Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5458

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
06-00450
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de behaalde omzet in de jaren 2000 en 2001 niet volledig in zijn boekhouding heeft verwerkt, terwijl het zowel in absolute als relatieve zin substantiële bedragen betreft. De administratie van belanghebbende voldoet daarmee niet aan de daaraan gestelde eisen. De inspecteur heeft dan ook terecht de administratie verworpen als basis voor het vaststellen van de verschuldigde belasting. De inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt van het belastbare inkomen van belanghebbende in 2000 en 2001.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1537
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P06/00450 en 06/00451

uitspraken van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

X te Z,

belanghebbende,

gemachtigde A te Q,

tegen de uitspraken in de zaken met kenmerk AWB 05/5875 en AWB 05/5876 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 19 september 2006 in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 46.841.

Voor het jaar 2001 heeft de inspecteur een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.843.

1.2. Na daartegen ingestelde bezwaren heeft de inspecteur bij de - in één geschrift vervatte - bestreden uitspraken, gedagtekend 23 september 2005, de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Bij de - in één geschrift vervatte - uitspraken van 19 september 2006, verzonden op 21 september 2006, heeft de rechtbank de daartegen door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 26 oktober 2006, ingekomen eveneens op 26 oktober 2007. Belanghebbende heeft dit beroepschrift aangevuld bij brieven gedagtekend 11 december 2006.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter openbare zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2008. De zaken met kenmerken 06/00450 en 06/00451 zijn tezamen behandeld. De gemachtigde is met bericht van verhindering van 28 mei 2008 niet verschenen. In dat bericht zijn tevens nog inhoudelijke opmerkingen gemaakt. Aan de inspecteur is een afschrift van dit bericht verzonden. Namens de inspecteur is verschenen B. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

2.1.1. Met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de uitspraak van de rechtbank is vermeld, de stukken van het geding en van hetgeen is verhandeld ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1.2. Belanghebbende exploiteert in 2000 en 2001 een telecomwinkel aan de C-straat te Q, onder de naam X. In de winkel worden telecommunicatiefaciliteiten ter beschikking gesteld, telefoonkaarten verkocht alsmede ijs en zoetwaren.

2.1.3. Vanaf 16 april 2002 heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende, waarbij de aanvaardbaarheid is onderzocht van onder meer de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000 en 2001. In het met dagtekening 20 augustus 2002 opgemaakte rapport van dit onderzoek is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“3. Verwerping administratie

3.1 Administratie

De belangrijkste onderdelen van de administratie worden gevormd door de dagstaten en het kasboek. Op de dagstaten worden de opbrengsten van het bellen vanuit de cabines en de verkochte telefoonkaarten geboekt. De dagstaten zijn niet bewaard gebleven.

De gehele omzet wordt contant ontvangen. Ook een belangrijk deel van de uitgaven wordt per kas gedaan. De kasadministratie wordt eenmaal per kwartaal aan de hand van de niet bewaarde dagstaten en de kostenfacturen bijgewerkt. In het kasboek is geen kassaldo opgenomen. Het kassaldo per 31 december 2000 volgens de aangifte inkomstenbelasting 2000 sluit niet aan bij het saldo van het kasboek zoals door ons is bepaald door middel van het invoeren van de kasboekingen in Excel.

(...)

Op grond van de uitkomst van de chikwadraattoets wordt geconcludeerd dat de geboekte ontvangstbedragen, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, fictief zijn.

In de administratie hebben wij over de periode 6 juli 2000 tot en met 19 juli 2000 gegevens over de omzet aangetroffen (zie bijlage 1), die afwijken van de omzet zoals vermeld in de kasadministratie. Als verklaring werd gegeven dat deze cijfers geen betrekking hebben op het bedrijf van belastingplichtige maar van een ander bedrijf zouden zijn.(…) Uit het volgende blijkt dat deze gegevens wel betrekking hebben op de onderneming van belastingplichtige: op 11 juli wordt volgens de aangetroffen bladen f 1.095,10 betaald aan D. In de administratie hebben wij ook een kwitantie aangetroffen van D d.d. 11 juli 2000 waarop staat vermeld:ontvangen f 1.095,10 huur juli 2000 C-straat 0 (=adres bedrijfspand), met de naam van belastingplichtige als degene die heeft betaald. (…). Wij concluderen dat de door ons in de administratie gevonden gegevens betrekking hebben op de onderneming van belastingplichtige.

(…)

4.1. Omzet

(…)

Zoals hierboven is vermeld hebben wij in de administratie bladen aangetroffen waarop andere (hogere) omzetten staan vermeld over de periode 6 juli 2000 tot en met 19 juli 2000 dan in de kasadministratie zijn verantwoord. Voor het bepalen van de gerealiseerde omzet hebben wij de gegevens over deze periode geëxtrapoleerd naar geheel 2000 en 2001.”

In het rapport is voorts opgenomen dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieplicht en bewaarplicht. Vermeld wordt dat de gebreken in de administratie van zodanige aard zijn dat deze niet kan dienen als basis voor de winstberekening over de jaren 2000 en 2001.

