Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5327

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
18-08-2008
Zaaknummer
21-004881-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, na een eis van 10 jaren gevangenisstraf voor het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen tot twee maal toe schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is eerst door verdachte in de woning van verdachte van zijn vrijheid beroofd. De volgende dag is het slachtoffer, na door verdachte te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar een woning in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en de verdachte is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Twee van de drie daders trokken een overall aan en het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

Voorts maakte verdachte deel uit van een professionele, criminele organisatie die grote hoeveelheden ruwe cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht, bewerkte en verkocht en vervolgens de opbrengst daarvan witwaste. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. De gesmokkelde cocaïne en de opbrengsten daarvan werden verstopt in schoenen en albums. Verdachte is als lid van deze organisatie vier keer betrokken geweest bij de invoer van cocaïne. In totaal ging het om ruim 16.174 gram cocaïne in een korte periode. De organisatie hield zich tevens bezig met het witwassen van de opbrengsten van cocaïne.

Verdachte had teneinde zijn werkzaamheden voor de organisatie te kunnen uitoefenen veelvuldig telefonische contacten met leden van de organisatie, waaronder één van de opdrachtgevers in Afrika, [betrokkene 3] en de schoenmaker [naam], die de ingevoerde cocaïne uit de schoenen haalde en er geld in verborg. Verder was hij onder andere betrokken bij het afhalen van de koeriers van Schiphol. Hij vormde aldus met zijn werkzaamheden een essentiële schakel in de criminele activiteiten van de organisatie.

Bovenstaande vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde met totale veronachtzaming van de maatschappelijke gevolgen.

In het algemeen geldt voor drugs als cocaïne dat zij in hoge mate verslavend zijn en een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid van de gebruikers hiervan en tevens kan leiden tot gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving, in het bijzonder met betrekking tot die van de sociale veiligheid. De opbrengsten van de cocaïne kwamen via witwaspraktijken, hetzij in Afrika, hetzij in Nederland, weer terecht in het gewone betalingsverkeer. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het te zijnen name staand Uittreksel Justitiële Documentatie, éénmaal eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zaken van andersoortige feiten dan thans is bewezenverklaard.

Alles afwegende komt het hof tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-004881-07

Uitspraak d.d.: 12 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

20 november 2007 in de strafzaak tegen

[verdachte][betrokkene 11][verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

30 november 2007 en 29 mei 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr D.M. Penn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Algemene overwegingen

Cocaïne

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 3 en 4 aangevoerd dat het onduidelijk is of sprake is van cocaïne.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 is geen cocaïne in beslag genomen. Er heeft derhalve geen onderzoek plaatsgevonden of in casu sprake was van de stof cocaïne. Het hof is evenwel van oordeel dat sprake is geweest van de stof cocaïne, gelet op de navolgende omstandigheden:

? Blijkens het proces-verbaal Project Diaz 2006 van de politie Utrecht is zicht gekregen op een zestal drugstransporten die steeds op soortgelijke wijze werden georganiseerd en uitgevoerd, te weten de smokkel van (naar werd aangenomen) cocaïne in schoenen en (foto)albums.

? Bij twee drugstransporten, waarbij verdachte betrokken was, op 8 en 13 juni 2006, is daadwerkelijk cocaïne in beslag genomen. (feiten 5 en 6)

? Na aanhouding van de schoenmaker [naam] vond op 4 juli 2006 een doorzoeking plaats aan de [adres] te [woonplaats], de woning van verdachte. Bij deze doorzoeking werd onder andere 330 gram cocaïne en 129,92 gram fenacetine aangetroffen.

? [naam] heeft bij de politie gesproken over harddrugs en in verband daarmee enkel over cocaïne verklaard.

Gelet op bovenstaande acht het hof uitgesloten dat het in bovengenoemde feiten om iets anders dan cocaïne zou gaan.

Telefoongesprekken

Verdachte heeft ter zitting van het hof d.d. 29 mei 2008, evenals ter zitting van de rechtbank, verklaard dat hij niet degene was die de telefoongesprekken voerde omdat hij zijn telefoon(s) uitleende aan [betrokkene 1]. Hij heeft tevens ter zitting van het hof verklaard dat het de telefoon van KPN (het hof leidt uit het dossier af, dat het dan gaat om het nummer [telefoonnummer 1]) was, die hij voor [betrokkene 1] op zijn naam had gezet.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn een drietal mobiele telefoons aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij drie telefoonnummers heeft, dat hij de telefoon van Telfort het meeste gebruikt en dat hij zijn nummer nooit aan iemand geeft.

Gebleken is dat de volgende telefoonnummers, welke op naam van verdachte stonden, zijn afgeluisterd:

• telefoonnummer [telefoonnummer 2], provider Telfort, de machtiging voor het opnemen en uitluisteren voor dit nummer is op 26 mei 2006 door de rechter-commissaris afgegeven;

• telefoonnummer [telefoonnummer 3], provider Telfort, de machtiging voor het opnemen en uitluisteren voor dit nummer is op 30 mei 2006 door de rechter-commissaris afgegeven;

• telefoonnummer [telefoonnummer 1], provider KPN, de machtiging voor het opnemen en uitluisteren voor dit nummer is op 30 mei 2006 door de rechter-commissaris afgegeven.

De weergave van de gesprekken (hierna: tapgesprekken), gevoerd met de telefoonnummers

[telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 1], bevinden zich in ordner 8 van het dossier Project Diaz 2006.

Inzake het nummer [telefoonnummer 2]

Door aangever [aangever] is verklaard dat hij door [verdachte] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en dat [verdachte] gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]

Uit onderzoek is gebleken dat door [betrokkene 2] bij D-reizen een reis was geboekt. Dit betrof een reis van Amsterdam naar Banjul op 07 april 2006 en van Banjul naar Amsterdam op 24 april 2006. Op de boeking stonden twee deelnemers, vermeld, te weten [betrokkene 2] en [verdachte], geboren op [1982]. Het bedrag van de vluchten was door [verdachte] op 04 april 2006 contant betaald. Als thuisblijver werd de naam [verdachte] opgegeven met het

telefoonnummer [telefoonnummer 2].

Op grond daarvan neemt het hof aan, dat verdachte gebruik maakte van het nummer

[telefoonnummer 2].

Inzake het telefoonnummer [telefoonnummer 1]

Verdachte ontkent de belastende telefoongesprekken te hebben gevoerd met het toestelnummer, kort weergegeven als 8847. Ter zitting van de rechtbank op 5 november 2007 heeft zijn raadsman zelfs aangegeven, dat verdachte ontkent enig gesprek met dit nummer te hebben gevoerd, hetgeen met zich zou brengen, dat ook de door de verdediging aangegeven referentiegesprekken geen grondslag kunnen leveren voor een valide stemonderzoek.

Het hof verwerpt deze verweren.

Op 14 juni 2006 te 00:49 uur heeft er via het nummer 8847 een gesprek, tapgesprek nummer 675, plaatsgevonden tussen de man aangeduid als [verdachte] en [betrokkene 3]).Daarin zegt "[verdachte]" dat het vijf schoenen zijn, en [betrokkene 3] zegt, dat [verdachte] 4200 moet geven.

