Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5328

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
18-08-2008
Zaaknummer
21-002951-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, na een eis van 8 jaren gevangenisstraf voor het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte maakte deel uit van een professionele, criminele organisatie die grote hoeveelheden ruwe cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht, bewerkte en verkocht en vervolgens de opbrengst daarvan witwaste. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. De gesmokkelde cocaïne en de opbrengsten daarvan werden verstopt in schoenen en albums. Deze wijze van smokkelen is bij een onderzoek naar aanleiding van een rip-deal aan het licht gekomen. In totaal is bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 30 mei tot en met 4 juli 2006 betrokken is geweest bij drie cocaïnetransporten.

Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte actief is geweest als “[bijnaam verdachte]”. Hij haalde de gesmokkelde cocaïne uit de schoenen en verborg vervolgens het geld er weer in, waardoor hij zich tevens schuldig maakte aan het witwassen van de opbrengsten. Ook heeft verdachte cocaïne verkocht. Andere leden van de organisatie konden immers de opbrengst van de cocaïne bij hem thuis ophalen, korte tijd nadat de cocaïne zijn huis was binnengebracht. Bij doorzoeking van zijn woning is voorts 330 gram cocaïne en ruim 129 gram fenacetine aangetroffen. Verdachte had, teneinde zijn werkzaamheden voor de organisatie te kunnen uitoefenen veelvuldig telefonische contacten met leden van de organisatie, in het bijzonder met één van de opdrachtgevers in Afrika. Hij vormde aldus met zijn werkzaamheden een essentiële schakel in de criminele activiteiten van de organisatie en moet, gelet op het feit dat hij al het geld en cocaïne in handen kreeg, hebben geweten van de omvang van de handel.

Bovenstaande vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde met totale veronachtzaming van de maatschappelijke gevolgen.

In het algemeen geldt voor drugs als cocaïne dat zij in hoge mate verslavend zijn en een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid van de gebruikers hiervan en verslaafde gebruikers maken zich veel schuldig aan verwervingsdelicten. De opbrengsten van de cocaïne kwamen via witwaspraktijken, hetzij in Afrika, hetzij in Nederland, weer terecht in het gewone betalingsverkeer. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

De raadsman heeft in zijn pleidooi verwezen naar de voor het smokkelen van 11 kilo cocaïne vigerende oriëntatiepunten, maar het hof is van oordeel dat de raadsman eraan voorbij gaat, dat het (in de feiten 1, 2 en 3) niet gaat om één delict met betrekking tot 11 kilo, maar om betrokkenheid bij een drietal zaken, hetgeen in het systeem van de oriëntatiepunten zou resulteren in significant zwaardere bestraffing. Het hof beseft, dat slechts aanwezig hebben bewezen wordt verklaard.

In het voordeel van verdachte heeft het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het te zijnen name staand Uittreksel Justitiële Documentatie, first-offender is en het feit dat het hof verdachte vrijspreekt van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde.

Het hof houdt tevens rekening met het feit dat verdachte slechts bescheiden voor zijn arbeid betaald kreeg en de opbrengst van cocaïne niet rechtstreeks aan hem ten goede lijkt te zijn gekomen.

Alles afwegende komt het hof tot een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002951-07

Uitspraak d.d.: 12 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

7 juni 2007 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Onbekend (Nigeria) op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 april 2008, 30 november 2007 en 29 mei 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R.A. van der Horst, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De dagvaarding onder 1 primair, 2 primair en 3 primair houdt in, dat verdachte, kort samengevat, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Artikel 1, lid 4 van de Opiumwet bepaalt, voor zover in deze van belang, dat onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van drugs is begrepen elke op verder vervoer, opslag, aflevering, ontvangst, of overdracht gerichte handeling met betrekking tot in ons land binnengesmokkelde drugs.

Hoewel het handelen van verdachte, die ter zitting heeft erkend, dat hij cocaïne uit schoenen haalde, zeer wel zou kunnen gelden als een handeling, gericht op verder vervoer, aflevering, of overdracht, heeft de steller van de tenlastelegging verdachtes handelingen niet nader feitelijk en toegesneden op art. 1 lid 4 Opiumwet omschreven. Dan zal het hof hebben te oordelen op basis van de gangbare betekenis die aan de gebezigde bewoordingen toekomt. Nu verdachte de cocaïne niet zelf heeft binnengesmokkeld, kan ter zake van zelfstandig plegen van het telkens primair tenlastegelegde niet worden veroordeeld. Evenmin is gebleken van bewuste nauwe samenwerking van verdachte met degene(n), die wel de cocaïne binnen Nederland heeft/hebben gebracht, zodat evenmin wegens medeplegen van het telkens primair tenlastegelegde een veroordeling kan volgen.

Gelet op het hierboven overwogene komt het hof ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tot een vrijspraak.

