Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5323

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
21-001966-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7678, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7678
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, na een eis van 4 jaren gevangenisstraf, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De verdachte en de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is, na door een mededader te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar de woning van een mededader in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en het slachtoffer is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Het slachtoffer is de hele nacht in de woning vastgehouden. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

De manier waarop deze bedreiging heeft plaatsgevonden merkt het hof aan als professioneel. Het heeft er alle schijn van dat dit feit gepleegd is in opdracht van anderen, die het slachtoffer ervan verdachten cocaïne te hebben gestolen. Het slachtoffer is immers aan de verdachten aangewezen. Dit soort crimineel gedrag dient zwaar te worden bestraft.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van (ernstige) geweldmisdrijven waarvoor hij langdurige gevangenisstraffen heeft ondergaan.

Het hof acht voorts de rol van verdachte in deze vrijheidsbeneming gelijkwaardig aan die van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en is daarom van oordeel dat zij allen tot eenzelfde straf dienen te worden veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Met de rechtbank is het hof van oordeel, dat de door de officier van justitie en de advocaat-generaal geëiste straf te licht is. Het hof zal echter een enigszins lichtere straf opleggen dan de rechtbank deed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001966-07

Uitspraak d.d.: 19 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 19 april 2007 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

5 juni 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.F. Grégoire, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaaksdossier DIA/ZA/09

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 25 mei 2006 te Utrecht en/of

’s-Gravenhage, althans in het arrondissement Utrecht en/of ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- (terwijl die [slachtoffer] bij zijn woning gelegen aan de [adres 2] stond) die [slachtoffer] bij zijn schouder beetgepakt en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (met de loop) tegen de nek van die [slachtoffer] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: “Als je gaat rennen, dan schiet ik”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] onder bedreiging van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (tegen de zin van die [slachtoffer] in) in een auto gezet en/of

- (in die auto) de loop van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de buik van die [slachtoffer] gehouden en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij met zijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en/of zijn ogen moest dichthouden en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn zin in) naar een woning gebracht en/of

- (vervolgens) de polsen en/of voeten van die [slachtoffer] (met tape) aan elkaar vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) in de badkamer van die woning neergelegd en/of

- de wanden van die badkamer met tape en/of plastic afgeplakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer] gedrukt/gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd dat als hij “niet zou vertellen waar de stuf was”, dat hij dan “door zijn hoofd geschoten” zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) neergezet in de woonkamer van die woning en/of die [slachtoffer] (gedurende ongeveer een nacht) (tegen zijn zin in) in de woning laten zitten

en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer], twee, althans een pisto(o)l(en), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), bij zich had(den);

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 24 mei 2006 omstreeks 22.30 uur in Utrecht samen met [getuige 1] en ene [betrokkene 1] op de [adres 3] te Utrecht liep en dat hij zag dat er twee auto's uit de richting van zijn woning aan de [adres 2] kwamen rijden. [slachtoffer] herkende één van de auto's als zijnde de auto van [medeverdachte 1] en zag [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk in de auto zitten. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] tegen één van de mannen hoorde zeggen: "dit zijn de jongens". [slachtoffer] en de twee personen met wie hij samen liep, zijn vervolgens gaan rennen, waarbij hij door twee onbekende mannen, waarvan één een pistool bij zich had, werd achtervolgd en door één van hen werd beetgepakt. De ene onbekende man (dader 1) wordt door het slachtoffer omschreven als een negroïde man van ongeveer 1.85 meter met een fors postuur. De andere onbekende man (dader 2) wordt door het slachtoffer omschreven als een negroïde man van ongeveer 1.70 meter met een normaal postuur. (ordner 3, pag. 690-699) Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de aangever en hij op straat werden achtervolgd. (ordner 3, pag. 707-708) Bij de rechter-commissaris d.d. 17 maart 2008 verklaart deze getuige dat [medeverdachte 1] in de auto zat die voorbij reed. Achter deze auto reed een andere auto. Deze auto stopte en niet zo lang daarna kwamen er mannen achter hen aan.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangever door dader 1 werd beetgepakt en werd bedreigd met een vuurwapen. (ordner 3, pag. 718-722) [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 1] hierna tegen een van de mannen zei: "dat is hem". Aangever kreeg door dader 1 een pistool in zijn nek gedrukt en er werd tegen hem gezegd: "als je gaat rennen, dan schiet ik". (ordner 3, pag. 690-699) Deze woorden worden ook bevestigd door de getuige [getuige 3]. (ordner 3, pag. 1075)