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank van 5 november 2007 verklaard dat hij op 14 juni 2006 een jongen van Schiphol heeft opgehaald en dat hij van deze jongen schoenen in ontvangst heeft genomen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij vier of vijf paar schoenen van de jongen heeft ontvangen en dat hij die jongen € 4.200,- moest geven. Tevens komt uit het dossier onomstotelijk vast te staan, dat [betrokkene 2] in de uren voorafgaand aan bedoeld telefoongesprek door verdachte van Schiphol is opgehaald, en dat [betrokkene 2] aan verdachte schoenen (met cocaïne) heeft afgeleverd. Het hof leidt uit een en ander af, dat het tapgesprek 675 via nummer 8847 wel degelijk door verdachte is gevoerd. Bovendien kan het dan ook niet anders zijn, dan dat het als referentiemateriaal gebezigde tapgesprek nummer 665, dat op 13 juni 2006 te 23:58 uur (nog geen uur vòòr het tapgesprek 675) is gevoerd tussen "[verdachte]" en een vrouw, waarin gesproken wordt over lollies voor [naam 2], ook door verdachte is gevoerd. Het hof stelt dus vast, dat verdachtes ontkenning inzake het gebruik van het toestel 8847 onwaar is.

Die conclusie wordt overigens nog eens onderstreept door het gegeven, dat verdachte pas ter zitting van de rechtbank op 5 november 2007 is gekomen met het relaas over ene [betrokkene 1], achternaam onbekend, wonende in de buurt van Tilburg die het toestel met nummer 8847 in gebruik zou hebben.

Het hof is van oordeel dat uit voornoemde feiten en omstandigheden genoegzaam is gebleken dat het verdachte is geweest die gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] en daarmee telefoongesprekken heeft gevoerd, zoals deze zijn weergegeven in het dossier Project Diaz 2006. Het hof vindt daarbij ook ondersteuning in het deskundigenrapport van professor [naam 3] van 29 oktober 2007.

Notitieboekje

De verklaring van verdachte, ter terechtzitting van het hof van 29 mei 2008, afgelegd, inhoudende dat het notitieboekje van [betrokkene 1] was, acht het hof eveneens niet aannemelijk gelet op de volgende omstandigheden:

? Verdachte heeft in een telefoongesprek d.d. 1 juni 2006 te 18:05 uur met [betrokkene 3] gezegd dat hij alles heeft opgeschreven en dat het bij hem thuis ligt. (ordner 8, pag. 2819)

? Bij doorzoeking in de woning van verdachte is het notitieboekje op het nachtkastje van verdachte in beslag genomen. (ordner 2, pag. 365). In dit boekje staat precies de berekening waarover gesproken wordt in bovengenoemd telefoongesprek.

? Verdachte heeft geen verdere informatie, zoals adres of achternaam, verschaft over de door hem genoemde [betrokkene 1].

? Verdachte komt pas in een veel later stadium van het proces, namelijk ter zitting van de rechtbank d.d. 5 november 2007, met de verklaring dat het notitieboekje van [betrokkene 1] was.

Ten aanzien van de feiten 3, 4, 5, 6 en 7

Gedurende het onderzoek Diaz 2006 zijn diverse telefoonaansluitingen afgeluisterd. Dit betroffen onder meer:

• telefoonnummers [telefoonnummer 1]/ [telefoonnummer 3] (lijnen 3 en 4) met gebruiker: verdachte; (ordner 5, pag. 1557)

• telefoonnummer [telefoonnummer 4] (lijn 6) met gebruiker: [naam]. [naam] herkent, na te zijn geconfronteerd met een aantal tapgesprekken van de afgeluisterde telefoonlijn [telefoonnummer 4], zijn eigen stem; (ordner 2, pag. 413-414)

• telefoonnummer [telefoonnummer 5] (lijn 9) met gebruiker [betrokkene 4]. [betrokkene 4] heeft erkend gebruik te maken van telefoonnummer [telefoonnummer 5]; (ordner 2, pag. 455)

• telefoonnummer [telefoonnummer 6] (lijn 11) met gebruiker: [betrokkene 5]. [betrokkene 5] heeft erkend gebruik te maken van telefoonnummer [telefoonnummer 6]; (ordner 2, pag. 549)

• [aangever] maakte gebruik van het telefoonnummer: [telefoonnummer] (lijn 15). Dit blijkt uit een tapgesprek waarin door Tempoteam aan [aangever] wordt gevraagd zijn telefoonnummer te geven, waarna [aangever] voornoemd nummer opgeeft. (ordner 8, pag. 3138) [aangever] heeft ook erkend gebruik te maken van telefoonnummer [telefoonnummer]37. (pagina ordner 2, pagina 623)

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair (DIA/ZA/09):

Door [aangever] is op 26 mei 2006 aangifte gedaan van een tweetal wederrechtelijke vrijheidsberovingen. [aangever] heeft verklaard dat hij op dinsdag 23 mei 2006 terug in Nederland

is gekomen na een vakantie in Gambia. (ordner 3, pag. 690-699) Hij werd die dag op Hoog Catharijne te Utrecht opgewacht door verdachte en [betrokkene 6], waarna hij zich rond 18.00 uur samen met hen naar de woning van verdachte aan de [adres]/4 te Utrecht heeft begeven. (ordner 3, pag. 690) In de woning werd aangever vervolgens beschuldigd van het stelen van 10 kilo cocaïne van verdachte. Hij mocht van verdachte en [betrokkene 6] de woning niet verlaten. Telkens als aangever de woning wilde verlaten, werd hij door verdachte en [betrokkene 5] tegengehouden. [aangever] heeft vervolgens meermalen getracht vechtend uit de woning te komen, maar dit mislukte. Verdachte heeft hem bij die gelegenheden opzettelijk en met kracht tegen zijn onderlip gestompt en tevens met kracht tegen de muur gedrukt. Ook werd veelvuldig door verdachte en de medeverdachte gebeld en werd tegen aangever gezegd dat hij moest wachten tot die mensen komen. Uiteindelijk is aangever er rond 03.00- 04.00 uur 's nachts in geslaagd om de politie te bellen. (ordner 3, pag. 690-699)

Verdachte heeft verklaard dat aangever [aangever] inderdaad die avond in zijn woning is geweest. (ordner 2, pag. 304)

Tevens is gebleken dat de politie die nacht daadwerkelijk ter plaatse is geweest en aangever heeft gezien. Aangever had gezegd dat hij was geslagen. Verbalisant zag een klein wondje aan de lip, mogelijk van de opgelopen klap. (ordner 4, pag. 1098-1099) Door de politie wordt ten tijde van de aangifte letsel geconstateerd die [aangever] zegt te hebben opgelopen tijdens deze eerste wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Verdachte heeft ter zitting van het hof d.d. 29 mei 2008 verklaard dat aangever al eerder weg was en dat hij geen politie heeft gezien. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig gelet op de mutatie van de politie waarin is opgenomen dat de bewoner van de [adres] te Utrecht bij dit gesprek aanwezig was. Daarnaar gevraagd verklaarde ook aangever dat hij, toen hij met de politie had gesproken [verdachte] en [betrokkene 7] bij hem waren.