Verweren verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1, 2 en 3 aangevoerd dat het onduidelijk is of sprake is van cocaïne, als er al van verdovende middelen sprake is.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 is geen cocaïne in beslag genomen. Er heeft derhalve geen onderzoek plaatsgevonden of in casu sprake was van de stof cocaïne. Het hof is evenwel van oordeel dat sprake is geweest van de stof cocaïne, gelet op de navolgende omstandigheden:

? Blijkens het proces-verbaal Project Diaz 2006 van de politie Utrecht is zicht gekregen op een zestal drugstransporten die steeds op soortgelijke wijze werden georganiseerd en uitgevoerd, te weten de smokkel van (naar werd aangenomen) cocaïne in schoenen en (foto)albums.

? Bij twee van deze drugstransporten, op 8 en 13 juni 2006, is daadwerkelijk cocaïne in beslag genomen.

? Na aanhouding van verdachte vond op 4 juli 2006 een doorzoeking plaats aan de [adres] te [woonplaats], de woning van verdachte. Bij deze doorzoeking werd onder andere 330 gram cocaïne en 129,92 gram fenacetine aangetroffen.

? Verdachte heeft bij de politie gesproken over harddrugs en in verband daarmee enkel over cocaïne verklaard. Ook ter zitting van het hof d.d. 29 mei 2008 heeft verdachte enkel over cocaïne verklaard.

Gelet op bovenstaande acht het hof uitgesloten dat het in bovengenoemde feiten om andere drugs dan cocaïne zou gaan.

De raadsman van verdachte heeft voorts aangevoerd dat, als in de gesprekken wordt gesproken over [bijnaam verdachte], het niet duidelijk is of over verdachte wordt gesproken.

Het hof oordeelt hierover als volgt:

? Op 26 mei 2006 werd door de Politie Utrecht een team gevormd, werkzaam onder de projectnaam DIAZ2006. In het kader van dit onderzoek werden er op bevel van de officier van justitie te Utrecht en met machtiging van de rechter-commissaris te Utrecht, (GSM-) telefoonaansluitingen afgeluisterd. (ordner 1, pag. 30) Dit betroffen onder meer: telefoonnummer [telefoonnummer 1] (lijn 6) met gebruiker verdachte, telefoonnummer [telefoonnummer 2] met gebruiker [betrokkene 1], telefoonnummer [telefoonnummer 3] met gebruiker [betrokkene 2], [telefoonnummer 4] met gebruiker [betrokkene 3] en [telefoonnummer 6]/[telefoonnummer 7] met gebruiker [betrokkene 3]. (ordner 1, pag. 31 en 82) [betrokkene 4] maakte gebruik van het telefoonnummer: [telefoonnummer 8]. Dit blijkt uit een tapgesprek waarin door Tempoteam aan [betrokkene 4] wordt gevraagd zijn telefoonnummer te geven, waarna [betrokkene 4] voornoemd nummer opgeeft. (ordner 8, pag. 3138)

Uit bovenstaande kan worden afgeleid dat verdachte verschillende telefonische contacten onderhoudt met andere verdachten uit het onderzoek, waaronder de opdrachtgever in Afrika.

? Na aanhouding van verdachte vond op 4 juli 2006 een doorzoeking plaats aan de [adres] te [woonplaats], de woning van verdachte. Bij deze doorzoeking wordt onder andere 330 gram cocaïne en 129,92 gram fenacetine aangetroffen.

? Verdachte heeft verklaard dat hij voor vrienden harddrugs in schoenen doet en uit schoenen haalt en de schoenen vervolgens weer dichtnaait, waarna hij geld krijgt. Voort verklaart hij: “De meeste mensen zeggen hun naam niet tegen mij om redenen die wel bekend zijn en noemen mij ‘[bijnaam verdachte]’”.

Gelet op bovenstaande omstandigheden en mede gelet op het feit dat nergens het bestaan van een andere schoenmaker uit is gebleken, gaat het hof voorbij aan de mogelijkheid dat er sprake zou zijn geweest van een andere schoenmaker.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In de nader te noemen bewijsmiddelen komen conclusies voor, die het hof tot de zijne maakt.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair (DIA/ZA/02)

Op 1 juni 2006 om 17:54 uur belt [betrokkene 3] met [betrokkene 5]. [betrokkene 5] vraagt hoeveel het was van “die dingen” die [betrokkene 6] van die mensen had gekregen. [betrokkene 3] zegt: twee schoenen, één sandaal en één schoen en een half album. [betrokkene 5] vraagt hoeveel er in die drie verschillende dingen zit. [betrokkene 3] antwoordt “1850”. (ordner 8, pag. 2818)

