Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5324

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
21-001965-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7680, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7680
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, na een eis van 4 jaren gevangenisstraf voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De verdachte en de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is, na door een mededader te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar de woning van verdachte in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en het slachtoffer is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Het slachtoffer is de hele nacht in de woning vastgehouden. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

De manier waarop deze bedreiging heeft plaatsgevonden merkt het hof aan als professioneel. Het heeft er alle schijn van dat dit feit gepleegd is in opdracht van anderen, die het slachtoffer ervan verdachten cocaïne te hebben gestolen. Het slachtoffer is immers aan de verdachten aangewezen. Dit soort crimineel gedrag dient zwaar te worden bestraft.

Daarnaast heeft verdachte munitie aanwezig gehad. Het voorhanden hebben van munitie is een ernstig feit dat een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van (ernstige) geweldmisdrijven.

Het hof acht voorts de rol van verdachte in deze vrijheidsbeneming gelijkwaardig aan die van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en is daarom van oordeel dat zij allen tot eenzelfde straf dienen te worden veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Met de rechtbank is het hof van oordeel, dat de door de officier van justitie en de advocaat-generaal geëiste straf te licht is. Het hof zal echter een enigszins lichtere straf opleggen dan de rechtbank deed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001965-07

Uitspraak d.d.: 19 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

19 april 2007 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans verblijvende in PI Vught - [adres PI].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

5 juni 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.Y. Taekema, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Door verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij hij van het onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken. Het hoger beroep van verdachte blijft daarom beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde werd veroordeeld.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting opgegeven dat de officier van justitie geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken. Het hoger beroep van de officier van justitie blijft daarom beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover het aan zijn oordeel is onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Zaaksdossier DIA/ZA/09

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 25 mei 2006 te Utrecht en/of

’s-Gravenhage, althans in het arrondissement Utrecht en/of ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- (terwijl die [slachtoffer] bij zijn woning gelegen aan de [adres 3] stond) die [slachtoffer] bij zijn schouder beetgepakt en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (met de loop) tegen de nek van die [slachtoffer] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: “Als je gaat rennen, dan schiet ik”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] onder bedreiging van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (tegen de zin van die [slachtoffer] in) in een auto gezet en/of

- (in die auto) de loop van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de buik van die [slachtoffer] gehouden en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij met zijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en/of zijn ogen moest dichthouden en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn zin in) naar een woning gebracht en/of

- (vervolgens) de polsen en/of voeten van die [slachtoffer] (met tape) aan elkaar vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) in de badkamer van die woning neergelegd en/of

- de wanden van die badkamer met tape en/of plastic afgeplakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer] gedrukt/gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd dat als hij “niet zou vertellen waar de stuf was”, dat hij dan “door zijn hoofd geschoten” zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) neergezet in de woonkamer van die woning en/of die [slachtoffer] (gedurende ongeveer een nacht) (tegen zijn zin in) in de woning laten zitten

en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer], twee, althans een pisto(o)l(en), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), bij zich had(den);

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Zaakdossier DIA/ZA/13

hij op of omstreeks 31 oktober 2006 te ’s-Gravenhage, althans in het arrondissement ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34,63 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

3.

Zaakdossier DIA/ZA/14

hij op of omstreeks 31 oktober 2006 te ’s-Gravenhage, althans in het arrondissement ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, voorhanden heeft gehad vier, althans een of meer patro(o)n(en), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III;

Art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Algemene overwegingen

? Door de raadsman is ter zitting van het hof betoogd dat het begin van het onderzoek van de politie weinig inzichtelijk is. Nu hij daar geen consequenties aan verbindt volstaat het hof ermee vast te stellen dat de gang van zaken in het dossier redelijk te herleiden is.

? De raadsman heeft in zijn pleidooi aangegeven dat verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de verdediging daarom verzocht die zaak af te splitsen in verband met het recht op schadevergoeding voor onterecht ondergane voorlopige hechtenis.