Uit de verklaring van aangever blijkt voorts dat hij vervolgens rechts achter in een groene vierdeurs auto moest gaan zitten. Dader 1 ging achter het stuur zitten en dader 2 nam plaats naast aangever en hield daarbij het pistool tegen de buik van het slachtoffer. Vervolgens zijn ze in de richting van Den Haag gereden en [slachtoffer] moest met zijn hoofd op zijn benen gaan liggen en zijn ogen dicht doen. De auto stopte uiteindelijk bij een woning, alwaar een derde man (dader 3) stond te wachten. Aangever werd de woning binnengebracht en zijn polsen en voeten werden met tape aan elkaar vastgebonden. De drie daders vroegen aan hem waar de cocaïne was. De badkamer in de woning werd vervolgens door één van de daders rondom afgeplakt met stroken zwart plastic. Twee van de drie daders trokken vervolgens een oranje overall aan. [slachtoffer] werd op de grond in de badkamer neergelegd en kreeg een pistool op zich gericht en meerdere malen tegen zijn hoofd gedrukt. Daarbij werd gezegd dat als hij niet zou vertellen waar de 'stuf’ was, hij door zijn hoofd geschoten zou worden. Twee van de drie daders hadden een wapen. Na ongeveer een uur in de badkamer gezeten te hebben, werd aangever teruggedragen naar de woonkamer en moest daar met zijn gezicht naar de muur op de grond gaan zitten, waar hij vervolgens de rest van de nacht heeft gezeten. Dader 1 en 2 zijn op een gegeven moment de woning uitgegaan. Dader 3 heeft hem toen nog een keer of vier bedreigd. Dader 3 had toen 2 pistolen. Pas de volgende dag werd [slachtoffer] weer naar het centrum van Utrechtgebracht en daar vrijgelaten. Aangever heeft verklaard dat hij van angst meermalen in zijn broek heeft geplast, zowel in de groene auto waarin hij werd vervoerd als in de woning waar hij had vastgezeten. (ordner 3, pag. 690-699) De getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris d.d. 1 februari 2007 verklaard dat hij die dag [slachtoffer] tegen is gekomen en dat [slachtoffer] hem vertelde dat hij was meegenomen met de auto en de hele nacht in een hokje moest zitten. [getuige 2] zag daarbij dat aangever witte lijmresten van plakband op zijn polsen had. Ook de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem de volgende dag heeft verteld dat hij tegen zijn wil was meegenomen. (ordner 3, pag. 707-708) Op 25 mei 2006 werd het slachtoffer door een technisch rechercheur van de Politie Utrecht onderzocht en daarbij werd geconstateerd dat op de polsen en de schoenen van het slachtoffer lijmrestanten zichtbaar waren van tape. (ordner 3, pag. 848-863)

? De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer], te onbetrouwbaar zijn om voor het bewijs van het tenlastegelegde mee te werken. Voorts komen de signalementen die de getuigen en de verdachte geven van dader 1 en 2 niet met elkaar overeen.

Het hof is echter van oordeel dat de ondanks de verschillen in de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, deze in onderling verband beschouwd voldoende consistent zijn en allerlei details bevatten die maken dat deze verklaringen als betrouwbaar kunnen gelden. Essentiële delen van voornoemde verklaringen van [slachtoffer] vinden voorts steun in de getuigenverklaringen van [slachtoffer], [getuige 2] en [getuige 3] en in de overige bewijsmiddelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de getuigen in dit onderzoek veel later door de politie zijn gehoord, waardoor het niet onmogelijk is dat de verschillende verklaringen niet tot in detail overeenkomen met die van het slachtoffer, die immers een dag na de vrijheidsberoving aangifte deed.

In het bijzonder weegt het hof in zijn oordeel inzake de betrouwbaarheid van de aangifte mee, dat het slachtoffer door aangifte te doen het risico heeft gelopen dat hij zelf onderwerp van onderzoek door de politie zou worden.