Ongeveer tien minuten later,18:05 uur, belt [betrokkene 3] wederom naar [betrokkene 5]. [betrokkene 5] zegt: “jullie hebben meer dan 1.8 ontvangen”. [betrokkene 3] zegt dat ze drie schoenen en een half van dat ding hebben. [betrokkene 5] zegt dat ze hebben gezegd dat ze twee schoenen en een half van dat ding hebben ontvangen. [betrokkene 3] zegt dan dat “hij” niet alles heeft afgegeven. [betrokkene 5] zegt dat ze, als elke schoen 900 is, zij meer dan 1.8 hebben ontvangen. [betrokkene 3] zegt dat dit niet klopt, dat de sandaal een inhoud heeft van 700 en de andere schoen ook, dat die schoenen maat 41 en 42 of 42 en 43 zijn en dat hij dat allemaal ergens heeft opgeschreven. [betrokkene 3] zegt voorts dat [bijnaam verdachte] alles heeft opgeschreven en dat hij, [betrokkene 3], dat papier thuis heeft en dat hij [bijnaam verdachte] zal bellen omdat deze wel weet welke maat schoenen hij heeft opengemaakt. (ordner 8, pag. 2819)

Vijf minuten later belt [betrokkene 3] naar verdachte. Verdachte zegt dat hij zo terug zal bellen. (ordner 8, pag. 2820)

Op 4 juli 2006 belt [betrokkene 3] naar verdachte. Verdachte zegt dat hij niet teruggebeld heeft omdat hij het nummer was verloren. Verdachte vraagt of “hij” onschuldig is. [betrokkene 3] zegt “ja” en zegt dat hij had opgehaald wat er in zat. (ordner 8, pag. 2828)

Tijdens de doorzoeking in de woning van [betrokkene 3] op 14 juni 2006 werd onder andere een notitieboekje met bruin lederen kaft in beslag genomen. Op een bladzijde van dit notitieboekje staat de volgende notitie vermeld: (ordner 3, pag. 1032-1033 en ordner 4, pag. 1209-1211)

ALBUM

42 x1

41 x 1 Sand

1850

28

Blijkens het proces-verbaal van de politie staan de cijfers 42 en 41 in de notitie waarschijnlijk voor schoenmaten. De “1850” uit de notitie heeft waarschijnlijk betrekking op het telefoongesprek van 1 juni 2006 te 17:54 uur. Door [betrokkene 3] wordt in het daaropvolgende gesprek van 18:05 uur gezegd dat hij het allemaal opgeschreven heeft.

Verdachte heeft verklaard dat hij voor een man uit Sierra Leone (wijzend naar de foto van [betrokkene 5]) wel eens drugs uit schoenen heeft gehaald. Hij belde en vertelde dat hij iemand zou sturen zoals hij altijd doet. Die man kwam naar verdachte toe en ze hebben samen die schoenen opengemaakt. De drugs hebben ze in een zak gestopt en die nam die man mee. De meeste mensen zeggen hun naam niet tegen verdachte en noemen hem [bijnaam verdachte]. (ordner 2, pag. 383)

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden en mede gelet op het feit dat de modus operandi overeen komt met verschillende andere drugstransporten die in het kader van onderzoek DIAZ2006 onderzocht zijn, acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat in de periode van 30 mei 2006 tot en met 2 juni 2006 een drugstransport heeft plaatsgevonden, waarbij in totaal 1850 gram cocaïne via Schiphol binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Deze cocaïne is vervolgens gebracht naar [bijnaam verdachte], verdachte, om de cocaïne uit de schoenen te verwijderen. Aldus heeft verdachte in voornoemde periode samen met anderen ongeveer 1850 gram cocaïne aanwezig gehad.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair (DIA/ZA/03)

Op 5 juni 2006, te 17:55 uur belt [betrokkene 3] met [betrokkene 7] in Gambia. [betrokkene 3] vraagt wie er morgen komt. [betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 8] zal komen. Dan komt [betrokkene 8] aan de lijn en vertelt dat hij [betrokkene 8] [betrokkene 8] heet en om 08:00 uur op Schiphol zal aankomen, in Rotterdam woont en een broertje heeft die [naam 1] heet. (ordner 8, pag. 2830). Uit onderzoek is gebleken dat er op de passagierslijst van de rechtstreekse vlucht uit Banjul, Gambia, die op 6 juni 2006 op Schiphol aankomt, slecht één [betrokkene 8] voorkomt. (ordner 4, pag. 1366-1372)

[betrokkene 8] heeft verklaard dat hij op 6 juni 2006 terug uit Afrika terug was gekomen in Nederland.

Op 6 juni 2006 omstreeks 10:02 uur belt [betrokkene 3] naar [betrokkene 7] persoon in Gambia en vraagt wat “die andere” allemaal meeneemt. [betrokkene 7] antwoordt: 5 paar schoenen en een album. (ordner 8, pag. 2842)

Ongeveer tien minuten later belt [betrokkene 3] naar [betrokkene 5] in Sierra Leone. [betrokkene 3] zegt dat hij die man heeft gezien die aangekomen is en dat hij alles heeft ontvangen wat die man bij zich had. (ordner 8, pag. 2845)

Om 14:23 uur belt [betrokkene 3] of [betrokkene 3] met verdachte en zegt dat hij eraan komt, waarna ongeveer 20 minuten later wordt gebeld dat hij buiten staat. (ordner 8, pag. 2850 en 2851)