Nu het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde behoeft dit verzoek geen verdere bespreking.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 24 mei 2006 omstreeks 22.30 uur in Utrecht samen met [getuige 3] en ene [betrokkene 1] op de [adres 2] te Utrecht liep en dat hij zag dat er twee auto's uit de richting van zijn woning aan de Bartolomeo Diazlaan kwamen rijden. [slachtoffer] herkende één van de auto's als zijnde de auto van [medeverdachte 1] en zag [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk in de auto zitten. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] tegen één van de mannen hoorde zeggen: "dit zijn de jongens". Aangever en de twee personen met wie hij samen liep, zijn vervolgens gaan rennen, waarbij hij door twee onbekende mannen, waarvan één een pistool bij zich had, werd achtervolgd en door één van hen werd beetgepakt. (ordner 3, pag. 690-699) Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige 3], die heeft verklaard dat de aangever en hij op straat werden achtervolgd. (ordner 3, pag. 707-708) Bij de rechter-commissaris d.d. 17 maart 2008 verklaart deze getuige dat [medeverdachte 1] in de auto zat die voorbij reed. Achter deze auto reed een andere auto. Deze auto stopte en niet zo lang daarna kwamen er mannen achter hen aan.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangever door dader 1 werd beetgepakt en werd bedreigd met een vuurwapen. (ordner 3, pag. 718-722) [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 1] hierna tegen een van de mannen zei: "dat is hem". Aangever kreeg door dader 1 een pistool in zijn nek gedrukt en er werd tegen hem gezegd: "als je gaat rennen, dan schiet ik". (ordner 3, pag. 690-699) Deze woorden worden ook bevestigd door de getuige [getuige 2]. (ordner 3, pag. 1075)

Uit de verklaring van aangever blijkt voorts dat hij vervolgens rechts achter in een groene vierdeurs auto moest gaan zitten. Dader 1 ging achter het stuur zitten en dader 2 nam plaats naast aangever en hield daarbij het pistool tegen de buik van het slachtoffer. Vervolgens zijn ze in de richting van Den Haag gereden en [slachtoffer] moest met zijn hoofd op zijn benen gaan liggen en zijn ogen dicht doen. De auto stopte uiteindelijk bij een woning, alwaar een derde man (dader 3) stond te wachten. Aangever werd de woning binnengebracht en zijn polsen en voeten werden met tape aan elkaar vastgebonden. De drie daders vroegen aan hem waar de cocaïne was. De badkamer in de woning werd vervolgens door één van de daders rondom afgeplakt met stroken zwart plastic. Twee van de drie daders trokken vervolgens een oranje overall aan. [slachtoffer] werd op de grond in de badkamer neergelegd en kreeg een pistool op zich gericht en meerdere malen tegen zijn hoofd gedrukt. Daarbij werd gezegd dat als hij niet zou vertellen waar de 'stuf’ was, hij door zijn hoofd geschoten zou worden. Twee van de drie daders hadden een wapen. Na ongeveer een uur in de badkamer gezeten te hebben, werd aangever teruggedragen naar de woonkamer en moest daar met zijn gezicht naar de muur op de grond gaan zitten, waar hij vervolgens de rest van de nacht heeft gezeten. Dader 1 en 2 zijn op een gegeven moment de woning uitgegaan. Dader 3 heeft hem toen nog een keer of vier bedreigd. Dader 3 had toen 2 pistolen. Pas de volgende dag werd [slachtoffer] weer naar het centrum van Utrecht gebracht en daar vrijgelaten. Aangever heeft verklaard dat hij van angst meermalen in zijn broek heeft geplast, zowel in de groene auto waarin hij werd vervoerd als in de woning waar hij had vastgezeten. (ordner 3, pag. 690-699) De getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris d.d. 1 februari 2007 verklaard dat hij die dag [slachtoffer] tegen is gekomen en dat [slachtoffer] hem vertelde dat hij was meegenomen met de auto en de hele nacht in een hokje moest zitten. [getuige 1] zag daarbij dat aangever witte lijmresten van plakband op zijn polsen had. Ook de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem de volgende dag heeft verteld dat hij tegen zijn wil was meegenomen. (ordner 3, pag. 707-708) Op 25 mei 2006 werd het slachtoffer door een technisch rechercheur van de Politie Utrecht onderzocht en daarbij werd geconstateerd dat op de polsen en de schoenen van het slachtoffer lijmrestanten zichtbaar waren van tape. (ordner 3, pag. 848-863)