Ten aanzien van de signalementen is het hof met de verdediging van mening dat de verklaringen van getuigen en aangever verschillen. Het hof wijdt dit echter aan de subjectieve waarneming van getuigen en verdachte. Op essentiële punten, zoals het feit dat het getinte mannen betrof, het feit dat deze mannen Engels spraken en het feit dat zij [slachtoffer] meenamen uit zijn woning, komen de verklaringen wel overeen.

Voorts is gebleken is dat er vlak voor, tijdens en na de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer veelvuldig contact is geweest tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] en twee prepaid telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3]. (ordner 9, pag. 3543-3550)

Uit de door de toestellen gebruikte paallocaties is gebleken dat de gebruikers van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] zich tussen 1 maart 2006 en 1 september 2006 voornamelijk in Den Haag ophielden. De gebruikers van beide nummers hebben in de middag van 24 mei 2006 meermalen telefonisch contact met [medeverdachte 1].

Tevens is gebleken dat de toestellen met de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] zich op 24 mei 2006 omstreeks 18.30 uur van Den Haag naar Utrecht verplaatsten en zich omstreeks 23.15 uur weer naar Den Haag verplaatsten. (ordner 9, pag. 3543-3550) Bovendien is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op 24 mei 2006 vanaf omstreeks 22.30 uur tot en met ongeveer 23.15 uur, rond het tijdstip van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer, palen heeft aangezocht in de omgeving van Kanaleneiland te Utrecht, de plaats waar het slachtoffer van zijn vrijheid werd beroofd.

De beide toestellen ( [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2]) zijn gebruikt tot en met 25 mei 2006, omstreeks 09:00 uur.

Beide toestellen hadden veel overeenkomende contacten.

Met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] werd onder andere veelvuldig contact onderhouden met het telefoonnummer op naam van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] is de vriendin van de medeverdachte [medeverdachte 2]. Met beide hiervoor genoemde telefoonnummers werd ook veelvuldig contact onderhouden met het telefoonnummer op naam van [betrokkene 3]. [betrokkene 3] is de vriendin van de verdachte en de zus van de medeverdachte [medeverdachte 3].

Met het toestel [telefoonnummer 3] werd verder veelvuldig contact onderhouden met [betrokkene 4]. (ordner 9, pag. 3556-3558)

Voorts is er met het toestel [telefoonnummer 3] contact geweest met [naam 1]. Zij heeft verklaard dat ze telefonische contacten heeft gehad met verdachte. (ordner 9, pag. 3464)

Uit de paallocaties blijkt dat de beide toestellen zich tussen 22:17 uur en 22:33 uur bevonden in de omgeving van de Europalaan te Utrecht. (ordner 9, pag. 3549)

Op 24 mei 2006 om 22.25 uur is een groene vierdeurs personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] de camera gepasseerd die op de parallelweg van de Europalaan ter hoogte van de oprit Rijksweg Al2 richting Den Haag was geplaatst in het kader van een onderzoek met betrekking tot snelkraken bij meubelwinkels. (ordner 10, pag. 3697) Op 24 mei 2006 stond medeverdachte [medeverdachte 3] als tenaamgestelde van het kenteken [kenteken] geregistreerd. Op het adres van [medeverdachte 3] was ook verdachte woonachtig. Op 12 september 2006 stond de auto op naam van [betrokkene 4] (ordner 10, pag. 3697)

Voorts is gebleken dat de SIM-kaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebruikt werd in twee telefoons met de IMEI-codes [code 1] respectievelijk [code 2]. In het telefoontoestel met IMEI-code [code 2] hebben twee SIM-kaarten gezeten, waaronder één met telefoonnummer [telefoonnummer 4]. (ordner 10, pag. 4146-4151) Gebleken is dat 19 contactnummers van het eerder in het toestel gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer 2] overeenkwamen met de later in het toestel gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer 4]. Ook de gebruikte paallocaties blijven overeenkomen. Bij de aanhouding van de verdachte werd in zijn fouillering een telefoon aangetroffen met IMEI-code [code 3]. (ordner 10, pag. 3931-3933) Uit de historische printgegevens van die IMEI-code bleek op enig moment het telefoonnummer [telefoonnummer 4] actief te zijn geweest.

Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de gebruikers van deze telefoonnummers betrokken zijn geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] op 24 en 25 mei 2006. En voorts gaat het hof ervan uit dat de verdachte de gebruiker is geweest van telefoonnummer [telefoonnummer 2] en één van de gebruikers is geweest van telefoonnummer [telefoonnummer 3].

