Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD5209

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
07/336
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL7964, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na verwijzing door de Hoge Raad.

De ten invoer aangegeven babyfoons moeten worden ingedeeld onder post 8527 90 98 van het GDT. De vraag of van navordering moet worden afgezien beantwoordt de Douanekamer van het Hof ontkennend. In het licht van het arrest Hewlett Packard is er geen sprake van een vergissing. Ook overigens is geen sprake van enige actieve gedraging waaruit een vergissing van de douaneautoriteiten zou kunnen blijken. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1853
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 07/336 DK – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – de dato 18 juni 2008

1. De procedure

1.1. Op 2 juni 2003 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende], belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid/kantoor Roermond (hierna: de inspecteur) van 12 mei 2003, kenmerk […], waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar onder nummer […] uitgereikte uitnodiging tot betaling van 6 april 2001 ten bedrage van f 998.549,40 (€ 453.121,96) aan douanerechten werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 232 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van die zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 10 februari 2005. De Douanekamer heeft bij uitspraak van 9 juni 2005, nr. 03/2356 DK, het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad bij arrest van 8 juni 2007, nr. 42.349, de uitspraak van de Douanekamer van 9 juni 2005 vernietigd en het geding verwezen naar de Douanekamer ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.5. Belanghebbende en de inspecteur hebben, daartoe door de griffier in de gelegenheid gesteld, gereageerd op het arrest van de Hoge Raad bij brieven van 24 juli 2007 en 21 augustus 2007. De griffier heeft een kopie van de brief van belanghebbende aan de inspecteur en een kopie van de brief van de inspecteur aan belanghebbende gezonden.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak na verwijzing heeft plaatsgevonden ter zitting van de Douanekamer van 15 april 2008. Namens belanghebbende zijn verschenen [gemachtigde] alsmede namens de inspecteur mr. dr. M.J.W. van Casteren, E.J.A. Mutsaers en H.W. van Wilsum. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juni 2007, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen:

“3.4. De aangifte voor het vrije verkeer van een goed met toepassing van de hiervóór in 3.1.1 vermelde domiciliëringsprocedure geschiedt door inschrijving van dat goed in de (bedrijfs)administratie. Deze inschrijving heeft dezelfde juridische waarde als de aanvaarding van een schriftelijk bij de douane ingediende aangifte (artikel 76, lid 3, tweede volzin, van het CDW). De aangever moet na de inschrijving een aanvullende aangifte indienen, die een algemeen, periodiek of samenvattend karakter kan hebben (artikel 76, lid 2, van het CDW) en op de voet van artikel 76, lid 3, van het CDW één enkele en ondeelbare akte met de vereenvoudigde aangifte vormt. Voorts is bepaald dat de douaneautoriteiten een vergunning voor de toepassing van de domiciliëringsprocedure niet verlenen dan nadat zij zich ervan hebben vergewist dat zij aan de hand van de administratie van de aanvrager een doeltreffende controle kunnen verrichten, met name een controle achteraf (artikel 264 van de Uitvoeringsverordening CDW).

Het is buiten redelijke twijfel dat bij toepassing van de domiciliëringsprocedure voor het antwoord op de vraag of de gedane douaneaangifte alle voor de toepassing van de betrokken regeling vereiste feitelijke gegevens bevat, niet kan worden volstaan met een beoordeling van de gegevens zoals die in de aanvullende aangifte worden verstrekt. Bij deze procedure moet derhalve de inschrijving in de bedrijfsadministratie worden aangemerkt als de douaneaangifte en vormt de maandelijks bij de douane in te dienen opgave een aanvulling daarop.

3.5. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende met toestemming van de Inspecteur de aanvullende aangifte periodiek over een tijdvak van een kalendermaand bij de douaneautoriteiten indiende en dat in die aangifte voor de aanduiding van de goederen mocht worden volstaan met vermelding van een unieke code, waarvan de inhoud en betekenis uit de bedrijfsadministratie volgen en aan de douaneautoriteiten bekend waren.