? De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer], te onbetrouwbaar zijn om voor het bewijs van het tenlastegelegde mee te werken.

Het hof is echter van oordeel dat de ondanks de verschillen in de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, deze in onderling verband beschouwd voldoende consistent zijn en allerlei details bevatten die maken dat deze verklaringen als betrouwbaar kunnen gelden. Essentiële delen van voornoemde verklaringen van [slachtoffer] vinden voorts steun in de getuigenverklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] en in de overige bewijsmiddelen.

Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de getuigen in dit onderzoek veel later door de politie zijn gehoord, waardoor het niet onmogelijk is dat de verschillende verklaringen niet tot in detail overeenkomen met die van het slachtoffer, die immers een dag na de vrijheidsberoving aangifte deed.

In het bijzonder weegt het hof in zijn oordeel inzake de betrouwbaarheid van de aangifte mee, dat het slachtoffer door aangifte te doen het risico heeft gelopen dat hij zelf onderwerp van onderzoek door de politie zou worden.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in de betreffende nacht veelvuldig contact met twee prepaid nummers, namelijk [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. (ordner 9, pag. 3543-3550) Uit de printgegevens van deze prepaid nummers blijkt dat het prepaid nummer [telefoonnummer 2] contacten onderhield met het nummer [telefoonnummer 3], een nummer op naam gesteld van [betrokkene 2], de vriendin van verdachte. (ordner 9, pag. 3558)

Vanaf omstreeks 22:30 uur tot en met ongeveer 23:15 uur maken de beide nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] gebruik van paallocaties in Utrecht in de omgeving van Kanaleneiland, de omgeving waar de wederrechtelijke vrijheidsberoving een aanvang genomen heeft. Daarna verplaatsten beide toestellen zich naar Den Haag. Het slachtoffer heeft verklaard dat de auto waarin hij werd meegenomen ongeveer 45 minuten had gereden via de snelweg van Utrecht in de richting van Den Haag. (ordner 3, pag. 690-701)

Beide prepaid-nummers hebben in de nacht van 24 op 25 mei 2006 paallocaties aangezocht binnen een beperkt gebied in Den Haag. (vlaggen in kaart, ordner 9, pag. 3545) Binnen dit gebied bevindt zich de woning van [betrokkene 2], een flat aan de [adres 1]. Deze woning komt aan de buitenkant overeen met de beschrijving van de woning die het slachtoffer heeft gegeven. (ordner 9, pag. 3467-3469)

Aangever heeft verder een beschrijving gegeven van decoraties in de woning. Hij heeft daarbij een opvallend schilderij genoemd dat aan de lange wand tegenover de woonkamerdeur hing. Op het schilderij stonden bomen, water en een berg afgebeeld. Daarnaast werd door hem gesproken over een vierkante lijst met een goudkleurige afbeelding links naast de woonkamerdeur (ordner 3, pag. 695) Uit niet-stelselmatige observatie bleek inderdaad dat aan de woning aan de [adres 1] aan de lange wand tegenover de woonkamerdeur een schilderij hing met daarop afgebeeld bomen, water en een berg en dat naast de woonkamer een vierkant kleed met goudkleurige opdruk hing. (ordner 9, pag. 3475-3476) Ook de indeling en de inrichting van de woning van de verdachte komen overeen met de beschrijving van de woning die het slachtoffer heeft gegeven. (ordner 9, pag. 3567-3570)