2.1.4. De inspecteur heeft op grond van het boekenonderzoek het aangegeven belastbaar inkomen over 2000 en 2001 als volgt vastgesteld:

2000

Aangegeven belastbaar inkomen -/- ƒ 19.071

bij: correctie meer winst 46.981

bij: correctie niet aangegeven loon 23.091

af: uitbetaalde lonen -/- 4.160

Gecorrigeerd belastbaar inkomen 2000 ƒ 46.841

2001

Aangegeven inkomen uit werk en woning € 6.043

bij: correctie meer winst + 12.688

af: uitbetaalde lonen -/- 1.888

Gecorrigeerd belastbaar inkomen 2001 € 16.843

2.2. Geschil

In hoger beroep is in geschil of de aanslagen terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld.

Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

i. kunnen de constateringen leiden tot omkering van de bewijslast?

ii. is de door de inspecteur gemaakte omzetberekening redelijk?

iii. zijn de boeten terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat eiser (Hof: belanghebbende) niet voldaan heeft aan de op hem rustende administratieve verplichtingen. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser, hetgeen onweersproken door verweerder (Hof: de inspecteur) is gesteld, geen dagelijkse kasadministratie heeft bijgehouden: de dagstaten werden niet bewaard. Nu dergelijke bescheiden in een onderneming als de onderhavige, waar alles in contanten wordt afgerekend, van cruciaal belang zijn voor een betrouwbare (kas)administratie, is de rechtbank van oordeel dat reeds het ontbreken van die bescheiden moet leiden tot de conclusie dat eiser niet heeft voldaan aan de in artikel 52, eerste lid, AWR, vervatte verplichting om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens daaruit duidelijk blijken.

Ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de AWR dient om deze reden het beroep ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).

Of eiser heeft voldaan aan de bewaarplicht (artikel 52, vierde lid, van de AWR) kan, gelet op het voorgaande, buiten beschouwing blijven.

4.3. Nu de sanctie van artikel 27e AWR dient te worden toegepast, is het aan eiser om te doen blijken dat en in hoeverre de (bij de bestreden uitspraak gehandhaafde) correcties van verweerder onjuist zijn. De rechtbank neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de jaarrekeningen waarop eiser zijn aangiften heeft gebaseerd, niet berusten op een te controleren administratie nu de onderliggende stukken niet zijn bewaard. Nu eiser daarnaast op geen enkele wijze zijn administratie en daarmee de door hem ingediende aangiften met schriftelijke bewijzen en/of berekeningen nader heeft onderbouwd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond dat de correcties door verweerder onjuist zijn.

4.4. Voorts dient de rechtbank te toetsen of verweerder een redelijke schatting heeft gemaakt van het belastbare inkomen van eiser. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder in gevallen als het onderhavige in het algemeen een zekere armslag heeft omdat hij niet kan beschikken over (betrouwbare) gegevens en rekening moet houden met de mogelijkheid dat er - hem niet bekende - bronnen van inkomen zijn.

4.5. Verweerder heeft voor het maken van een schatting de theoretische omzet berekend. Daarbij heeft hij de onder punt 2.2. genoemde gegevens over de omzet over de periode 6 juli 2000 tot en met 19 juli 2000 welke in de administratie van eiser zijn aangetroffen als uitgangspunt genomen. Daarbij is rekening gehouden met het aantal dagen dat de winkel per jaar volgens de kasadministratie gesloten was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op deze wijze een redelijke schatting gemaakt van het belastbare inkomen in 2000 en 2001 van eiser. De stelling van eiser dat door verweerder onvoldoende rekening wordt gehouden met seizoensinvloeden slaagt niet nu uit de berekeningen van verweerder volgt dat de in de periode van 6 juli 2000 tot en met 19 juli 2000 gerealiseerde verkopen van ice & drinks zijn meegeteld voor de helft van het aantal dagen dat de winkel open was.

4.6. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij de originele stukken waarop de omzetcorrectie is gebaseerd niet tijdig heeft terugontvangen. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser aldus dat hij hierdoor niet tot het leveren van adequaat tegenbewijs in staat is geweest.

4.7. Het rechtbank verwerpt de onder 4.6. weergegeven stelling van eiser. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser kennis heeft kunnen nemen van de omzetten uit het rapport van het boekenonderzoek. Voorts heeft eiser de stukken op 17 januari 2006 geretourneerd gekregen van verweerder. Alhoewel deze datum na het instellen van het beroep is gelegen is eiser na deze datum in de gelegenheid geweest tot het leveren van tegenbewijs. Nu eiser dit niet heeft gedaan slaagt deze grond van eiser niet.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.5.1. Artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna Awr) bepaalt, voor zover van belang, dat de rechtbank het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaart indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen van artikel 52 van de Awr, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Artikel 27 j, derde lid, van de Awr verklaart deze bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