3.6. Gelet op het hiervoor in 3.4 en 3.5 overwogene heeft het Hof de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur gedurende langere tijd grote hoeveelheden douaneaangiften heeft laten passeren zonder bezwaar te maken tegen de tariefindeling, ten onrechte terzijde gesteld met de overweging dat de door belanghebbende gedane aanvullende opgaven niet de vereiste feitelijke gegevens, waaronder met name een omschrijving van de goederen, bevatten. 's Hofs uitspraak is aldus, voor zover betrekking hebbend op de toepassing van artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, van het CDW, onvoldoende met redenen omkleed.”

3. Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende importeert op grote schaal producten uit derde landen. Zij doet zelf, op eigen naam en voor eigen rekening, aangiften voor het vrije verkeer. Deze aangiften doet belanghebbende op een vereenvoudigde wijze, met toepassing van de zogeheten domiciliëringsprocedure als bedoeld in artikel 76, lid 1, letter c, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW). Zij dient na afloop van elke kalendermaand bij de douane een opgave in van alle in de afgelopen maand door haar met toepassing van deze procedure voor het vrije verkeer aangegeven goederen. Daartoe legt zij een CD-rom over, die de gegevens bevat van duizenden aangiften.

3.2. De onder 3.1. vermelde opgave bevat een aanduiding van het product in de vorm van een voor elk identiek product unieke code, die door belanghebbende in haar administratie wordt gebruikt (de zogenoemde 12NC-code). In deze opgave wordt voorts de bij dat goed behorende goederencode van het geïntegreerde tarief vermeld, de oorsprong en de waarde. Een omschrijving van de goederen wordt niet vermeld.

3.3. Belanghebbende legt in haar administratie vast onder welke 12NC-code de goederen ofwel datagroep zijn aangegeven. Ingeval geen 12NC-code bekend is worden andere relevante kenmerken zoals commercieel typenummer vastgelegd. In evenbedoelde datagroep is geen goederenomschrijving opgenomen. Vanuit de desbetreffende datagroep kan desgewenst, vanuit de administratie van belanghebbende, worden vastgesteld wat de ingevoerde goederen zijn.

3.4. De douane controleert de door belanghebbende onder 3.1. vermelde aangeleverde aangifteregels summier op inconsistenties in de aangeleverde gegevens. Controle op de juistheid van de aangifteregels vindt niet plaats. Dit gebeurt achteraf nadat productinformatie bij belanghebbende is opgevraagd.

3.5. Tot de producten welke belanghebbende voor het vrije verkeer aangeeft behoren babyfoons uit China. Het betreft zowel babyfoons met als babyfoons zonder terugspreekmogelijkheid. Belanghebbende heeft tot medio mei 2000 de babyfoons, ongeacht of deze al dan niet waren voorzien van een terugspreekmogelijkheid, aangegeven onder post 8525 20 99 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: GDT), zijnde zendtoestellen voor radiotelefonie, radiotelegrafie en radio-omroep met ingebouwd ontvangtoestel. Na medio mei 2000 is belanghebbende de babyfoons gaan aangeven onder post 8527 90 98 van het GDT, te weten ontvangtoestellen voor radiotelefonie, radiotelegrafie en radio-omroep.

3.6. In september 2000 heeft de douane de maandaangiften van belanghebbende, voor zover betrekking hebbend op babyfoons, met betrekking tot de periode april 1998 tot en met mei 2000 administratief gecontroleerd. De douane heeft daarbij vastgesteld dat belanghebbende verschillende typen babyfoons in het vrije verkeer heeft gebracht, welke alle zijn aangegeven onder post 8525 20 99. De hier bedoelde babyfoons zijn omschreven als draadloze oplaadbare elektronische babyfoons, bestaande uit twee afzonderlijke componenten, een zendgedeelte en een ontvanggedeelte. Beide componenten beschikken over een eigen antenne en een adapter voor de stroomvoorziening. Het complete systeem is niet voorzien van een intercom met een terugspreekmogelijkheid.