Naar aanleiding van al deze overeenkomsten werd er uiteindelijk een doorzoeking verricht in de woning aan de [adres 1]. Tijdens de doorzoeking werden zwarte tape en een oranje overall in beslag genomen. (ordner 9, pag. 3576-3577) Door aangever wordt deze overall herkend als soortgelijk aan de overalls die twee van de drie verdachten tijdens de vrijheidsberoving hadden aangetrokken. (ordner 9, pag. 3428-3436)

Aangever heeft verklaard dat dader 3 die nacht in de woning met zijn computer had gespeeld. (ordner 3, pag. 690-701) De computer die werd aangetroffen in de woning is onderzocht. Hieruit is geconcludeerd dat de computer inderdaad is gebruikt gedurende de nacht waarin [slachtoffer] van zijn vrijheid is beroofd. (ordner 10, pag. 3759-3762)

Gelet op bovenstaande neemt het hof als vaststaand aan, dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer heeft plaatsgevonden in de woning aan de [adres 1].

? De raadsman heeft in zijn pleidooi naar voren gebracht dat er maar één keer in de onderzochte periode drie of meer overalls zijn verkocht. Dit zou zijn geweest bij de Praxis te Den Haag op 24 april 2006.

Het hof acht deze stelling onjuist.

Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat door de politie tevens onderzoek is gedaan naar de verkoopgegevens van de in beslag genomen overall bij de bouwmarkt Karwei aan de [adres 4] te [woonplaats]. De filiaalmanager heeft medegedeeld dat het niet mogelijk was om per dag een uitdraai te leveren met daarop de kassabon waarop genoemde overall was gekocht. Hij kon alleen een overzicht geven wanneer bedoelde overalls waren verkocht. Hij heeft een faxoverzicht van de verkoopaantallen per week aan de politie doen toekomen. In de maand mei zijn er in week 18 geen overalls verkocht. In week 19 is er één verkocht. In week 20 zijn er zes verkocht en in week 21 is er één verkocht. (ordner 10, pag. 3958-3959)

Overigens wordt door het hof bovenstaande informatie niet als bewijsmiddel gebruikt, aangezien hieruit niet zonder meer conclusies kunnen worden getrokken.

Op het GBA-adres [adres 1] te [woonplaats] stonden in oktober 2006 ingeschreven mevrouw [betrokkene 2] en verdachte. In het herkenningssysteem van de politie stond over verdachte onder andere de vermelding van twee tatoeages: een tatoeage met tekst op de buik ([naam tatoeage 1]) en op de rug ([naam tatoeage 2]).

Door verdachte wordt de derde man omschreven als een negroïde man, dik postuur met kort zwart haar. Op zijn buik had hij een tatoeage. Er stond een tekst geschreven vanaf zijn rechterlies met een boog over zijn buik. Het waren letters van het alfabet. Deze tatoeage was zwart/groen van kleur. Boven op zijn rug had hij ook een tatoeage. Het was een zin met zwarte letters van het alfabet. Het slachtoffer kon niet lezen wat er stond. (ordner 3, pag. 694)

De verdachte zelf heeft verklaard tatoeages op zijn lichaam te hebben. Op zijn rug staat ‘[naam tatoeage 2]’ en op zijn buik staat ‘[naam tatoeage 1]’. (ordner 9, pag. 3342) De vriendin van verdachte, [betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte tatoeages heeft. ‘No limit’ staat in zwart/groene sierletters in een boog op zijn buik. Op zijn rug staat ‘Psycho’ in grote letters. (ordner 9, pag. 3367) Foto's van de verdachte bevestigen deze verklaringen en bevestigen tevens dat met name de tatoeage op de buik moeilijk leesbaar is. (ordner 9, pag. 3478 en 3479)

De verdachte heeft ter zitting van het hof d.d. 5 juni 2008 verklaard dat hij op 24 en 25 mei 2006 thuis was.

