Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5400

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
07/00618
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het bezwaarschrift ligt onmiskenbaar een grond voor het maken van bezwaar tegen de naheffingsaanslag besloten. In dit verband is van belang dat artikel 6:5, eerste lid, letter b, van de Algemene wet bestuursrecht geen eisen stelt aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar.

Er is geen reden om van terugwijzing naar de inspecteur af te zien (vergelijk Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41 130, BNB 2006/290). Daarbij heeft het Hof onder meer gelet op het feit dat belanghebbende ter zitting nadrukkelijk heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de inspecteur en dat hij zich in de beroepsfase in beginsel ook met name heeft gericht op de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar.

Er is dus aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur om opnieuw op het bezwaar van belanghebbende te beslissen. Gelet op de tijd die is verstreken na het opleggen van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking, zal ook het Hof aan de door de inspecteur alsnog te nemen uitspraak een termijn verbinden van twaalf weken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P 07/618

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst A,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 06/5902 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 23 juli 2007 in het geding tussen

K te A,

gemachtigde mr. J

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met nummer 1841.36.581.F.01.2501 voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 3.962,--. Bij afzonderlijke beschikking heeft de inspecteur aan belanghebbende met gelijke datum een vergrijpboete opgelegd van € 1.981,--.

1.2. Na daartegen ingesteld bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 29 april 2006, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 23 juli 2007, verzonden op 27 juli 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de inspecteur vernietigd en de inspecteur opgedragen binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het door belanghebbende ingediende bezwaar.

Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 5 september 2007, ingekomen eveneens op 5 september 2007.

1.4. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Aldaar is toen verschenen en gehoord namens belanghebbende mr. J en namens de inspecteur mr. H en mr. W. Van het verhandelde ter zitting is een proces verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Met inachtneming van hetgeen dienaangaande is vermeld in de uitspraak van de rechtbank en de stukken van het geding en van hetgeen is verhandeld ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1.1. In het bezwaarschrift, gedagtekend 8 december 2005 en ingekomen bij de Belastingdienst op 9 december 2005, is, voorzover hier van belang, het volgende vermeld:

“Inzake : bezwaarschrift tegen naheffingsaanslag omzetbelasting 2002

t.n.v. K te A

Geachte heer, mevrouw,

Hierdoor kom ik namens belanghebbende, de heer K te A, in bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdvak 2002, onder aanslagnummer 1841.36.581.F.01.2501, gedagtekend 27 oktober 2005.

Ik verzoek u mij een nadere termijn voor motivering te verlenen.”

2.1.2. Bij brief van 16 december 2005 berichtte de inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende:

“U heeft namens K een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2002. Dit bezwaar kan ik niet afhandelen omdat het niet is gemotiveerd.

Ik stel u in de gelegenheid mij voor 16 januari 2006 alsnog een motivering van het bezwaar toe te zenden. Als ik de motivering niet voor deze datum heb ontvangen, kan ik het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.”

2.1.3. Bij brief van 17 maart 2006 berichtte de inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende:

“De uiterste reactiedatum om uw pro forma bezwaarschrift te motiveren is inmiddels geruime tijd verstreken. Een reactie uwerzijds waarin u de gronden aangeeft waartegen het bezwaar zich richt is echter uitgebleven. Ik stel u bij deze nog één keer in de gelegenheid om vóór uiterlijk 24 maart 2006 alsnog het vormverzuim te herstellen en mij aan te geven of u in de gelegenheid gesteld wilt worden gehoord te worden. (…)

Indien ik vóór 24 maart geen schriftelijke reactie van u heb ontvangen, zal het bezwaar door mij onder toepassing van het bepaalde in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk worden verklaard.”

2.1.4. In antwoord hierop berichtte belanghebbende bij brief van 23 maart 2006 onder meer het volgende:

“Hierdoor verzoek ik u mij nog een uitstel te verlenen met tien dagen tot 4 april 2006 voor een nadere motivering van het bezwaarschrift ter zake van de omzetbelasting.

De redenen hiervoor zijn de volgende.

De controlerend ambtenaar heeft een vordering terzake van een teruggaaf omzetbelasting die staat op de balans van het jaar 2000 laten vervallen, terwijl deze terugvordering bij brief indertijd is gevraagd. De suppletieaangifte omzetbelasting is indertijd gemaakt door een administratiekantoor, dat de boekhouding verzorgde voor cliënt. De stukken waarop die suppletieaangifte steunde, heb ik opgevraagd bij cliënt. Cliënt kan deze helaas niet aan mij verstrekken, omdat de ondernemer, die het administratiekantoor had, inmiddels ziek is en arbeidsongeschikt. Het administratiekantoor is derhalve opgeheven. Cliënt heeft mij toegezegd, dat ik in de loop van de volgende week kan beschikken over de stukken die nodig zijn ter ondersteuning van die omzetbelastingvordering. Deze aangelegenheid wil ik graag meenemen in de nadere motivering van het bezwaarschrift.”