[aangever] heeft voorts verklaard dat hij op 24 mei 2006 omstreeks 22.30 uur in Utrecht samen met [aangever] en ene [naam 4] op de [adres 2] te Utrecht liep en dat hij zag dat er twee auto's uit de richting van zijn woning aan de [adres 3] kwamen rijden. [aangever] herkende één van de auto's als zijnde de auto van verdachte en zag verdachte ook daadwerkelijk in de auto zitten. [aangever] heeft verklaard dat hij verdachte tegen één van de mannen hoorde zeggen: "dit zijn de jongens". Verdachte en de twee personen met wie hij samen liep, zijn vervolgens gaan rennen, waarbij hij door twee onbekende mannen, waarvan één een pistool bij zich had, werd achtervolgd en door één van hen werd beetgepakt. (ordner 3, pag. 690-699) Dit wordt bevestigd door de getuige [aangever], die heeft verklaard dat de aangever en hij op straat werden achtervolgd. (ordner 3, pag. 707-708) Bij de rechter-commissaris d.d. 17 maart 2008 verklaart deze getuige dat verdachte in de auto zat die voorbij reed. Achter deze auto reed een andere auto. Deze auto stopte en niet zo lang daarna kwamen er mannen achter hen aan.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat aangever door dader 1 werd beetgepakt en werd bedreigd met een vuurwapen. (ordner 3, pag. 718-722) [aangever] heeft voorts verklaard dat verdachte hierna tegen een van de mannen zei: "dat is hem". Aangever kreeg door dader 1 een pistool in zijn nek gedrukt en er werd tegen hem gezegd: "als je gaat rennen, dan schiet ik". (ordner 3, pag. 690-699) Deze woorden worden ook bevestigd door de getuige [getuige 4]. (ordner 3, pag. 1075)

Uit de verklaring van aangever blijkt voorts dat hij vervolgens rechts achter in een groene vierdeurs auto moest gaan zitten. Dader 1 ging achter het stuur zitten en dader 2 nam plaats naast aangever en hield daarbij het pistool tegen de buik van het slachtoffer. Vervolgens zijn ze in de richting van Den Haag gereden en [aangever] moest met zijn hoofd op zijn benen gaan liggen en zijn ogen dicht doen. De auto stopte uiteindelijk bij een woning, alwaar een derde man (dader 3) stond te wachten. Aangever werd de woning binnengebracht en zijn polsen en voeten werden met tape aan elkaar vastgebonden. De drie daders vroegen aan hem waar de cocaïne was. De badkamer in de woning werd vervolgens door één van de verdachten rondom afgeplakt met stroken zwart plastic. Twee van de drie verdachten trokken vervolgens een oranje overall aan. [aangever] werd op de grond in de badkamer neergelegd en kreeg een pistool op zich gericht en meerdere malen tegen zijn hoofd gedrukt. Daarbij werd gezegd dat als hij niet zou vertellen waar de 'stuf’ was, hij door zijn hoofd geschoten zou worden. Twee van de drie verdachten hadden een wapen. Na ongeveer een uur in de badkamer gezeten te hebben, werd aangever teruggedragen naar de woonkamer en moest daar met zijn gezicht naar de muur op de grond gaan zitten, waar hij vervolgens de rest van de nacht heeft gezeten. Pas de volgende dag werd [aangever] weer naar het centrum van Utrecht gebracht en daar vrijgelaten. Aangever heeft verklaard dat hij van angst meermalen in zijn broek heeft geplast, zowel in de groene auto waarin hij werd vervoerd als in de woning waar hij had vastgezeten. (ordner 3, pag. 690-699) De getuige [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris d.d. 1 februari 2007 verklaard dat hij die dag [aangever] tegen is gekomen en dat [aangever] hem vertelde dat hij was meegenomen met de auto en de hele nacht in een hokje moest zitten. [getuige 3] zag daarbij dat aangever witte lijmresten van plakband op zijn polsen had. Ook de getuige [aangever] heeft verklaard dat [aangever] hem de volgende dag heeft verteld dat hij tegen zijn wil was meegenomen. (ordner 3, pag. 707-708) Op 25 mei 2006 werd het slachtoffer door een technisch rechercheur van de Politie Utrecht onderzocht en daarbij werd geconstateerd dat op de polsen en de schoenen van het slachtoffer lijmrestanten zichtbaar waren van tape. (ordner 3, pag. 848-863)

Gebleken is dat er vlak voor, tijdens en na deze tweede wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever], veelvuldig contact is geweest tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 2] van verdachte en de telefoonnummers [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 8]. Voorts is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 7] op 24 mei 2006 vanaf omstreeks 22.30 uur tot en met ongeveer 23.15 uur, rond het tijdstip waarop de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever] begon, telefoonpalen heeft aangestraald in de omgeving van de wijk Kanaleneiland te Utrecht, de plek waar de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever [aangever] is begonnen. (ordner 9, pag. 3556-3558 en 3543-3550)

Uit onderzoek is gebleken dat de telefoonnummers toebehoren aan [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. (ordner 10 en 11, respectievelijk 3807-3816 en 4082-4095) De telefoonnummers van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] bellen tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving meermalen naar het telefoonnummer dat toebehoort aan [betrokkene 10], wonende aan de [adres] te [woonplaats], zijnde de woning waar – zo is uit onderzoek gebleken – aangever [aangever] is vastgehouden. (ordner 9, pag. 3428-3436) De tatoeages van de derde dader, zoals omschreven door aangever [aangever], komen overeen met de tatoeages van [betrokkene 10]. (ordner 10, pag. 3826-3838) Tenslotte is gebleken dat de groene auto van [betrokkene 9] op 24 mei 2006 om 22.25 uur de camera, die op de parallelweg van de Europalaan te Utrecht staat, is gepasseerd en is door het Nederlands Forensisch Instituut op de plek waar [aangever] in de auto zou hebben gezeten en alwaar hij in zijn broek zou hebben geplast, een sterke aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van urine. (ordner 10, pag. 3697 en deskundigenrapport NFI opgemaakt door dr [deskundige], d.d. 07 maart 2007)

Door de raadsman is ter terechtzitting van 06 november 2007 aangevoerd dat de verklaringen van aangever [aangever] tegenstrijdig en verschillend zijn en aldus niet kunnen worden gebezigd als bewijsmiddel.

Het hof is echter van oordeel dat de ondanks de verschillen in de door [aangever] afgelegde verklaringen, deze in onderling verband beschouwd consistent zijn en allerlei details bevatten die maken dat deze verklaringen als betrouwbaar kunnen gelden. Essentiële delen van voornoemde verklaringen van [aangever] vinden voorts steun in genoemde getuigenverklaringen en overige bewijsmiddelen. Het hof hecht daarbij de meeste waarde aan de door aangever als eerste afgelegde verklaring aangezien deze vlak na het gepleegde feit is afgelegd.

Het hof realiseert zich daarbij dat [aangever] goede redenen had om op eerder afgelegde verklaringen terug te komen, nu in zijn oorspronkelijke verklaring bewijs lag besloten voor zijn eigen betrokkenheid bij invoer van cocaïne.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen en in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever] op 23 mei 2006 in de woning van verdachte. Uit de verklaring van aangever, het feit dat hij meteen de politie heeft gebeld toen dat mogelijk was en het door de politie bij aangever geconstateerde letsel acht het hof het aannemelijk dat er sprake is geweest van een bedreigende situatie waarin verdachte werd belet weg te gaan.