Om 15:00 uur belt [betrokkene 3] met [betrokkene 5] en zegt dat hij op dat moment bij [bijnaam verdachte] is. [betrokkene 3] zegt dat hij bezig is om ze open te maken en dat ze nog niet gekeken hebben. [betrokkene 5] wil weten hoeveel er aangekomen is. [betrokkene 5] zegt dat ze er aan mogen zitten, want die “ene jongen” zou er “26” voor geven en die “andere jongen” zou er “27” voor geven. [betrokkene 3] zegt dat [bijnaam verdachte] nu dingen aan het koken is. [betrokkene 5] zegt dat [bijnaam verdachte] zich goed moet concentreren, want ze moeten tot 8 uit zien te komen. (ordner 8, pag. 2852)

Om 15: 34 uur belt [betrokkene 3] met [betrokkene 5] en zegt dat ze hebben gewogen en dat het 5,760 is geworden. (ordner 8, pag. 2855)

Twee minuten later belt [betrokkene 3] met [betrokkene 5]. Ze hebben het over de uitslag van 5.760. [betrokkene 3] vraagt aan [betrokkene 5] of hij wil dat het weer standaard “8” wordt. [verdachte] komt aan de lijn. [betrokkene 5] vraagt hoeveel van het spul hij nodig heeft. Verdachte zegt dat hij 3 nodig heeft. [betrokkene 5] zegt dat hij wil dat verdachte 2 neemt. [betrokkene 5] zegt dat hij die anderen ook zo moet mengen. [betrokkene 5] zegt dat hij 2,7 wil hebben. (ordner 8, pag. 2856)

Om 16:26 uur belt [betrokkene 3] naar [betrokkene 5] en zegt dat het “8” is geworden. “Het” is “400” geworden zegt [betrokkene 3]. Er zijn nog restanten. (ordner 8, pag. 2860)

Verdachte heeft verklaard dat hij voor een man uit Sierra Leone (wijst naar de foto van [betrokkene 5]) wel eens drugs uit schoenen gehaald. (ordner 2, pag. 383) Voorts heeft verdachte verklaard dat hij zichzelf [verdachte] noemt. (ordner 2, pag. 397) Over het gesprek van 6 juni 2006 te 15:36 uur naar aanleiding van de vraag of het klopt dat gepraat wordt over het versnijden van drugs heeft verdachte verklaard: “Ja, dat kan daarover hebben we wel eens gepraat. We gebruikten wel eens versnijdingsmiddel en [betrokkene 5] vertelde hoeveel het moest worden en dan werd het gemixt met versnijdingsmiddel. Dat deden de mensen die bij mij in huis waren. Dat mixen, daar hielp ik wel eens mee als men dat vroeg.” (ordner 2, pag. 395)

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte op 4 juli 2006 is onder andere 330 gram cocaïne, 129,92 gram fenacetine en twee weegschaaltjes aangetroffen. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij zelf wel eens cocaïne heeft gewogen. Er kwamen mensen bij hem thuis en dan moest de cocaïne nog gewogen worden. Hij deed dit met een weegschaal in zijn woning. (ordner 2, pag. 374)

Bij doorzoeking in de woning van [betrokkene 3] op 14 juni 2006 is een zwarte portemonnee met daarin pasjes op naam van [betrokkene 3] in beslag genomen. In deze portemonnee zaten twee losse papiertjes met de volgende notities:

1 s file 5760

1 b file 370

2 x 46 30

1x 22 sandal 6160

2 x 44

Blijkens het proces-verbaal van politie zou het getal 5.760 kunnen worden gerelateerd aan het hierboven vermelden gesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 5] op 6 juni 2006 te 15:34 uur. De notities 2 x 46, 1 x 44 sandal en 2 x 44 zijn vermoedelijk schoenmaten en kunnen worden gerelateerd aan het bovenvermelde gesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 7]-man van 6 juni 2006 te 10:02 uur. (ordner pag. 1032-1033 en ordner 4 pag. 1215-1216)

Op grond van bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 juni 2006 samen met anderen opzettelijk ongeveer 5760 gram cocaïne heeft bewerkt c.q. verwerkt.

Ten aanzien van feit 3 (DIA/ZA/05)

Op 27 juni 2006 worden de volgende telefoongesprekken gevoerd:

Om 00:43 uur zegt [betrokkene 3] in een telefoongesprek tegen [betrokkene 1] dat hij morgen iemand van Schiphol moet ophalen. (ordner 8, pag. 3017)

Om 09:43 uur belt [betrokkene 5] naar verdachte en vraagt naar de huidige prijs. Verdachte zegt achtentwintig. [betrokkene 5] zegt vervolgens dat hij dit vraagt omdat hij daar iets heeft en mensen heeft gestuurd. Verdacht vraagt of ze vandaag komen en [betrokkene 5] zegt ja. (ordner 8, pag. 2983)

Met “achtentwintig” wordt naar alle waarschijnlijkheid de prijs van cocaïne bedoeld. Uit cijfers van het NRI blijkt dat de verkoopprijs van een kilogram cocaïne in 2004 ongeveer € 27.000,- bedroeg. (ordner 6, pag. 2007)

Om 12:12 uur belt [betrokkene 3] met verdachte en zegt dat hij in zijn woonplaats is en vraagt hem naar zijn huisnummer. (ordner 8, pag. 2985)

Om 14:01 uur belt [betrokkene 5] naar verdachte en vraagt of de jongens daar zijn. Verdachte zegt dat ze al weg zijn gegaan.