? De raadsman heeft betoogd dat de telefonische contacten en de plaats waar deze telefoons zich op de diverse tijdstippen zouden hebben bevonden niet te rijmen is met de route die de auto zou hebben afgelegd. De raadsman gaat er in zijn pleidooi vanuit dat de auto van verdachten om 22:25 uur vanuit Utrecht de oprit van de A12 richting Den Haag was opgereden (ordner 10 pag. 3698) Dit valt volgens hem niet te rijmen met de conclusie dat de telefoonnummers om 23:15 uur Utrecht zouden hebben verlaten en dat telefoonnummer [telefoonnummer 2] om 22:17 uur Utrecht zou zijn binnengereden.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

In het kader van een inbrakenonderzoek was er een camera geplaatst op de uitvalsweg van meubelboulevard Kanaleneiland, die geschikt was om kentekens van passerende voertuigen te registreren. Naar aanleiding van de aangifte van [slachtoffer] werden de kentekens opgevraagd van auto’s die de camera hadden gepasseerd vanaf 24 mei 2008 22:00 uur tot en met 25 mei 2008 03:00 uur. De plaats van de camera was op de parallelweg Europalaan ter hoogte van de oprit rijksweg A12 richting Den Haag. Deze camera registreerde niet de auto’s op de hoofdweg, de Europalaan. (ordner 10, pag. 3698 en aanvullend proces-verbaal, DIA/AH 232)

De verdediging gaat ervan uit dat de camera de auto registreerde bij het verlaten van Utrecht. Deze conclusie kan echter niet worden getrokken. Er kan enkel geconstateerd worden dat de auto op die plaats en op dat tijdstip is gezien. Aldus kan niet gezegd worden of de auto op weg was naar Den Haag. Overigens heeft aangever verklaard dat ze via de Europalaan Utrecht hadden verlaten (ordner 3, pag. 693)

Beide prepaid-nummers hebben in de nacht van 24 op 25 mei 2006 paallocaties aangezocht binnen een beperkt gebied in Den Haag. (vlaggen in kaart, ordner 9, pag. 3545)

Binnen dit gebied bevindt zich een flat aan de [adres 4]. Deze woning komt aan de buitenkant en de binnenkant overeen met de beschrijving van de woning die het slachtoffer heeft gegeven. (ordner 9, 3467-3469 en 3475-3476) In deze woning worden voorts een oranje overall en een rol tape aangetroffen. (ordner 9, pag. 3576-3577)

Gelet op bovenstaande gaat het hof ervan uit dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer heeft plaatsgevonden in de woning aan de [adres 4]. Deze woning staat op naam van [betrokkene 2]. Tevens is op dit adres woonachtig medeverdachte [medeverdachte 2]. Deze verdachte [medeverdachte 2] blijkt dezelfde tatoeages te hebben als door aangever wordt omschreven. (ordner 3, pag. 694 en ordner 9, pag. 3478 en 3479) Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 2] degene is die door aangever als dader 3 wordt omschreven. Nu het hof heeft vastgesteld dat de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden in de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres 4] en heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] degene is die door aangever werd aangeduid als dader 3, acht het hof de aan- of afwezigheid in de woning van de vriendin en hond van [medeverdachte 2] niet van belang.

Er heeft ook een foslo-confrontatie plaatsgevonden met aangever waarbij de foto van verdachte getoond is. Aangever heeft gezegd dat nummer 5 het wel zou kunnen zijn, maar dat hij dat niet zeker weet. De foto nummer 5 betrof de foto van verdachte. (ordner 10, pag. 3712-3713) Ook ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] zegt aangever bij de foto van [medeverdachte 3] dat hij het zou kunnen zijn, maar dat hij het niet zeker weet. (ordner 10, pag. 3710-3711)

Ondanks het feit dat het geen volledige herkenning betreft neemt het hof wel in zijn bewijsvoering in aanmerking dat aangever beide verdachten uit de reeks foto’s aanwijst. Het hof overweegt hierbij dat het denkbaar is dat de verdachte er in mei 2006 anders uitzag dan op de foto waarmee het slachtoffer in november 2006 is geconfronteerd, nu niet duidelijk is wanneer die foto is genomen.