Gelet op bovenstaande neemt het hof als vaststaand aan, dat verdachte degene is geweest die door het slachtoffer wordt omschreven als dader 3.

Nu het hof heeft vastgesteld dat de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres 1] en heeft vastgesteld dat verdachte degene is die door aangever werd aangeduid als dader 3, acht het hof de aan- of afwezigheid in de woning van de vriendin en hond van verdachte niet van belang.

? De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de hypothese dat verdachte dezelfde persoon is als degene die door aangever [slachtoffer] wordt aangeduid als dader 3, dient te worden verworpen. Aangever heeft verdachte niet herkend via de fosloconfrontatie. Voorts voert de verdediging het verweer dat de tatoeages van verdachte niet exclusief zijn en acht de verdediging het niet uitgesloten dat de tatoeages die aangever meent te hebben gezien niet echt waren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Tijdens de wederrechtelijke vrijheidsberoving in een woning aan de [adres 1] waar verdachte stond ingeschreven heeft het slachtoffer het ontbloot bovenlijf van dader 3 gezien en worden de door hem geziene tatoeages beschreven. Deze blijken overeen te komen met de tatoeages van verdachte. Voorts heeft aangever in zijn aangifte een beschrijving van verdachte gegeven. Hoewel het slachtoffer de verdachte tijdens de fosloconfrontatie niet herkend heeft is de beschrijving, negroïde man van dezelfde afkomst als dader 1 en 2 (het hof: Nederlandse Antillen), dik postuur, kort zwart haar, van dien aard dat het op verdachte van toepassing zou kunnen zijn. Bovendien is het denkbaar dat de verdachte er in mei 2006 anders uitzag dan op de foto waarmee het slachtoffer in november 2006 is geconfronteerd, nu niet duidelijk is wanneer die foto is genomen.

De stelling van de verdediging dat de werkelijke daders neptatoeages lijkende op die van verdachte zouden hebben aangebracht, acht het hof uiterst onaannemelijk aangezien deze ‘werkelijke daders’ zich dan ook zouden moeten hebben bevonden op het adres van verdachte terwijl verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de nacht van

24 op 25 mei 2006 thuis is geweest.

Gelet op bovenstaande neemt het hof dat, hoewel aangever verdachte niet heeft herkend in een fosloconfrontatie, verdachte en dader 3, een en dezelfde persoon zijn.

? De verdediging heeft voorts betoogd dat in strijd met de algemene regels voor zorgvuldig onderzoek bij de honden geen haren zijn afgenomen of bemonsterd. Dit maakt het onmogelijk te toetsen of de haren in de woning aan de trui zijn blijven hangen.

Het hof stelt voorop dat er sprake is geweest van een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Op grond van dit onderzoek kan het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde komen. Het feit dat er geen onderzoek is gedaan naar de hondenharen acht het hof, op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, aldus niet onzorgvuldig.

Op grond van bovenstaande en al deze bewijsmiddelen in samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn mededaders opzettelijk het slachtoffer onder bedreiging van een vuurwapen in een auto naar een woning hebben vervoerd en het slachtoffer gedurende een nacht in die woning tegen zijn zin hebben vastgehouden, terwijl het slachtoffer in die woning ook werd bedreigd.

Verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis

De verdediging heeft ter zitting van het hof d.d. 5 juni 2008 verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft op diezelfde zitting beslist dat het verzoek, gelet op het veroordelende vonnis van de rechtbank d.d. 19 april 2007 en het feit dat de gronden en ernstige bezwaren waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust nog steeds bestaan, het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte moet worden afgewezen. De voorzitter heeft voorts medegedeeld dat indien het hof in de loop van de twee weken tot de conclusie komt dat verdachte voor feit 1 niet veroordeeld kan worden, de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk zal worden opgeheven.

Nu het hof ten aanzien van feit 1 tot een bewezenverklaring komt, is er ten aanzien van de opheffing voorlopige hechtenis niet tot een andere conclusie gekomen.