Eén minuut later belt [betrokkene 5] weer naar verdachte. [betrokkene 5] vraagt of die vent dat geld allemaal gaat betalen. Verdachte zegt dat die vent dat ding heeft meegenomen en dat hij de rest zal verkopen. [betrokkene 5] vraagt of die jongen nu het geld kan komen halen. Verdachte zegt dat zodra hij klaar is, ze het geld mogen komen halen. (ordner 8, pag. 2987)

Om 17:49 uur belt [betrokkene 3] verdachte en vraagt of hij kan komen. Verdachte zegt dat hij kan komen en die ene kan meenemen. [betrokkene 3] zegt dat ze eraan komen. (ordner 8, pag. 2988)

Om 18:30 uur belt [betrokkene 5] naar verdachte. Verdachte zegt dat er één weg is. (ordner 8, pag. 2989)

Driekwartier later belt [betrokkene 3] naar verdachte en zegt dat hij voor diens deur staat. (ordner 8, pag. 2990)

Op 28 juni 2006 te 19:25 uur belt [betrokkene 5] naar verdachte. Verdachte zegt dat de jongens van [betrokkene 5] net weg zijn en dat hij hun iets heeft gegeven. [betrokkene 5] vraagt hoeveel in totaal verdachte aan de jongens heeft gegeven. Verdachte zegt drie (3) zeven (7). [betrokkene 5] zegt dat er nog veel meer over is. Verdachte weet dat maar de dingen zijn overal te vinden en het gevolg is dat de prijs laag is. [betrokkene 5] zegt dat verdachte moet zorgen dat het morgen klaar is want de andere man vraagt dit steeds aan hem. (ordner 8, pag. 2993)

Op 29 juni 2006 te 19:27 uur belt [betrokkene 5] naar verdachte. [betrokkene 5] vraagt of verdachte het al heeft verwerkt. Verdachte zegt dat hij het gisteravond aan hen heeft gegeven. [betrokkene 5] vraagt om de totaalcijfers. Verdachte zegt acht (8) één (1) en zegt dat hij onder druk is gezet om snel te werken en die dingen snel heeft afgegeven aan de mensen omdat [betrokkene 5] het snel wilde hebben. Verdachte klaagt dat hij van zijn kant niks heeft verdiend. [betrokkene 5] zegt dat verdachte nog geld van hem tegoed heeft. (ordner 8, pag. 2994)

Bij doorzoeking in het perceel aan de [adres 2] te [woonplaats 2] werd onder andere een agenda aangetroffen, welke aan [betrokkene 3] toebehoort. In deze agenda staat onder 5, 6 en 7 januari vermeld:

5 januari 6 januari 7 januari

Amsterdam man [betrokkene 11] [betrokkene 12]

€ 44.000 € 18.550 € 99.950

Totaal € 81.000

26-06-2006 28-06-2006 29-06-2006 (ordner 4, pag. 1222)

Deze notitie kan gerelateerd worden aan het telefoongesprek van 29 juni 2006 te 19:27 uur waarin verdachte zegt dat het totaalcijfer acht één is. Voorts is 81.000 – 44.000 – 37.000. Deze 37.000 zou gerelateerd kunnen worden aan het telefoongesprek van 28 juni 2006 te 19:25 uur waarin verdachte zegt dat hij drie (3) zeven (7) heeft gegeven aan de jongens.

Verdachte heeft op 12 juli 2006 verklaard dat hij met [betrokkene 5] contact had over de telefoon. Hij vroeg hem dan om drugs of geld in schoenen te bouwen en andere mensen zouden het dan brengen en halen. Dit is meer dan 5 keer gebeurd. (ordner 2. pag. 383)

[betrokkene 3] is bij de politie geconfronteerd met het telefoongesprek van 27 juni 2007 te 00:43 uur. Hij heeft daarover verklaard dat hij inderdaad met [betrokkene 4] naar Schiphol is gegaan en daar iemand heeft opgehaald en dat deze persoon een soort tas bij zich had. Hij moest iemand ophalen omdat [betrokkene 7] hem dat gevraagd had. (ordner 2, pag. 564)

Uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat met [betrokkene 7] [betrokkene 5] wordt bedoeld. (ordner 2. pag. 594)