Voorts is verdachte betrokken bij het op 24 mei 2006 opzettelijk en het onder bedreiging van een vuurwapen in een auto naar een woning vervoeren van diezelfde [aangever], waarna deze [aangever] gedurende een nacht in die woning tegen zijn zin werd vastgehouden en daarbij ook meermalen met een vuurwapen werd bedreigd.

Uit het dossier volgt dat beide wederrechtelijke vrijheidsberovingen verband hielden met het feit dat [aangever] werd beschuldigd van het stelen van cocaïne van verdachte.

Voor wat betreft de bewezenverklaring is het hof van oordeel dat de samenwerking van verdachte met zijn mededaders zodanig volledig en nauw is geweest, dat ten aanzien van zowel het onder feit 1 als feit 2 primair ten laste gelegde sprake is geweest van medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hij laat de feitelijke uitvoerders naar Utrecht komen, wijst vervolgens tot twee maal toe [aangever] aan en onderhoudt vooraf en ten tijde van de wederrechtelijke vrijheidsberoving veelvuldig telefonisch contact. Dat verdachte niet aanwezig is geweest in de woning in Den Haag (feit 2 primair) doet daar niet aan af.

Ten aanzien van feit 3 (DIA/ZA/02):

Op 1 juni 2006 belt verdachte met [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt hoeveel het was van “die dingen” die verdachte van die mensen had gekregen. Verdachte zegt: twee schoenen, één sandaal en één schoen en een half album. [betrokkene 3] vraagt hoeveel er in die drie verschillende dingen zit. Verdachte antwoordt “1850”. (ordner 8, pag. 2818)

Ongeveer tien minuten later belt verdachte wederom naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] zegt: “jullie hebben meer dan 1.8 ontvangen”. Verdachte zegt dat ze drie schoenen en een half van dat ding hebben. [betrokkene 3] zegt dat ze hebben gezegd dat ze twee schoenen en een half van dat ding hebben ontvangen. Verdachte zegt dan dat “hij” niet alles heeft afgegeven. [betrokkene 3] zegt dat ze, als elke schoen 900 is, zij meer dan 1.8 hebben ontvangen. Verdachte zegt dat dit niet klopt, dat de sandaal een inhoud heeft van 700 en de andere schoen ook, dat die schoenen maat 41 en 42 of 42 en 43 zijn en dat hij dat allemaal ergens heeft opgeschreven. Verdachte zegt voorts dat de schoenmaker alles heeft opgeschreven en dat hij, verdachte, dat papier thuis heeft en dat hij de schoenmaker zal bellen omdat deze wel weet welke maat schoenen hij heeft opengemaakt. (ordner 8, pag. 2819)

Vijf minuten later belt verdachte naar [naam]. [naam] zegt dat hij zo terug zal bellen. (ordner 8, pag. 2820)

Op 4 juli 2006 belt verdachte naar [naam]. [naam] zegt dat hij niet teruggebeld heeft omdat hij het nummer was verloren. [naam] vraagt of “hij” onschuldig is. Verdachte zegt “ja” en zegt dat hij had opgehaald wat er in zat. (ordner 8, pag. 2828)

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte op 14 juni 2006 werd onder andere een notitieboekje met bruin lederen kaft in beslag genomen. Op een bladzijde van dit notitieboekje staat de volgende notitie vermeld: (ordner 3, pag. 1032-1033 en ordner 4, pag. 1209-1211)

ALBUM

42 x1

41 x 1 Sand

1850

28

Blijkens het proces-verbaal van de politie staan de cijfers 42 en 41 in de notitie waarschijnlijk voor schoenmaten. De “1850” uit de notitie heeft waarschijnlijk betrekking op het telefoongesprek van 1 juni 2006 te 17:54 uur. Door [verdachte] wordt in het daaropvolgende gesprek van 18:05 uur gezegd dat hij het allemaal opgeschreven heeft.

[naam] heeft verklaard dat hij voor een man uit Sierra Leone (wijzend naar de foto van [betrokkene 3] [betrokkene 3]) wel eens drugs uit schoenen gehaald. Deze belde en vertelde dat hij iemand zou sturen zoals hij altijd doet. Die man kwam naar [naam] toe en ze hebben samen die schoenen opengemaakt. De drugs hebben ze in een zak gestopt en die nam die man mee. De meeste mensen zeggen hun naam niet tegen hem en noemen hem de schoenmaker. (ordner 2, pag. 383) Voorts verklaart hij: “Meestal vraagt men mij om bepaalde maten schoenen. Als ik deze niet heb ga ik ze kopen”. (ordner 2, pag. 370)

[aangever] heeft verklaard dat [betrokkene 3] hem een paar keer heeft gevraagd of hij drugs wilde vervoeren. Hij weet ook dat [verdachte] ([betrokkene 5]) en [betrokkene 3] ([betrokkene 3]) zich met drugshandel bezig hielden. (ordner 2, pag. 627 en 640)

Op grond bovenstaande feiten en omstandigheden en mede gelet op het feit dat de modus operandi overeen komt met verschillende andere drugstransporten die in het kader van onderzoek DIAZ2006 onderzocht zijn, acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen in de periode van 30 mei 2006 tot en met 2 juni 2006 heeft schuldig gemaakt aan het in totaal 1850 gram cocaïne via Schiphol binnen het grondgebied van Nederland van Nederland brengen. Deze cocaïne is vervolgens gebracht naar de schoenmaker, om de cocaïne uit de schoenen te verwijderen. Verdachte heeft zich samen met de schoenmaker bezig gehouden met het uit de schoenen, uit een sandaal en uit een album halen van de aldaar verstopte cocaïne. Het aantal voorwerpen en de hoeveelheid cocaïne werden vervolgens door verdachte in een notitieboekje genoteerd.

Ten aanzien van feit 4 (DIA/ZA/03)

Op 5 juni 2006, te 17:55 uur belt [verdachte] met [betrokkene 11] in Gambia. [verdachte] vraagt wie er morgen komt. [betrokkene 11] zegt dat John zal komen. Dan komt John aan de lijn en vertelt dat hij [betrokkene 2] heet en om 08:00 uur op Schiphol zal aankomen, in Rotterdam woont en een broertje heeft die [betrokkene 2] heet. (ordner 8, pag. 2830). Uit onderzoek is gebleken dat er op de passagierslijst van de rechtstreekse vlucht uit Banjul, Gambia, die op 6 juni 2006 op Schiphol aankomt, slecht één [betrokkene 2] voorkomt. (ordner 4, pag. 1366-1372)

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 6 juni 2006 terug uit Afrika terug was gekomen in Nederland.