3.7. Belanghebbende heeft de onder 3.6. vermelde babyfoons aangegeven onder post 8525 20 99 van de Gecombineerde Nomenclatuur, welke ziet op onder meer zendtoestellen voor radiotelefonie, radiotelegrafie en radio-omroep met ingebouwd ontvangtoestel. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de babyfoons onder post 8527 90 98 moeten worden ingedeeld, welke post ontvangtoestellen voor radiotelefonie, radiotelegrafie en radio-omroep omvat. Voor deze post geldt een hoger tarief aan douanerechten. Voor de meer verschuldigde douanerechten over de periode april 1998 tot en met half mei 2000 heeft de inspecteur uitnodigingen tot betaling voor een bedrag van fl. 998.549,40 (= € 453.121,96) aan belanghebbende verzonden.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW aan navordering in de weg staat, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist. Niet in geschil is dat ingeval het gelijk aan belanghebbende is de uitnodiging tot betaling dient te worden verminderd met een bedrag van € 53.290,12.

5. Het standpunt van belanghebbende

5.1. De inspecteur had op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek (verder: CDW) moeten afzien van navordering. In casu is sprake van een vergissing van de douaneautoriteiten, hierin bestaande dat de douane jarenlang duizenden aangiften heeft geaccepteerd met een foutieve goederencode. Verwezen wordt naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 april 1993, zaak nr: C-250/91 (Hewlett Packard) waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat ook het aanvaarden van grote hoeveelheden douaneaangiften over een langere periode zonder dat de douane bezwaar maakt tegen de tariefindeling als een actieve gedraging van de douane en dus als een vergissing moet worden aangemerkt. Deze situatie heeft zich hier ook voorgedaan. Belanghebbende heeft deze vergissing redelijkerwijs niet zelf kunnen ontdekken. De voorschriften waren ingewikkeld. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de bevoegde autoriteiten de voorschriften verschillend interpreteerden, waardoor verordeningen voor de tariefindeling moesten worden opgesteld.

5.2. Ter zitting van 10 februari 2005 heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende naar voren gebracht:

De maandaangifte bevat geen omschrijving van de goederen.

Op de bij de pleitnota overgelegde BTI’s wordt geen beroep gedaan, zij dienen slechts ter illustratie van de onduidelijkheid die bestond omtrent de indeling van babyfoons.

5.3. Reactie op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007:

Er is sprake van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten. Het kiezen van een passieve controletechnische houding, terwijl alle vereiste feitelijke gegevens (waaronder de 12 NC-code) voorhanden zijn, moet als een actieve gedraging worden aangemerkt.

5.4. Ter zitting van 15 april 2008 heeft belanghebbende hieraan het volgende toegevoegd:

Niet in geschil is dat in de maandelijks bij de douane ingediende aangifte, noch in de inschrijving in de administratie een omschrijving van de goederen is opgenomen. De inschrijving in de administratie geschiedt via datagroepen. Die datagroepen bevatten geen omschrijving van de goederen. Vanuit deze datagroepen kan verder in de administratie worden gezocht om welke goederen het precies gaat. Het feit dat deze relatie kan worden gemaakt brengt mee dat de douane de beschikking had over alle relevante gegevens, waaronder een goederen omschrijving. Dit laatste brengt mee dat de situatie vergelijkbaar is met die van het arrest Hewlett-Packard. Niet in geschil is dat in het maandelijks overleg met de douane de indeling van de goederen niet aan de orde is gesteld.

De douane heeft de aangiften gedurende een lagere periode aanvaard en geen bezwaar gemaakt tegen de tariefindeling. Er is sprake van een vergissing van de douane die belanghebbende redelijkerwijs niet had kunnen ontdekken. In dat verband geldt dat het om een complexe indelingszaak gaat.

Belanghebbende heeft eigener beweging medio 2000 de aangegeven goederencode gewijzigd naar aanleiding van een in andere lidstaten gevoerde discussie.