[betrokkene 4] heeft verklaard dat hij samen met [betrokkene 3] een vrouw van Schiphol heeft opgehaald en dat hij [betrokkene 3] achteraf had gevraagd wie die vrouw was. [betrokkene 3] heeft hem toen verteld dat deze vrouw voor [betrokkene 5] werkte. [betrokkene 4] heeft toen gezegd dat hij niets in zijn auto wilde en dat hij daarmee drugs bedoelde. [betrokkene 5] had hem namelijk een paar keer gevraagd of hij drugs wilde vervoeren. (ordner 2, pag. 626 en 627) [betrokkene 4] bevestigt dat hij [betrokkene 3] twee keer naar een man in Amsterdam heeft gebracht. Hij zag dat de man geld aan [betrokkene 3] gaf. Hij en [betrokkene 3] zijn later teruggegaan naar de man om de rest van het geld op te halen. [betrokkene 3] moest het geld voor [betrokkene 5] ([betrokkene 5]) ophalen. (ordner 2, pag. 629)

Door [betrokkene 1] is verklaard dat [betrokkene 3] haar op 27 juni 2006 vertelde dat hij de volgende dag iemand van Schiphol moest halen. Op 28 juni is [betrokkene 3] bij haar geweest en heeft hij 45 en 55 gebracht. Op de vraag of dat kilo’s, grammen of geld is antwoordt ze dat ze euro’s bedoelt. (ordner 2, pag. 477-480)

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 25 juni tot en met 30 juni 2006 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van cocaïne.

Ten aanzien van feit 4 en feit 5 (DIA/ZA/11)

Op 4 juli 2006 heeft een doorzoeking in de woning van verdachte plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking werden onder andere wit poeder in een zakje en in een bus met rode deksel gevonden. (ordner 3, pag. 829-831)

Het poeder werd door het bureau Forensische Opsporing van de politie Utrecht onderworpen aan een indicatieve test. De partij witte poeder had een gewicht van 330 gram en testte positief op cocaïne. De partij, voorzien van kenmerk 20061140 werd voor een deel voor analyse gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). (ordner 3, pag. 825-827) Dit monster 20061140 werd door het NFI positief getest op cocaïne. (ordner 6, pag. 1987-1988)

Het overige poeder werd eveneens gewogen en met de kenmerken 20061268 (gewicht: 1040,23 gram), 200612689 (gewicht: 19,32 gram) en 20061270 (gewicht: 110,60 gram) naar het NFI gezonden. (ordner 1, pag. 176) Door het NFI is het materiaal met voornoemde kenmerken getest. Gebleken is dat het materiaal met kenmerk 2001269 en het materiaal met kenmerk 20061270 fenacetine bevat. (ordner 6, pag. 2003-2004) In het zogeheten Trend Rapport, afkomstig van het Korps Landelijke politiediensten, Dienst Nationale Recherche, wordt bevestigd dat de stof fenacetine gebruikt wordt als versnijdingsmiddel. Het gevolg van het versnijden van cocaïne met fenacetine is dat de winst bij de verkoop bijna verdubbelt. Fenacetine kan ernstige gezondheidsklachten teweeg brengen. (ordner 6, pag. 2005-2006)

Verdachte heeft verklaard dat er ongeveer 200 à 300 gram cocaïne in zijn huis aanwezig was. (ordner 2, pag. 375) Voorts heeft hij verklaard dat er wel eens mensen bij hem thuis kwamen waarvoor hij cocaïne in schoenen moest verstoppen. Die bepalen dan of het versneden moet worden. Soms is het al versneden en soms doen die mensen het in zijn huis waar hij bij is.(ordner 2, pag. 381)

Gelet op hierboven vermelde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 juli 2006 ongeveer 129,92 gram fenacetine voorhanden heeft gehad en 330 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 6 (DIA/ZA/08)

Op 29 juni 2006 te 20:33 uur belt [betrokkene 4] met [betrokkene 3]. [betrokkene 4] deelt mede dat [betrokkene 5] hem heeft gebeld en dat [betrokkene 5] heeft gezegd dat [betrokkene 3] die vent moet bellen waar zij gisteren waren geweest. [betrokkene 3] moet tegen die vent zeggen dat [betrokkene 4] morgen naar hem toekomt om schoenen te maken want hij moet geld naar [betrokkene 5] sturen. (ordner 8, pag. 3082)

Om 21:51 uur belt [betrokkene 3] naar verdachte en zegt dat hij zijn maatje heeft gesproken en dat zij morgen naar hem toekomen om schoenen te maken. (ordner 8, pag. 3083)

Om 21:52 uur belt [betrokkene 3] naar [betrokkene 4] en zegt dat hij hem heeft gesproken en dat ze morgen naar hem toe gaan. [betrokkene 4] zegt dat [betrokkene 3] moet zeggen dat hij komt om “papieren” te bouwen. (ordner 8, pag. 3084)