Op 05 juni 2006 om 18:03 uur belt verdachte met [betrokkene 11], die zich op dat moment in Gambia bevindt, en zegt tegen hem dat hij hem naar het vliegveld moet brengen en dat hij later zal bellen om te vragen wat voor kleding hij draagt. (ordner 8, pag. 2831)

Eén minuut later belt verdachte met ene [betrokkene 12] en vraagt hem of hij die broer van die andere jongen die morgenochtend op Schiphol aankomt, kent en of [betrokkene 12] morgen met hem, verdachte, mee wil gaan om die jongen op te halen van Schiphol. (ordner 8, pag. 2832)

Dezelfde avond om 23:44 uur belt [betrokkene 3] vanuit Sierra Leone naar verdachte en zegt tegen verdachte, dat als die man komt, hij moet proberen dat ding te nemen en hem niets te geven. Verdachte moet zeggen dat zijn broertje dat wel zal geven. Verdachte zegt dat hij er naar toegaat met [betrokkene 12]. [betrokkene 3] zegt dat verdachte niet dezelfde fout moet maken als de vorige keer. (ordner 8, pag. 2837)

Op 6 juni 2006 omstreeks 10:02 uur belt verdachte naar[betrokkene 11]persoon in Gambia en vraagt wat “die andere” allemaal meeneemt. [betrokkene 11] antwoordt: 5 paar schoenen en een album. (ordner 8, pag. 2842)

Ongeveer tien minuten later belt verdachte naar [betrokkene 3] in Sierra Leone. Verdachte zegt dat hij die man heeft gezien die aangekomen is en dat hij alles heeft ontvangen wat die man bij zich had. (ordner 8, pag. 2845)

Om 15:00 uur belt verdachte met [betrokkene 3] en zegt dat hij op dat moment bij de schoenmaker is. Verdachte zegt dat hij bezig is om ze open te maken en dat ze nog niet gekeken hebben. [betrokkene 3] wil weten hoeveel er aangekomen is. [betrokkene 3] zegt dat ze er aan mogen zitten, want die “ene jongen” zou er “26” voor geven en die “andere jongen” zou er “27” voor geven. Verdachte zegt dat de schoenmaker nu dingen aan het koken is. [betrokkene 3] zegt dat de schoenmaker zich goed moet concentreren, want ze moeten tot 8 uit zien te komen. (ordner 8, pag. 2852)

Om 15: 34 uur belt verdachte met [betrokkene 3] en zegt dat ze hebben gewogen en dat het 5,760 is geworden. (ordner 8, pag. 2855)

Twee minuten later belt verdachte met [betrokkene 3] en vraagt verdachte aan [betrokkene 3] of hij wil dat het weer standaard “8” wordt. [naam 5] komt aan de lijn. [betrokkene 3] vraagt hoeveel van het spul hij nodig heeft. [naam] zegt dat hij 3 nodig heeft. [betrokkene 3] zegt dat hij wil dat [naam] 2 neemt. [betrokkene 3] zegt dat hij die anderen ook zo moet mengen. [betrokkene 3] zegt dat hij 2,7 wil hebben. (ordner 8, pag. 2856)

Om 16:26 uur belt verdachte naar [betrokkene 3] en zegt dat het “8” is geworden. [naam] is “400” geworden zegt verdachte. Er zijn nog restanten. (ordner 8, pag. 2860)

[naam] heeft verklaard dat hij zichzelf [naam 5] noemt (ordner 2, pag. 397) en dat hij voor een man uit Sierra Leone (wijzend naar de foto van [betrokkene 3] [betrokkene 3]) wel eens drugs uit schoenen heeft gehaald. (ordner 2, pag. 383) Voorts heeft hij over het gesprek van 6 juni 2006 te 15:36 uur naar aanleiding van de vraag of het klopt dat gepraat wordt over het versnijden van drugs verklaard: “Ja, dat kan daarover hebben we wel eens gepraat. We gebruikten wel eens versnijdingsmiddel en [betrokkene 3] vertelde hoeveel het moest worden en dan werd het gemixt met versnijdingsmiddel. Dat deden de mensen die bij mij in huis waren. Dat mixen daar hielp ik wel eens mee als men dat vroeg.” (ordner 2, pag. 395)

Bij doorzoeking in de woning van verdachte op 14 juni 2006 is een zwarte portemonnee met daarin pasjes op naam van verdachte in beslag genomen. In deze portemonnee zaten twee losse papiertjes met de volgende notities:

1 s file 5760

1 b file 370

2 x 46 30

1x 22 sandal 6160

2 x 44

Blijkens het proces-verbaal van politie zou het getal 5.760 kunnen worden gerelateerd aan het hierboven vermelden gesprek tussen verdachte en [betrokkene 3] op 6 juni 2006 te 15:34 uur. De notities 2 x 46, 1 x 44 sandal en 2 x 44 zijn vermoedelijk schoenmaten en kunnen worden gerelateerd aan het bovenvermelde gesprek tussen verdachte en [betrokkene 11]-man van 6 juni 2006 te 10:02 uur. (ordner pag. 1032-1033 en ordner 4 pag. 1215-1216)

Op grond van bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 6 juni 2006 samen met anderen opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 5.760 gram cocaïne.

Ten aanzien van feit 5 (DIA/ZA/07):

Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat op 08 juni 2006 [betrokkene 13], komende vanuit Guinee, met een tussenlanding in Cassablanca (Marokko) op Schiphol is aangehouden en dat in zijn bagage schoenen werden aangetroffen, waarbij werd geconstateerd dat de binnenzolen vast zaten en er lijmresten aan de rand van de binnenzolen bleken te zitten. Bovendien werd geconstateerd dat bij de overige schoenen de binnenzolen ook vast zaten en bij een paar de ene schoen zwaarder was dan de andere schoen. Bovendien werd in zijn tas een fotoalbum aangetroffen, waarvan aan de binnenzijde een bolling in de kaft werd geconstateerd. (ordner 6, pag. 1945-1946) Uit door het Douane Laboratorium te Amsterdam gedane onderzoek is gebleken dat in de schoenen en het fotoalbum cocaïne zat verstopt en met een totaal gewicht van 3.937,9 gram. (ordner 6, pag. 1958-1960 en 1978-1979) [betrokkene 13] heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 14] drugs meegenomen heeft naar Nederland, dat dit verstopt zat in schoenen en in een album en dat hij in Nederland bij het meetingpoint (het hof begrijpt dat wordt bedoeld: meetingpoint op de luchthaven Schiphol) op iemand moest wachten die de spullen dan mee zou nemen en hem € 2.500,- zou geven. Na te zijn geconfronteerd met tapgesprek 336 d.d. 07 juni 2006 (afgeluisterd telefoonnummer [telefoonnummer 1], zoals hierboven vermeld, zijnde een telefoonnummer in gebruik bij verdachte), verklaart [betrokkene 13] dat hij in gesprek is met [betrokkene 15]. [betrokkene 13] heeft tevens verklaard dat hij dacht dat [betrokkene 15] hem zou komen ophalen van Schiphol en dat [betrokkene 15] en [betrokkene 14] elkaar kennen. (ordner 2, pag. 613-620)

Uit de tapgesprekken blijkt het volgende.

Op 07 juni 2006 om 21:41 uur belt verdachte met [betrokkene 13] in Guinee. Verdachte wil van [betrokkene 13] weten wanneer hij aankomt. [betrokkene 13] zegt dat hij het niet precies weet, hij denkt om 08:50 uur en dat hij mogelijk een tussenlanding in Marokko maakt. (ordner 8, pag. 2882)

Twee uur later, om 23:17 uur, is er telefonisch contact tussen verdachte en [betrokkene 3]. Verdachte geeft aan dat hij met [betrokkene 13] heeft gesproken en dat deze hem alles heeft verteld. (ordner 8, pag. 2883-2884)

In de nacht van 07 juni op 08 juni 2006 belt [betrokkene 3] met een persoon die de telefoon van verdachte opneemt en zegt tegen deze persoon dat verdachte daar om zeven uur moet zijn omdat die jongen om half negen aankomt. (ordner 8, pag. 2885)

Op 08 juni 2006 om 08:21 uur belt de schoenmaker (zijnde [naam] volgens diens eigen verklaring, ordner 2, pag. 382-383) naar verdachte. Verdachte zegt dat hij naar de schoenmaker wil komen en zegt tot straks. (ordner 8, pag. 2887)

Om 11:30 uur belt een [betrokkene 11]-man vanuit Sierra Leone met verdachte. Verdachte zegt dat die jongen niet gekomen is, maar dat hij vanmiddag wel zal komen. (ordner 8, pag. 2892).