De tariefindeling als zodanig is niet in geschil. Er zijn belanghebbende geen gevallen bekend waarin de douane concurrenten anders behandelt; in zoverre doet belanghebbende ook geen beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel.

6. Het standpunt van de inspecteur

6.1. Het bepaalde in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW is in casu niet van toepassing. Het arrest in de zaak Hewlett-Packard zag op een andere situatie dan de onderhavige, omdat bij grote bedrijven als die van belanghebbende de gevolgde wijze van controleren van aangiften nu eenmaal meebrengt dat de douane de ingediende aangiften over het algemeen volgt en dat een daadwerkelijke, diepgaande controle pas later plaatsvindt. De douane heeft de aangiften door belanghebbende gevolgd en geen controle ingesteld gericht naar de tariefindeling. Gelet op de omvang van de aangiften van belanghebbende is het voor de douane een onmogelijke opgave om de aangiften elke maand op alle aspecten te controleren. Alleen als er aanleiding is om een bepaald aspect nader te bekijken, bijvoorbeeld de indeling van een bepaald product of groep van producten, betalingen van een bepaalde aard of aan bepaalde leveranciers of de geclaimde vrijstelling met betrekking tot een bepaalde activiteit etc., wordt dat aspect grondig doorgelicht over een periode van meerdere maanden of zelfs jaren.

Dat was in casu niet het geval. Op zich was de indeling in de goederencode door belanghebbende in de post 8525 niet vreemd. Sommige typen babyfoons moeten inderdaad onder deze post worden aangegeven. Het viel evenwel op dat belanghebbende vanaf medio mei 2000 bepaalde babyfoons in een andere tariefpost is gaan indelen. Dit was mede aanleiding om de nacontrole in te stellen. Deze nacontrole, in september 2000 verricht, was de eerste keer dat de douane een gerichte controle op de indeling van babyfoons bij belanghebbende instelde. Voorafgaand aan die controle is er geen actieve gedraging van de douane geweest. Van een vergissing is dan ook geen sprake.

Doch zelfs al zou sprake van een vergissing zijn, dan betreft het een vergissing die belanghebbende eenvoudig had kunnen en moeten ontdekken, gelet op haar ervaring op het gebied van douaneaangelegenheden, met name ook op het terrein van de indeling van de producten die zij in haar assortiment voert.

6.2. Ter zitting 10 februari 2005 heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd:

Betwist wordt dat de indelingsverordening van de Europese Commissie, nr. 292/2001, aanleiding was voor de navordering.

De maandaangifte van belanghebbende wordt op CD-rom aangeleverd en wordt vervolgens “ingelezen”. Bij een steekproef bleek dat op eenzelfde NC-code verschillende posten van het GDT werden vermeld. Er is weliswaar maandelijks overleg tussen belanghebbende en de inspecteur, doch daarbij is nimmer de indeling van babyfoons aan de orde geweest.

6.3. Reactie op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007:

De inschrijving in de administratie in de zin van artikel 76, eerste lid, onderdeel c, van het CDW geschiedt via de vastlegging van de datagroep. In de aanvullende aangifte zijn voorts de eerder besproken gegevens opgenomen te weten de 12NC-code, Taric code, datum en tijd, oorsprong en waarde. Geen van de samenstellende delen van de aangifte bevat derhalve een omschrijving van de goederen.

Meer principieel geldt dat in de context van een domiciliëringsprocedure het gedurende langere tijd aanvaarden van vele aangiften zonder opmerkingen de resultante is van de gekozen wijze van controle. Van belang is dat er voor het achterwege laten van een boeking achteraf sprake is van een “echte” actieve gedraging anders dan het enkele bewust laten passeren van aangiften.