2.1.5. Bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2006 heeft de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

2.2. Het geschil

Het geschil in hoger beroep betreft, evenals voor de rechtbank, de vraag of de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:

“4.1 Een bezwaar kan op grond van artikel 6:5, eerste lid onderdeel d, juncto artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat.

4.2 Verweerder heeft gesteld dat het door eiser ingediende bezwaarschrift niet, althans onvoldoende, was gemotiveerd en niet voldoet aan de eisen die artikel 6:5 van de Awb daaraan stelt. Verder heeft verweerder gesteld dat eiser in de gelegenheid is gesteld het bezwaarschrift alsnog te motiveren, eiser van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en eiser daarom niet ontvankelijk is in zijn bezwaar.

4.3 Bij brief van 16 december 2005 is eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift van een motivering te voorzien. Bij brief van 17 maart 2006 is eiser daartoe nogmaals in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 24 maart 2006. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 23 maart 2006 verzocht hem uitstel te verlenen voor het nader motiveren van zijn bezwaar tot 4 april 2006 en heeft in deze brief onder andere het volgende vermeld:

“De controlerend ambtenaar heeft een vordering terzake van een teruggaaf omzetbelasting die staat op de balans van het jaar 2000 laten vervallen, terwijl deze terugvordering bij brief indertijd is gevraagd. (...). Cliënt heeft mij toegezegd, dat ik in de loop van de volgende week kan beschikken over de stukken die nodig zijn ter ondersteuning van die omzetbelastingvordering. Deze aangelegenheid wil ik graag meenemen in de nadere motivering van het bezwaarschrift.”

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze tekst voldoende duidelijk dat en waarom eiser van mening is dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Verdere eisen behoeven aan de motivering van een bezwaarschrift niet te worden gesteld. Het bezwaarschrift is dan ook voldoende gemotiveerd.

Nu niet is gesteld of anderszins is gebleken dat aan het bezwaarschrift andere gebreken kleven, is het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.4 Gezien het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Gelet op de omstandigheid dat na het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking geruime tijd is verstreken, zal de rechtbank aan de door verweerder alsnog te nemen uitspraak op bezwaar een termijn verbinden van 12 weken.

4.5 De rechtbank komt niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil. De vraag of in het onderhavige geval van de adviseur van eiser (de gemachtigde) een schriftelijke machtiging kon worden verlangd als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb, is daarmee niet meer relevant en kan onbeantwoord blijven.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Overwegingen

2.5.1. De hiervoor in 2.1.4. aangehaalde inhoud van het bezwaarschrift laat geen andere uitleg toe dan dat belanghebbende heeft laten blijken dat hij met de inspecteur van mening verschilde over de juistheid van de stellingen die de inspecteur ten grondslag had gelegd aan zijn bevinding dat belanghebbende in het onderhavige tijdvak te weinig omzetbelasting had voldaan. Hierin ligt onmiskenbaar een grond voor het maken van bezwaar tegen de naheffingsaanslag besloten. In dit verband is van belang dat artikel 6:5, eerste lid, letter b, van de Algemene wet bestuursrecht geen eisen stelt aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar. Het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard is dan ook juist.

2.5.2. Ook het Hof ziet geen reden om van terugwijzing naar de inspecteur af te zien (vergelijk Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41 130, BNB 2006/290). Daarbij heeft het Hof onder meer gelet op het feit dat belanghebbende ter zitting nadrukkelijk heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de inspecteur en dat hij zich in de beroepsfase in beginsel ook met name heeft gericht op de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar.

2.5.3. Er is dus aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur om opnieuw op het bezwaar van belanghebbende te beslissen. Gelet op de tijd die is verstreken na het opleggen van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking, zal ook het Hof aan de door de inspecteur alsnog te nemen uitspraak een termijn verbinden van twaalf weken.

2.5.4. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

2.6. Proceskosten

Met betrekking tot de proceskosten geldt dat er termen aanwezig zijn voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten die belanghebbende met betrekking tot het hoger beroep heeft moeten maken. Voor vergoeding komt in aanmerking 2 (proceshandelingen) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322, ofwel € 644.

3. De beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- draagt de inspecteur op binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak opnieuw

uitspraak te doen op het door belanghebbende ingediende bezwaar;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644

en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Van de Staat zal een griffierecht van € 422 worden geheven.

Aldus vastgesteld door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, J.J.A.M. Kennis en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 9 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.