Op 30 juni 2006 te 15:02 uur belt [betrokkene 5] met [betrokkene 3]. [betrokkene 5] zegt dat er negen negen en nog wat is en wil dat [betrokkene 3] naar die vent toegaat om tachtig grand te laten bouwen en dat [betrokkene 10] (het hof begrijpt [betrokkene 4]) meteen zijn ticket moeten regelen om te komen. [betrokkene 3] vraagt nogmaals om het bedragen en [betrokkene 5] zegt tachtigduizend. [betrokkene 5] heeft die vent gesproken en [betrokkene 3] moet het geld, die tachtigduizend meenemen en in schoenen laten bouwen. (ordner 8, pag. 3090)

Om 15:07 uur belt [betrokkene 4] naar [betrokkene 3] en zegt dat zij die vent moeten bellen om die ding te brengen en zij moeten 80 nemen. [betrokkene 3] zegt dat hij dit ook tegen hem had gezegd. [betrokkene 4] zal proberen een ticket voor maandag te krijgen als dat ingebouwd is. (ordner 8, pag. 3092)

Om 15:10 uur belt [betrokkene 5] met verdachte en zegt dat hij zijn jongens naar hem stuurt om tachtig in de schoenen te laten bouwen. Papieren die ze hebben gebracht. (ordner 8, pag. 3117)

Verdachte heeft verklaard dat hij contact over de telefoon had met [betrokkene 5]. In juni 2006 heeft [betrokkene 5] hem gebeld en gezegd dat hij mensen naar verdachte toe zou sturen om voor hun geld in schoenen te verstoppen. (ordner 2, pag. 390) Voorts heeft hij verklaard dat met 80 misschien wel 80.000 euro wordt bedoeld. (ordner 2, pag. 433)

Door [betrokkene 4] is verklaard dat hij samen met [betrokkene 3] twee keer bij de man in Amsterdam is geweest. De man gaf ook één paar schoenen mee. Omdat [betrokkene 5] had gezegd dat die man geld moest inbouwen, zag hij dat de man geld in schoenen verstopte. Hij zag dat de man de binnenzool van beide schoenen eruit haalde en daaronder het geld verstopte. [betrokkene 5] had gezegd dat die man 80 moest maken. Hij dacht dat het drugsgeld was. [betrokkene 4] herkent verdachte van de foto als de man waar zij in Amsterdam waren geweest. (ordner 2, pag. 628-632) Het geld moest naar [betrokkene 5] worden gebracht zodra er een ticket beschikbaar was. (ordner 2, pag. 639)

Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 3] is een agenda aangetroffen met daarin de naar [betrokkene 3] geschreven. Hierin staat onder 5, 6, 7 januari (het hof neemt aan dat die data hier geen betekenis hebben) vermeld:

5 januari 6 januari 7 januari

Amsterdam man [betrokkene 11] [betrokkene 12]

€ 44.000 € 18.550 € 99.950

Totaal € 81.000

26-06-2006 28-06-2006 29-06-2006 (ordner 4, pag. 1222)

Op 30 juni 2006 belt [betrokkene 3] met [betrokkene 1] en zegt tegen haar dat hij geld nodig heeft. [betrokkene 3] vraagt [betrokkene 1] of ze het er voor hem uit wil halen, die kleine van vijf, vijfhonderdvijfendertig. (ordner 8, pag. 3087)

Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] werd in de gangkast een plastic boodschappentas aangetroffen met euro bankbiljetten en Zwitserse Francs. Verder werd één paar lederen schoenen aangetroffen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat deze aangetroffen spullen eigendom zijn van [betrokkene 3]. (ordner 4, pag. 1146). In totaal is iets meer dan € 110.000,- in beslag genomen. Een deel van dit geld, € 66.000,- bevond zich in schoenen. (ordner 3, pag. 838-847)

In haar verklaring bij de politie is [betrokkene 1] geconfronteerd met de notitie in de bij [betrokkene 3] aangetroffen agenda. Zij verklaart dat dit briefje volgens haar door dezelfde persoon is geschreven als het briefje dat bij haar thuis is gevonden (het hof begrijpt dat [betrokkene 1] bedoelt een kopie van een röntgenfoto, nummer DIA/4/A1/01), welke haar daarvoor was getoond). Op de vraag waarom [betrokkene 12] boven € 99.950 staat geschreven, verklaart [betrokkene 1] dat dit volgens haar betekent dat iemand op wilde schrijven wat de persoon aan haar heeft gegeven en dat dat [betrokkene 6] ([betrokkene 3]) is geweest. [betrokkene 3] heeft inderdaad op 28 juni 2006 een tas bij haar gebracht. [betrokkene 3] had tegen haar gezegd dat er in die tas € 45.000,- zat. De volgende dag heeft zij met [betrokkene 3] over € 49.950,- gesproken. [betrokkene 1] heeft voorts verklaard dat die € 99.950,- al lang uit haar huis is en dat van de ongeveer € 110.000,- die bij haar huis in beslag is genomen

€ 7.000,- van haar is en € 28.000,- van haar vader. De rest, de enveloppe met geld, is van [betrokkene 6] [betrokkene 3]. (ordner 2, pag. 529, 531 en 532)

Uit tapgesprekken gevoerd op 4 juli 2006 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] en later tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 5], blijkt dat het geld dat zij verbouwd hadden en aan [betrokkene 1] hadden gegeven, allemaal is meegenomen door de politie. (ordner 8, 3029, 3154, 3162 en 3163)

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte, noch [betrokkene 5], noch [betrokkene 4], noch [betrokkene 1], noch [betrokkene 3] en noch [betrokkene 3] over een zodanig legaal inkomen beschikten, dat daaruit de geldbedragen verklaard kunnen worden. (ordner 1, pag. 141-144)

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van witwassen.