Op grond van bovenstaande en al deze bewijsmiddelen in samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn mededaders opzettelijk het slachtoffer onder bedreiging van een vuurwapen in een auto naar een woning hebben vervoerd en het slachtoffer gedurende een nacht in die woning tegen zijn zin hebben vastgehouden, terwijl het slachtoffer in die woning ook werd bedreigd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaaksdossier DIA/ZA/09

hij in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 25 mei 2006 te Utrecht en/of ’s-Gravenhage, althans in het arrondissement Utrecht en/of ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte,en/of zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- (terwijl die [slachtoffer] bij zijn woning gelegen aan de [adres 2] stond) die [slachtoffer] bij zijn schouder beetgepakt en/of (vervolgens) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (met de loop) tegen de nek van die [slachtoffer] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: “Als je gaat rennen, dan schiet ik”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] onder bedreiging van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, (tegen de zin van die [slachtoffer] in) in een auto gezet en/of

- (in die auto) de loop van dat pistool, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de buik van die [slachtoffer] gehouden en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij met zijn hoofd op zijn benen moest gaan liggen en/of zijn ogen moest dichthouden en/of

- die [slachtoffer] (tegen zijn zin in) naar een woning gebracht en/of

- (vervolgens) de polsen en/of voeten van die [slachtoffer] (met tape) aan elkaar vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) in de badkamer van die woning neergelegd en/of

- de wanden van die badkamer met tape en/of plastic afgeplakt en/of

- meermalen, althans eenmaal, een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer] gedrukt/gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd dat als hij “niet zou vertellen waar de stuf was”, dat hij dan “door zijn hoofd geschoten” zou worden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgetaped) neergezet in de woonkamer van die woning en/of die [slachtoffer] (gedurende ongeveer een nacht) (tegen zijn zin in) in de woning laten zitten

en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer], twee, althans een pisto(o)l(en), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), bij zich had(den);

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde, na een eis van 4 jaren gevangenisstraf, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. De verdachte en de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen van deze veroordeling. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer is, na door een mededader te zijn aangewezen als de persoon die men moest hebben, door mededaders onder bedreiging van een vuurwapen meegenomen van Utrecht naar de woning van een mededader in Den Haag. Hij is daar meermalen met twee vuurwapens bedreigd. De polsen en voeten werden met tape vastgebonden en het slachtoffer is op de vloer van de badkamer gelegd waarvan de wanden rondom met plastic waren afgeplakt. Het slachtoffer werd meerdere keren een pistool tegen het hoofd gezet. Het slachtoffer is de hele nacht in de woning vastgehouden. Dit is voor het slachtoffer uitermate beangstigend en bedreigend geweest. Slachtoffer heeft ook aangegeven uit angst meerdere malen in zijn broek te hebben geplast.

De bewezenverklaarde feiten houden een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan langdurig geestelijke schade plegen te ondervinden.

De manier waarop deze bedreiging heeft plaatsgevonden merkt het hof aan als professioneel. Het heeft er alle schijn van dat dit feit gepleegd is in opdracht van anderen, die het slachtoffer ervan verdachten cocaïne te hebben gestolen. Het slachtoffer is immers aan de verdachten aangewezen. Dit soort crimineel gedrag dient zwaar te worden bestraft.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte, blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van onder meer het plegen van (ernstige) geweldmisdrijven waarvoor hij langdurige gevangenisstraffen heeft ondergaan.

Het hof acht voorts de rol van verdachte in deze vrijheidsbeneming gelijkwaardig aan die van zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en is daarom van oordeel dat zij allen tot eenzelfde straf dienen te worden veroordeeld.

Gelet op de aard en de ernst van de zaak, mede met het oog op een juiste normhandhaving en vanuit generaal preventief oogpunt, komt voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Met de rechtbank is het hof van oordeel, dat de door de officier van justitie en de advocaat-generaal geëiste straf te licht is. Het hof zal echter een enigszins lichtere straf opleggen dan de rechtbank deed.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan de veroordeelde toe. Zij zijn tot het begaan van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde bestemd. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

één Samsung mobiel X810 één Samsung mobiel C120.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

één semafoon, Maxer Philips buzzer.

Aldus gewezen door

mr J.M.J. Denie, voorzitter,

mr J.H.C. van Ginhoven en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs, griffier,

en op 19 juni 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.