6.4. Ter zitting van 15 april 2008 heeft de inspecteur hieraan het volgende toegevoegd:

Het klopt dat niet in geschil is dat in de maandelijks bij de douane ingediende aangifte noch in de inschrijving in de administratie een omschrijving van de goederen is opgenomen. Daarmee staat vast dat geen van de samenstellende delen van de aangifte een omschrijving van de goederen bevat. Het klopt eveneens dat er via de administratie wel een relatie kan worden gelegd naar de goederenomschrijving maar dat is niet voldoende om aan navordering in de weg te staan. Overigens zou ingeval die relatie niet zou kunnen worden gelegd er ook geen vergunning voor de domiciliëringsprocedure zijn afgegeven.

Er is in casu geen sprake van een situatie als in het arrest Hewlett Packard omdat er geen omschrijving van de goederen is gegeven in de verschillende delen van de aangiften. Opgewekt vertrouwen is niet aan de orde omdat belanghebbende zich ervan bewust is dat de inspecteur geen standpunt heeft ingenomen. Zo er al sprake is van een vergissing dan geldt dat belanghebbende die redelijkerwijs kon ontdekken. Er is geen sprake van een lastige indelingszaak.

7. Overwegingen

7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige babyfoons moeten worden ingedeeld onder post 8527 90 98 van het GDT. De Douanekamer volgt dit oordeel nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook gedragen wordt door de onder 3. vermelde feiten.

7.2. Ingevolge artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW wordt niet tot boeking achteraf overgegaan indien het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest Hewlett Packard, overwogen dat "sprake is van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten indien de douaneaangifte van de belastingschuldige alle voor de toepassing van de betrokken regeling vereiste feitelijke gegevens bevatte, zodat een latere controle waartoe de bevoegde instanties eventueel zouden overgaan, geen nieuwe gegevens aan het licht kan brengen.

Dit is met name het geval, wanneer alle door de belastingschuldige ingediende douaneaangiften volledig waren in die zin, dat zij met name, naast de aangegeven tariefpost, de beschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur bevatten, en wanneer gedurende een betrekkelijk lange periode een groter aantal importen heeft plaatsgevonden, zonder dat er met betrekking tot de tariefpost ooit bezwaar is gemaakt. " (arrest van 1 april 1993, C-250/91, Hewlett Packard, Jurispr. blz. I-01819, punten 19 en 20)

7.3. Tussen partijen is niet in geschil dat in de maandelijks door belanghebbende ingediende opgave geen beschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur is opgenomen en dat de inschrijving in de bedrijfsadministratie van belanghebbende bestaat uit vastlegging van een datagroep waarin, naar belanghebbende ter zitting van 15 april 2008 heeft verklaard, evenmin zodanige beschrijving van de goederen is opgenomen. De omstandigheid dat via de vastlegging van een datagroep in de bedrijfsadministratie de goederenomschrijving zou kunnen worden achterhaald doet aan deze vaststelling niet af, omdat deze toegestane vereenvoudigde wijze van aangeven immers nog niet meebrengt dat de onderhavige douaneaangiften alle voor de toepassing van de betrokken regeling vereiste feitelijke gegevens -in een voor de douaneautoriteiten direct herkenbare of eenvoudig te herleiden formulering- bevatten, waarop na een eerste, globale aanvaarding door de inspecteur niet meer zou mogen worden teruggekomen.

In het licht van het arrest Hewlett Packard is derhalve geen sprake van een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW. Reeds daarom treft het beroep dat belanghebbende op dat arrest heeft gedaan, geen doel.

7.4 Ook overigens is geen sprake van enige actieve gedraging waaruit een vergissing van de douaneautoriteiten zou kunnen blijken, waartoe de Douanekamer het volgende in aanmerking neemt. Naar belanghebbende ter zitting van 15 april 2008 heeft verklaard is tijdens het maandelijkse operationele overleg tussen belanghebbende en de inspecteur de indeling van het onderhavige product nimmer ter discussie gesteld. Voorts is gesteld noch gebleken dat tijdens de steekproefsgewijze controles van de op CD-rom aangeleverde maandaangifte op de indeling in het GDT is gecontroleerd.

7.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

8. Proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 18 juni 2008 door mrs. F.H.M. Possen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.