Ten aanzien van feit 7 (DIA/ZA/10)

Het hof is, gelet op hetgeen onder de feiten 1 tot en met 6 is opgemerkt, van oordeel dat sprake is geweest van een duurzame en gestructureerde organisatie. Op geraffineerde wijze werden cocaïne en geld in schoenen en boeken verborgen en vervoerd. Dit gebeurde meerdere malen waarbij er sprake was van een soort taakverdeling.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van deze organisatie. Hij heeft verklaard dat hij drugs uit schoenen haalde en geld in schoenen verstopte en hij is ook bezig geweest met versnijden. Dat verdachte slechts min of meer toevallig heeft samengewerkt met de overige leden van de organisatie acht het hof niet aannemelijk.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde:

telkens:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Een feit, als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

ten aanzien van het onder feit 5 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, na een eis van 8 jaren gevangenisstraf voor het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte maakte deel uit van een professionele, criminele organisatie die grote hoeveelheden ruwe cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht, bewerkte en verkocht en vervolgens de opbrengst daarvan witwaste. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. De gesmokkelde cocaïne en de opbrengsten daarvan werden verstopt in schoenen en albums. Deze wijze van smokkelen is bij een onderzoek naar aanleiding van een rip-deal aan het licht gekomen. In totaal is bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 30 mei tot en met 4 juli 2006 betrokken is geweest bij drie cocaïnetransporten.

Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte actief is geweest als “[bijnaam verdachte]”. Hij haalde de gesmokkelde cocaïne uit de schoenen en verborg vervolgens het geld er weer in, waardoor hij zich tevens schuldig maakte aan het witwassen van de opbrengsten. Ook heeft verdachte cocaïne verkocht. Andere leden van de organisatie konden immers de opbrengst van de cocaïne bij hem thuis ophalen, korte tijd nadat de cocaïne zijn huis was binnengebracht. Bij doorzoeking van zijn woning is voorts 330 gram cocaïne en ruim 129 gram fenacetine aangetroffen. Verdachte had, teneinde zijn werkzaamheden voor de organisatie te kunnen uitoefenen veelvuldig telefonische contacten met leden van de organisatie, in het bijzonder met één van de opdrachtgevers in Afrika. Hij vormde aldus met zijn werkzaamheden een essentiële schakel in de criminele activiteiten van de organisatie en moet, gelet op het feit dat hij al het geld en cocaïne in handen kreeg, hebben geweten van de omvang van de handel.

Bovenstaande vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde met totale veronachtzaming van de maatschappelijke gevolgen.

In het algemeen geldt voor drugs als cocaïne dat zij in hoge mate verslavend zijn en een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid van de gebruikers hiervan en verslaafde gebruikers maken zich veel schuldig aan verwervingsdelicten. De opbrengsten van de cocaïne kwamen via witwaspraktijken, hetzij in Afrika, hetzij in Nederland, weer terecht in het gewone betalingsverkeer. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

De raadsman heeft in zijn pleidooi verwezen naar de voor het smokkelen van 11 kilo cocaïne vigerende oriëntatiepunten, maar het hof is van oordeel dat de raadsman eraan voorbij gaat, dat het (in de feiten 1, 2 en 3) niet gaat om één delict met betrekking tot 11 kilo, maar om betrokkenheid bij een drietal zaken, hetgeen in het systeem van de oriëntatiepunten zou resulteren in significant zwaardere bestraffing. Het hof beseft, dat slechts aanwezig hebben bewezen wordt verklaard.

In het voordeel van verdachte heeft het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het te zijnen name staand Uittreksel Justitiële Documentatie, first-offender is en het feit dat het hof verdachte vrijspreekt van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde.

Het hof houdt tevens rekening met het feit dat verdachte slechts bescheiden voor zijn arbeid betaald kreeg en de opbrengst van cocaïne niet rechtstreeks aan hem ten goede lijkt te zijn gekomen.

Alles afwegende komt het hof tot een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Beslag

Het onder feit 6 en 7 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Voorts is dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van het onder feit 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde verkregen. Het behoort de veroordeelde toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en7 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten:

€ 6.830,66.

Aldus gewezen door

mr J.M.J. Denie, voorzitter,

mr J.H.C. van Ginhoven en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs, griffier,

en op 12 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.