Ruim twee uur later belt wederom een [betrokkene 11]-man vanuit Sierra Leone naar verdachte. De [betrokkene 11]-man vraagt of hij er nog niet is. Verdachte zegt dat ze nog niet allemaal naar buiten zijn gegaan en dat van waar hij is, hij niet naar binnen kan kijken. (ordner 8, pag. 2893)

Om 15:07 uur wordt verdachte weer door de [betrokkene 11]-man uit Sierra Leone gebeld en zegt de verdachte dat hij hem net probeerde te bellen, dat die vlucht al meer dan een uur geleden is geland en hij hem nog niet gezien heeft. Verdachte zegt dat hij hem ook niet zou kunnen missen omdat het nu hier niet zo druk is. (ordner 8, pag. 2894).

Op 09 juni 2006 om 01:17 uur belt verdachte met [betrokkene 11]-man. De [betrokkene 11]-man vraagt aan verdachte of hij al wat van die andere jongen heeft gehoord. Verdachte zegt dat hij nog niets gehoord heeft. Verdachte zegt dat hij naar de informatiebalie is geweest en gevraagd heeft hoe laat de mensen zouden aankomen die een tussenlanding hadden gemaakt. Verdachte zegt dat die vrouw van de informatiebalie achterdochtig was en dat hij het gesprek had afgekapt. Hij zag kort daarna 2 of 3 agenten in burger met een hond lopen die aan het snuffelen was. Die agenten gingen naar buiten en verdachte is ook weggegaan omdat dit beter was. (ordner 8, pag. 2899)

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 14 juni 2006 is een notitieboekje met een bruin lederen kaft in beslag genomen. Op bladzijde 6 van dit boekje stond onder meer vermeld:

"[betrokkene 13] to Guinee 2500 65". (ordner 3, pag. 10332-1034)

Op grond van bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer van 3.937,9 gram cocaïne op 8 juni 2006.

De cocaïne is door [betrokkene 13] vanuit Afrika Nederland binnengesmokkeld. Het was verdachtes taak om hem van Schiphol af te halen, hetgeen niet is gebeurd aangezien [betrokkene 13] op Schiphol werd aangehouden. Verdachte heeft daartoe veelvuldig, ook over het niet kunnen traceren van [betrokkene 13], contact onderhouden met (een) perso(o)n(en) in Afrika. Verdachte heeft zich, zo blijkt uit bovengenoemde vermelding in het onder hem in beslag genomen notitieboekje, tevens bemoeienis gehad met het ticket van [betrokkene 13]. Dat de cocaïne niet daadwerkelijk door verdachte in ontvangst is genomen, doet aan de bewezenverklaring niets af.

Ten aanzien van feit 6 (DIA/ZA/04)

Op 13 juni 2006 werd door leden van observatieteam waargenomen dat verdachte samen met iemand anders, een persoon van Schiphol ophaalde. Deze persoon was in het bezit van een grote tas. Voorts werd waargenomen dat deze drie personen in een auto stapten en de woning van verdachte zijn binnengegaan. Ook de grote tas werd mee naar binnen genomen. Korte tijd later werd gezien dat verdachte de woning uitkwam, zonder tas, waarna verdachte de persoon die van Schiphol was opgehaald, naar Dordrecht bracht en daar afzette bij perceel [adres]. (ordner 3, pag. 753-756)

Door [betrokkene 2] is bij de rechter-commissaris d.d. 15 mei 2007 verklaard dat hij staat ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats], dat hij op 13 juni 2006 vanuit Gambia op Schiphol is aangekomen en dat hij op verzoek van een jongen die [betrokkene 11] of [betrokkene 12] heet, drie paar schoenen heeft meegenomen. [betrokkene 2] heeft voorts verklaard dat hij de schoenen aan [verdachte] moest geven, dat hij op Schiphol werd opgewacht door verdachte en dat de man in Afrika verdachte had verteld hoe hij hem ([betrokkene 2]) kon herkennen. Vervolgens zijn zij naar Utrecht gereden en zijn zij de flat van verdachte in gegaan alwaar hij de schoenen uit zijn tas heeft gehaald. Hierna is hij door verdachte naar Dordrecht gebracht.

Uit een opgenomen telefoongesprek, gevoerd vlak nadat [betrokkene 2] en verdachte in de woning van verdachte zijn aangekomen op 14 juni 2006 te 00:49 uur, blijkt dat verdachte tegen [betrokkene 3] zegt dat het vijf schoenen zijn. [betrokkene 3] antwoordt "dat dit klopt". Daarop deelt verdachte mede dat hij "hem dan gewoon naar huis brengt". [betrokkene 3] zegt vervolgens dat verdachte hem 4200 moet geven. (ordner 8, pag. 2949)

Verdachte heeft verklaard dat het om € 4200 ging, dat hij € 5000, - had gekregen waarvan hij

€ 4200 aan de jongen moest geven en € 800 zelf mocht houden en dat hij van de jongen vier of vijf paar schoenen heeft ontvangen. (ordner 2, pag. 306-307)

Hoewel [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij drie paar schoenen heeft afgegeven in de woning van verdachte, gaat het hof er - gelet op het telefoongesprek tussen [betrokkene 3] en verdachte en de verklaring van verdachte - van uit dat [betrokkene 2] de vijf paar schoenen heeft afgegeven waarin de cocaïne is aangetroffen.

Vlak nadat verdachte was teruggekeerd uit Dordrecht, heeft op 14 juni 2006 vanaf 04:55 uur een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte. (ordner 3, pag. 1032-1034) Bij die doorzoeking zijn in een aangetroffen sporttas onder andere vijf paar schoenen aangetroffen. In de zolen van deze schoenen zaten pakketjes met wit poeder verstopt. Uit onderzoek van de Technische recherche en het NFI is gebleken dat het in de schoenen aangetroffen poeder, ongeveer 4.626,77 gram, cocaïne bevat. (ordner 6, pag. 1925-1926)

Tevens is een notitieboekje met een bruin lederen kaft in beslag genomen. Op bladzijde 6 van dit boekje stond onder meer vermeld: (ordner 3 pag. 1032-1034 en ordner 4, pag. 1207-1210-1211)