2.5.2. In artikel 52, eerste lid, van de Awr is, voor zover hier van belang, bepaald dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2.5.3. Vaststaat dat de inspecteur in de administratie van belanghebbende over de periode 6 juli 2000 tot en met 19 juli 2000 gegevens over de omzet heeft aangetroffen die afwijken van belanghebbendes kasadministratie. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze gegevens betrekking hebben op de onderneming van belanghebbende. Het Hof acht in dit verband van belang dat deze gegevens mede een kwitantie van D inzake de huur van het bedrijfspand van belanghebbende betreffen. De enkele stelling van belanghebbende dat de inspecteur dit deel van de administratie “zich op slinkse wijze heeft toegeëigend” acht het Hof niet aannemelijk omdat de inspecteur dit gemotiveerd betwist en stelt dat dit deel van de administratie door belanghebbende zelf aan de inspecteur is overhandigd in het kader van de ingestelde controle, hetgeen het Hof wel aannemelijk acht. In het midden kan dan ook blijven welke consequentie het hof zou moeten verbinden aan deze “slinkse wijze”.

2.5.4. Vaststaat voorts dat het kassaldo per 31 december 2000 volgens de aangifte 2000 niet aansluit bij het saldo van het kasboek per 31 december 2000 zoals door de inspecteur is bepaald. Daarenboven is geconstateerd dat, uitgaande van het kassaldo per 1 januari 2001 zoals dit volgt uit de aangifte inkomstenbelasting 2000, het boekhoudkundige kassaldo over 2001 negatief is (het grootste negatieve kassaldo over 2001 bedraagt alsdan ƒ 10.050,63).

2.5.5. Op grond van het hiervoor onder 2.5.3 en 2.5.4 overwogene acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de behaalde omzet in de jaren 2000 en 2001 niet volledig in zijn boekhouding heeft verwerkt, terwijl het zowel in absolute als relatieve zin substantiële bedragen betreft. Naar ’s Hofs oordeel voldoet de administratie van belanghebbende over evenvermelde jaren daarmee niet aan de daaraan gestelde eisen. De inspecteur heeft voor deze jaren dan ook terecht de administratie verworpen als basis voor het vaststellen van de verschuldigde belasting.

2.5.6. De inspecteur heeft voorts nog gesteld dat de administratie van belanghebbende niet voldoet aan de in artikel 52, eerste lid, van de Awr gestelde eisen omdat de dagstaten in 2000 en 2001 niet werden bewaard. Ook om die reden dient de administratie te worden verworpen, aldus de inspecteur. Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat de kladadministratie nadat deze integraal was overgenomen voor een digitale verwerking, was weggegooid. De kladadministratie diende, aldus belanghebbende, onder andere voor een saldocontrole. De inspecteur heeft in dit verband - ter zitting - gesteld dat geconstateerd is dat de digitale verwerking “verdicht was” en dus niet alle oorspronkelijke gegevens bevatte en derhalve niet voldeed aan de in artikel 52, vijfde lid, van de Awr gestelde eisen. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen de inspecteur heeft geconstateerd en merkt op dat zulks ook overeenkomt met hetgeen belanghebbende opmerkt inzake de saldocontrole. Ook op dit punt voldoet de administratie derhalve niet aan de in artikel 52 van de Awr gestelde eisen.

2.5.7. Het Hof concludeert dat de inspecteur de verwerping van de administratie van belanghebbende voor de jaren 2000 en 2001 voldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk geworden dat belanghebbende in zowel 2000 als 2001 omzet heeft verzwegen.

2.5.8. De inspecteur heeft voor de jaren 2000 en 2001 schattenderwijs een correctie aangebracht gebaseerd op de uit de wel uit de administratie blijkende omzetgegevens over de periode 6 juli 2000 tot en met 19 juli 2000. De inspecteur heeft daarbij rekening gehouden met het aantal dagen dat de winkel was gesloten. Voorts is hij ervan uitgegaan dat enkel ijs verkocht werd in de helft van het aantal dagen waarop de zaak van belanghebbende geopend was. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat de inspecteur op deze wijze een redelijke schatting heeft gemaakt van het belastbare inkomen van belanghebbende in 2000 en 2001.

2.5.9. De stelling van belanghebbende inzake de door de inspecteur in aftrek gebrachte lonen behoeft geen behandeling meer, reeds omdat deze stelling belang voor belanghebbende ontbeert. De desbetreffende bedragen zijn immers op de omzet in mindering gebracht. De overige stellingen van belanghebbende behoeven gelet op het hiervoor onder 2.5.3 tot en met 2.5.8 overwogene geen behandeling meer.

De pas in hoger beroep ingenomen stelling van belanghebbende inzake de opgelegde boeten kan eveneens onbesproken blijven nu bij de aanslagen geen boeten zijn opgelegd.

2.6. Slotsom

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn voor zover het de opgelegde aanslagen betreft, en niet-ontvankelijk voor zover het de vermeend opgelegde boeten betreft. De uitspraken van de rechtbank dienen te worden bevestigd.

2.7. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank met betrekking tot de opgelegde aanslagen en verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het hoger beroep met betrekking tot de vermeend opgelegde boeten.

Aldus vastgesteld door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, J.P.A. Boersma en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 16 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.