 2001 door echtscheiding ontbonden. Partijen hebben geprocedeerd voor de rechtbank Amsterdam over onder meer de afwikkeling van de boedelverdeling. Naar aanleiding daarvan heeft die rechtbank een drietal (tussen)vonnissen gewezen.

2.2 Bij tussenvonnis van 23 juni 2004 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat klager wordt gemachtigd de vakantiewoningen van partijen te verkopen en dat de volledige verkoopopbrengst, onder aftrek van de hypotheekschulden, bij een notaris in depot zal worden gegeven in afwachting van de definitieve afrekening.

2.3 Op 2 november 2005 heeft de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis onder andere bepaald dat partijen zullen overgaan tot de definitieve afrekening van de opbrengst van de vakantiehuisjes, onder aftrek van de hypotheekschulden, en dat de resterende overwaarde bij helfte zal worden verdeeld, alsook dat klager aan [naam] zal betalen een bedrag van € 51.322,63, vermeerderd met rente.

2.4 In de loop van 2006 heeft klager een van de vakantiewoningen verkocht. Deze is op 19 mei 2006 geleverd ten overstaan van notaris mr. C.W. van der Eijk, de voorganger van de notaris. De netto verkoopopbrengst van € 38.149,- is door notaris mr. Van der Eijk in depot gehouden.

2.5 De notaris is op 1 februari 2007 benoemd tot opvolger van notaris mr. Van der Eijk en heeft als zodanig het notariële protocol, waaronder de notariële bankrekeningen van notaris mr. Van der Eijk overgenomen.

2.6 Op 23 februari 2007 is op verzoek van [naam] op grond van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2005 ten laste van klager executoir derdenbeslag gelegd onder de besloten vennootschap van de notaris.

2.7 Op diezelfde dag is namens de notaris het formulier als bedoeld in art. 475 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingevuld en retour gezonden aan de deurwaarder.

2.8 Bij faxbrief van 2 maart 2007 heeft de raadsman van klager de notaris onder andere meegedeeld dat hij kennis heeft genomen van het gelegde derdenbeslag, dat dit beslag vexatoir is en dat de notaris niet kan doorbetalen zolang de definitieve afrekening tussen klager en [naam] niet vaststaat.

2.9 Op 6 maart 2007 is op verzoek van de deurwaarder namens de notaris een gecorrigeerd formulier ex art. 475 lid 2 Rv ingezonden. Daarop is vermeld dat de notaris een bedrag van € 38.149,50 uit de verkoopopbrengst van de vakantiewoning onder zich houdt.

2.10 Omstreeks 10 maart 2007 heeft de deurwaarder de notaris schriftelijk meegedeeld dat hij de verklaring op het formulier van 6 maart 2007 erkent en heeft hij de notaris verzocht het bedrag over te maken op de derdenrekening van de advocaat van [naam].

2.11 Op 13 maart 2007 is aan de besloten vennootschap van de notaris betekend een afschrift van de dagvaarding waarbij klager van [naam] in kort geding de opheffing vordert van onder meer het onder de notaris gelegde derdenbeslag, onder aanzegging aan de notaris dat de executie op grond van art. 476 Rv wordt geschorst.

2.12 De notaris heeft op 16 maart 2007 het door hem in depot gehouden bedrag (na verrekening van rente en kosten) van € 38.547,33 naar de derdenrekening van de advocaat van [naam] overgemaakt.

2.13 Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 19 april 2007 is het verzoek van klager tot opheffing c.q. schorsing van onder meer het onder de notaris gelegde derdenbeslag afgewezen.

3. De klacht

3.1 Klager verwijt de notaris, kort gezegd, het volgende. De notaris heeft het in depot gegeven bedrag in strijd met de schorsing van de executie, die hem bij exploot van 13 maart 2007 was aangezegd, doorbetaald aan de advocaat van [naam]. De notaris heeft de doorbetaling bovendien gedaan zonder dat hij klager daarvan op de hoogte heeft gesteld of daarover heeft geraadpleegd, terwijl klager de notaris bij brief van 2 maart 2007 had geïnstrueerd niet tot betaling over te gaan.