Feit 3

Daarnaast acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 31 oktober 2006 vier patronen voorhanden heeft gehad. Op 31 oktober 2006 werd een doorzoeking ter inbeslagname verricht in de woning van de verdachte waarbij onder meer vier patronen in beslag zijn genomen. (ordner 9, pag. 3576-3577) De verdachte heeft verklaard dat hij drie of vier stuks munitie in de woonkamer had gelegd. (ordner 9, pag. 3345-3351) Uit onderzoek is gebleken dat deze patronen munitie betreffen als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie. (ordner 10, pag. 4011-4016)

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Zaaksdossier DIA/ZA/09

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 25 mei 2006 te Utrecht en/of ’s-Gravenhage, althans in het arrondissement Utrecht en/of ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte,en/of zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- (terwijl die [slachtoffer] bij zijn woning gelegen aan de [adres 3] stond) die [slachtoffer] bij zijn schouder beetgepakt en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (met de loop) tegen de nek van die [slachtoffer] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: “Als je gaat rennen, dan schiet ik”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] onder bedreiging van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (tegen de zin van die [slachtoffer] in) in een auto gezet en/of

- (in die auto) de loop van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de buik van die [slachtoffer] gehouden en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij met zijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en/of zijn ogen moest dichthouden en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn zin in) naar een woning gebracht en/of

- (vervolgens) de polsen en/of voeten van die [slachtoffer] (met tape) aan elkaar vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) in de badkamer van die woning neergelegd en/of

- de wanden van die badkamer met tape en/of plastic afgeplakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer] gedrukt/gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd dat als hij “niet zou vertellen waar de stuf was”, dat hij dan “door zijn hoofd geschoten” zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) neergezet in de woonkamer van die woning en/of die [slachtoffer] (gedurende ongeveer een nacht) (tegen zijn zin in) in de woning laten zitten

en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer], twee, althans een pisto(o)l(en), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), bij zich had(den);

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Zaakdossier DIA/ZA/14

hij op of omstreeks 31 oktober 2006 te ’s-Gravenhage, althans in het arrondissement ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, voorhanden heeft gehad vier, althans een of meer patro(o)n(en), in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III;

Art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde, na een eis van 4 jaren gevangenisstraf voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De verdachte en de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is, na door een mededader te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar de woning van verdachte in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en het slachtoffer is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Het slachtoffer is de hele nacht in de woning vastgehouden. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

De manier waarop deze bedreiging heeft plaatsgevonden merkt het hof aan als professioneel. Het heeft er alle schijn van dat dit feit gepleegd is in opdracht van anderen, die het slachtoffer ervan verdachten cocaïne te hebben gestolen. Het slachtoffer is immers aan de verdachten aangewezen. Dit soort crimineel gedrag dient zwaar te worden bestraft.

Daarnaast heeft verdachte munitie aanwezig gehad. Het voorhanden hebben van munitie is een ernstig feit dat een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van (ernstige) geweldmisdrijven.

Het hof acht voorts de rol van verdachte in deze vrijheidsbeneming gelijkwaardig aan die van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en is daarom van oordeel dat zij allen tot eenzelfde straf dienen te worden veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Met de rechtbank is het hof van oordeel, dat de door de officier van justitie en de advocaat-generaal geëiste straf te licht is. Het hof zal echter een enigszins lichtere straf opleggen dan de rechtbank deed.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan de veroordeelde toe. Zij zijn tot het begaan van het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde bestemd. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Verstaat dat het door de officier van justitie ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de nummers 1, 5, 8, 9, 10, 11 en 12 van de als bijlage IV aangehechte beslaglijst.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

nummer 2 van de als bijlage II aangehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de nummers 3, 4, 6 en 7 van de als bijlage II aangehechte beslaglijst.

Aldus gewezen door

mr J.M.J. Denie, voorzitter,

mr J.H.C. van Ginhoven en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs, griffier,

en op 19 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.