[betrokkene 2] -5000 150 en [betrokkene 2] -5000 - 350

Verdachte heeft verder ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 05 november 2007 verklaard dat hij een jongen van Schiphol heeft opgehaald die uit Gambia kwam. Iemand uit Gambia had hem gevraagd deze jongen op te halen en om schoenen in ontvangst te nemen. Dat heeft hij ook gedaan. De man die hij ophaalde, woonde in Dordrecht. De schoenen zouden een dag later door een man worden opgehaald, maar dat dit niet is gebeurd omdat hij werd aangehouden. Dat de schoenen niet meer zijn opgehaald blijkt ook uit een telefoongesprek tussen [naam] en [betrokkene 3] op 14 juni 2006 om 17.21 uur, waarin [betrokkene 3] vraagt of die jongen nog heeft gebeld, want dat had hij hem gisteravond nog gevraagd. Het laatste contact was de nacht tevoren om 2.00 uur. [naam] zegt niet gebeld te zijn en dat ze ook niet zijn geweest. [betrokkene 3] zegt dat het ergste is dat hij de spullen mee naar zijn woning heeft genomen, terwijl hij, [betrokkene 3], had gezegd dat het naar zijn vriendin gebracht moest worden. [naam] vraagt of er iets binnen kwam. [betrokkene 3] zegt ja, en dat was het laatste spul dat binnenkwam. (ordner 8, pag. 2966)

Direct na dit gesprek probeert [naam] tevergeefs om verdachte telefonisch te bereiken. (ordner 8, pag. 2967-2968)

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij dacht dat er goud in de schoenen zat onaannemelijk, gelet op de bewezenverklaring van de feiten 3, 4 en 5 waaruit de betrokkenheid van verdachte bij drugstransporten blijkt, gelet op het gehele dossier alsmede gelet op de omstandigheid dat verdachte veelvuldig contacten onderhield met [betrokkene 3] en [naam] en deze personen zich blijkens bovengenoemde telefoongesprekken d.d. 14 juni 2006 ernstig zorgen maken over "de spullen" nu zij verdachte niet te pakken kunnen krijgen.

Alles in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 13 juni 2006, [betrokkene 2] op Schiphol heeft opgehaald, dat deze [betrokkene 2] een tas met daarin vijf paar schoenen had, dat in deze schoenen ruim 4,6 kilogram cocaïne zat verstopt en dat verdachte de schoenen in ontvangst heeft genomen. Aldus heeft verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan de invoer van 4.626,77 gram cocaïne in Nederland.

Ten aanzien van feit 7 (DIA/ZA/08):

Op 06 juni 2006 belt verdachte met [betrokkene 3] in Sierra Leone. Verdachte zegt dat hij op dat moment bij de schoenmaker is, dat hij (de schoenmaker) bezig is om ze open te maken en dat ze nog niet gekeken hebben. [betrokkene 3] vraagt of ze hem bellen als ze klaar zijn, om door te geven wat het geworden is. [betrokkene 3] zegt dat ze zo snel mogelijk voor het geld moeten zorgen. Als ze het geld hebben, moet het geld zo snel mogelijk naar Sierra Leone. Verdachte vraagt aan [betrokkene 3] of ze er aan mogen zitten. [betrokkene 3] zegt dat ze er aan mogen zitten, want die ene jongen zou er 26 voor geven en die andere jongen zou er 27 voor geven. (ordner 8, pag. 2852) Met "26" en "27" wordt naar alle waarschijnlijkheid de prijs van cocaïne bedoeld. Uit cijfers van het NRI (het hof begrijpt: Nationale Recherche Informatie) blijkt dat de verkoopprijs van een kilogram cocaïne in 2004 ongeveer € 27.000, - bedroeg. (ordner 6, pag. 2007)

Op 09 juni 2006 te 16:28 uur belt verdachte met [betrokkene 3] en zegt verdachte dat hij aan [betrokkene 12] vijf heeft gegeven, die vijf die zij hebben afgesproken. [betrokkene 3] vraagt: "hoeveel hebben wij daar dan, heb jij dat gecheckt". Verdachte zegt dat het 161 en nog wat is, 161.400 ongeveer. (ordner 8, pag. 2903) De volgende dag, 10 juni 2006, wordt [naam] door verdachte gebeld. Verdachte zegt dat hij vanochtend komt om de ding op te halen, maar dat hij wil dat hij, [naam], eerst wat voor hem doet, zoals de vorige keer, dat hij schoenen voor zichzelf wil maken. [naam] vraagt wanneer verdachte die ding nodig heeft. Verdachte zegt liever vandaag, morgen wil ik het gebruiken weet je. Ongeveer drie of vier grote maten, maximaal vier. [naam] vraagt vervolgens "drie of vier grote maten?". Verdachte antwoordt daarop: ja. (ordner 8, pag. 2956)

Dezelfde dag om 18:02 uur belt verdachte met [betrokkene 3], zegt dat hij op dat moment bij de schoenmaker is, samen met [betrokkene 16] en dat zij nu bezig zijn met wat wij met elkaar hebben afgesproken. Verdachte zegt dat in totaal die hier nog liggen 5370 is, dat hij daar 25 van heeft afgehaald, zoals afgesproken en dat het restant nu 28 nog wat is. [betrokkene 3] vraagt vervolgens of dat wat hij (verdachte) aan [betrokkene 7] geeft er ook af is. Verdachte antwoordt daarop bevestigend en zegt dat zij nu bezig zijn om schoenen te maken en dat het 2 of 3 paar schoenen kunnen zijn. (ordner 8, pag. 2912)

Een uur later is er telefonisch contact tussen verdachte en [betrokkene 11]-man. Verdachte vraagt aan [betrokkene 11] man wat [betrokkene 11]-man die vent voor een schoen naaien geeft. Vervolgens komt de schoenmaker aan de lijn, en zegt [betrokkene 11]-man dat hij hem een tijdje geleden 15.000 heeft betaald en dat hij (de schoenmaker) weet dat het altijd tussen hen geregeld wordt. De schoenmaker zegt dan oké en dat hij het dus gewoon moet opschrijven. Vervolgens komt verdachte weer terug aan de telefoon en zegt verdachte: "dus waar die dingen liggen, kan het niet goed schoon worden gemaakt zodat die dingen opnieuw gebruikt kunnen worden?”. [betrokkene 11]-man zegt hierop:"het is wel mogelijk, maar ik weet niet of het dan zo mooi gemaakt wordt, dat het niet helemaal zichtbaar is. Maar als hij zo moeilijk blijft doen, dan zoeken wij gewoon een andere weg. Want hij weet gewoon hoeveel geld ik daar heb ingepompt. (ordner 8, pag. 2913)

Dezelfde avond belt verdachte met [betrokkene 11]-man. [betrokkene 11]-man vraagt of die vent hem (verdachte) alles heeft gegeven wat [betrokkene 16] mee moet nemen. Verdachte antwoordt daarop dat hij alles heeft gegeven, dat hij de laatste vandaag zelf heeft gebracht en dat het drie is geworden. Verdachte zegt drie schoenen en vraagt wie ze gaan brengen. [betrokkene 11]-man antwoordt dat [betrokkene 16] ze zal brengen, waarna verdachte zegt dat hij maandag een ticket zal regelen. [betrokkene 11]-man zegt vervolgens: "over [betrokkene 16], gaat hij wel via Schiphol met Air Maroc naar Conakry? ". Verdachte antwoordt bevestigend en vraagt of hij hem het totaalbedrag heeft gezegd. [betrokkene 11]-man antwoordt hierop met ja. Verdachte zegt dan dat als hij alles eraf gehaald heeft, er 2870 overblijft. (ordner 8, pag. 2915)

Op 13 juni 2006 hebben er een aantal telefoongesprekken plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 16] over het regelen van een ticket en het vliegen met Air Maroc (ordner 8, pag. 2929 en 2930)

De volgende dag, 14 juni 2006 om 04:45 uur, wordt verdachte aangehouden. (ordner 1, pag. 191-192)

Dezelfde dag spreekt [betrokkene 16] drie keer de voicemail van verdachte in over een afspraak die niet op tijd is nagekomen en zegt onder meer: "[betrokkene 15]! Wij nu hebben nu gewoon vertraging opgelopen. Ik zal zelf alleen gaan kopen, omdat ik afhankelijk ben van dat geld van jou, wacht ik op jou”. (ordner 8, pag. 2950,2951 en 2952)

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 14 juni 2006 is een notitieboekje met een bruin lederen kaft in beslag genomen. Op bladzijde 3 van dit boekje stond onder meer vermeld:

2 x 45

2 x 44

1 x 44 san

5795

400

6195

2.0 x 27

4.195 x 26

- 2000.

Voorts is tijdens de doorzoeking in een portemonnee een tweetal papiertjes aangetroffen, waarop onder meer stond vermeld: "161.070". (ordner 3, pag. 1032-1034 en ordner 4, pag. 1207-1211)

Door de politie is ten aanzien van deze notities de volgende berekening gemaakt:

De som van 2.0 x 27 = 54.000 en de som van 4.195 x 26 = 109.070. De som van 54.000 en 109.070 verminderd met 2000 is 161.070 (54.000 + 109.070 – 2000). Dit getal 161.070 staat ook vermeld op één van de losse papiertjes. (ordner 4, pag. 1217)

Uit bovengenoemd telefoongesprek d.d. 09 juni 2006 tussen verdachte en [betrokkene 3] wordt onder meer gesproken over 161 en nog wat.

[betrokkene 4] heeft verklaard dat zij geld voor [verdachte], [betrokkene 3] en [betrokkene 6] bewaarde. Zij heeft erkend dat als er tijdens de telefoongesprekken gesproken werd over "ding' dat daarmee geld werd bedoeld. (ordner 2, pag. 472)

Daarnaast heeft [betrokkene 4] verklaard dat [verdachte]. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] (grote) geldbedragen, te weten € 4000, € 5000 en € 10.000, bij haar in bewaring gaven en dat de jongens soms hij haar kwamen met een koffer of een grote tas. Het was laat in de avond als zo'n koffer of tas werd gebracht. Meestal kwamen ze de koffer of de tas de volgende dag ophalen. (ordner 2, pag. 469 en 472) Tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 4] is een bedrag ongeveer € 110.000 in beslag genomen. (ordner 3, pag. 838-839)

[naam] heeft verklaard dat hij in 2005 en in dit jaar geld of cocaïne uit schoenen haalt of erin stopt en die man hem belde en zei dat hij mensen naar hem toe zou sturen en dat hij voor hem geld in schoenen moest verstoppen. Verder heeft hij verklaard dat de meeste mensen hun naam niet tegen hem zeggen om redenen die wel bekend zijn en dat ze hem de schoenmaker noemen. (ordner 2, pag. 424-433)

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte, noch [betrokkene 3], noch [aangever], noch [betrokkene 4], noch [betrokkene 5] en noch [naam] over een zodanig legaal inkomen beschikten, dat daaruit de geldbedragen verklaard kunnen worden. (ordner 1, pag. 141-144 en 151)

Gelet op bovenvermelde telefoongesprekken waarin versluierd taalgebruik werd gebezigd, de omstandigheid dat het om grote geldbedragen ging, de omstandigheid dat verdachte betrokken is geweest bij een viertal hierboven bewezenverklaarde drugstransporten alsmede gelet op alle andere hierboven vermelde feiten en omstandigheden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Ten aanzien van feit 8 (DIA/ZA/10):

Het hof is gelet op hetgeen onder de feiten 1 tot en met 7 is opgemerkt van oordeel dat sprake is geweest van een duurzame en gestructureerde organisatie. Op zeer geraffineerde wijze werden cocaïne en geld in schoenen en boeken verborgen en vervoerd. Dit gebeurde meerdere malen waarbij er sprake was van een soort taakverdeling.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van deze organisatie. Dat verdachte slechts min of meer toevallig heeft samengewerkt met de overige leden van de organisatie acht het hof niet aannemelijk.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde:

telkens:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

ten aanzien van het onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde:

telkens:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Medeplegen van witwassen,meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, na een eis van 10 jaren gevangenisstraf voor het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. De verdachte is in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen tot twee maal toe schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is eerst door verdachte in de woning van verdachte van zijn vrijheid beroofd. De volgende dag is het slachtoffer, na door verdachte te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar een woning in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en de verdachte is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Twee van de drie daders trokken een overall aan en het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

Voorts maakte verdachte deel uit van een professionele, criminele organisatie die grote hoeveelheden ruwe cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht, bewerkte en verkocht en vervolgens de opbrengst daarvan witwaste. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. De gesmokkelde cocaïne en de opbrengsten daarvan werden verstopt in schoenen en albums. Verdachte is als lid van deze organisatie vier keer betrokken geweest bij de invoer van cocaïne. In totaal ging het om ruim 16.174 gram cocaïne in een korte periode. De organisatie hield zich tevens bezig met het witwassen van de opbrengsten van cocaïne.

Verdachte had teneinde zijn werkzaamheden voor de organisatie te kunnen uitoefenen veelvuldig telefonische contacten met leden van de organisatie, waaronder één van de opdrachtgevers in Afrika, [betrokkene 3] en de schoenmaker [naam], die de ingevoerde cocaïne uit de schoenen haalde en er geld in verborg. Verder was hij onder andere betrokken bij het afhalen van de koeriers van Schiphol. Hij vormde aldus met zijn werkzaamheden een essentiële schakel in de criminele activiteiten van de organisatie.

Bovenstaande vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde met totale veronachtzaming van de maatschappelijke gevolgen.

In het algemeen geldt voor drugs als cocaïne dat zij in hoge mate verslavend zijn en een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid van de gebruikers hiervan en tevens kan leiden tot gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving, in het bijzonder met betrekking tot die van de sociale veiligheid. De opbrengsten van de cocaïne kwamen via witwaspraktijken, hetzij in Afrika, hetzij in Nederland, weer terecht in het gewone betalingsverkeer. Deze vermenging van crimineel geld met legaal geld ontwricht het economisch evenwicht in de samenleving.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het te zijnen name staand Uittreksel Justitiële Documentatie, éénmaal eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zaken van andersoortige feiten dan thans is bewezenverklaard.

Alles afwegende komt het hof tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Beslag

Het onder 3 tot en met 8 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen. Voorts zijn deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 3 tot en met 8 bewezenverklaarde verkregen. Zij behoren de veroordeelde toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Het onder 6 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 140, 282 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de nummers 25, 29 en 30 van de als bijlage IV aangehechte beslaglijst.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

nummer 24 van de als bijlage IV aangehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de nummers 1 tot en met 5, 7 tot en met 19, 22, 23, 26, 27 en 28 van de als bijlage IV aangehechte beslaglijst.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de nummers 20 en 21 van de als bijlage IV aangehechte beslaglijst.

Aldus gewezen door

mr J.M.J. Denie, voorzitter,

mr J.H.C. van Ginhoven en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs, griffier,

en op 12 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.