3.2 De notaris heeft tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd. Hij voert onder meer aan dat art. 477 Rv meebrengt dat, zodra de verklaring van art. 476b Rv is gedaan, de derdebeslagene verplicht is het bedrag waarop beslag is gelegd af te geven en dat het bepaalde in art. 476 Rv daaraan niet in de weg staat. Verder stelt de notaris dat hij klager over de doorbetaling van het bedrag schriftelijk heeft geïnformeerd.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Volgens artikel 98 lid 1 Wet op het notarisambt zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De Kamer dient dus te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 De vraag die voorligt is of de notaris voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door het bedrag, dat hij in depot onder zich hield, op 16 maart 2007 over te maken aan de advocaat van [naam].

4.3 De Kamer overweegt dat klager de notaris bij faxbrief van 2 maart 2007 heeft doen weten dat zijns inziens het onder de notaris gelegde beslag vexatoir was en dat het bedrag niet mocht worden uitbetaald. Vervolgens heeft klager op 13 maart 2007 aan (de vennootschap van) de notaris een afschrift van de dagvaarding laten betekenen waarin klager [naam] dagvaardt tot opheffing van het onder de notaris gelegde beslag, onder aanzegging aan de notaris dat de executie op grond van art. 476 Rv is geschorst. Deze omstandigheden hadden voor de notaris aanleiding dienen te zijn zich terdege te verdiepen in de wettelijke bepalingen aangaande het beslagrecht in het algemeen en de bepalingen inzake de schorsing van de executie en de afgifte van het beslagene in het bijzonder, alvorens tot uitbetaling van het depot over te gaan. Naar de notaris heeft verklaard, heeft hij voorafgaande aan de overmaking van het bedrag noch de wettelijke bepalingen over dit onderwerp bestudeerd, noch een terzake deskundige daarover geraadpleegd, terwijl hij erkent

dat het beslagrecht voor hem geen eenvoudige materie is. De Kamer is van oordeel dat de notaris aldus niet heeft gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt. Daarmee kan buiten bespreking blijven de juistheid van het door de notaris opgeworpen verweer dat de schorsende werking van art. 476 Rv geen effect meer heeft als door de derde-beslagene de verklaring als bedoeld in art. 476b Rv is afgelegd.

4.4 Het hiervoor genoemde verwijt aan de notaris geen onderzoek te hebben gedaan naar de beslagproblematiek en de consequenties van zijn handelen, wordt nog versterkt door de omstandigheid dat de notaris, mede door de brief van 2 maart 2007 van klager aan zijn adres, van de conflictueuze situatie tussen partijen op de hoogte was. Dit had voor hem te meer een reden moeten zijn inzicht te verkrijgen in de beslagproblematiek, zeker nu er geen aanleiding bestond onmiddellijk tot betaling over te gaan.

4.5 Ten slotte treft de notaris nog het verwijt dat niet is gebleken dat hij klager heeft geïnformeerd dat hij het depot aan de advocaat van [naam] heeft uitgekeerd. Het had op de weg van de notaris gelegen dit te doen, nu namens klager bij brief van 15 mei 2006 aan het kantoor van de notaris was verzocht het depotbedrag onder zich te houden en bij brief van 2 maart 2007 aan de notaris te kennen was gegeven dat de notaris niet tot uitbetaling van het depotbedrag diende over te gaan. De notaris heeft weliswaar aangevoerd dat hij bij brief van 16 maart 2007 klager van de overmaking van het bedrag op de hoogte heeft gesteld, maar onvoldoende is komen vast te staan dat die brief klager ook heeft bereikt. Uit een overgelegde fotokopie van die brief blijkt namelijk dat de adressering daarop die is van klager en [naam] gezamenlijk met als straatnaam en postcode zowel die van klager als die van [naam]. Klager heeft de Kamer bij brief van 4 september 2007 doen weten dat door hem niet is na te gaan of op 16 maart 2007 aan klager en [naam] afzonderlijk een brief met een enkelvoudige duidelijke adressering is verzonden, dan wel dat de brief slechts eenmaal is verstuurd. De stelling van klager dat de brief van de notaris van 16 maart 2007 hem nimmer heeft bereikt, is daarom geenszins onaannemelijk.

4.6 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de daar genoemde verwijten doel treffen. De Kamer acht de overtreden norm dusdanig ernstig dat zij daarvoor aan de notaris de tuchtrechtelijke maatregel van waarschuwing zal opleggen.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht

verklaart de klacht tegen de notaris gegrond,

legt de notaris daarvoor de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, voorzitter,

mrs. H. Quispel, R.P.K.J. van Gerven, J.G.T.M. Castrop en L.A. van Son, leden, en in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. Oor, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2007.

De secretaris: De voorzitter: