Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD4337

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
06/00547
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk is geworden dat bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk is kunnen ontstaan dat zij door het maken van afspraken met de ontvanger definitief gevrijwaard zou zijn van naheffing van een later gebleken afdrachtverschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1482
FutD 2008-1331
V-N 2008/46.9

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00547

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V.,

gevestigd te Z,

belanghebbende,

gemachtigde P. Klützow,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/4400 van de rechtbank Haarlem van 10 november 2006 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2005 over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 195.013.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 26 juli 2005, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 november 2006, verzonden op 14 november 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft (de gemachtigde van) belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 13 december 2006, bij het Hof ingekomen op 13 december 2006, aangevuld bij brief van 11 januari 2007.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2007. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Met betrekking tot de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het Hof naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.8 van de uitspraak van de rechtbank.

2.2.1. Samengevat komen de door de rechtbank vastgestelde feiten erop neer dat belangheb-bende – toen nog [Y] B.V. geheten – in 2001 van plan was drie ondernemingen in te brengen in drie nog op te richten vennootschappen. De oprichting van deze vennootschappen is echter niet doorgegaan en de werknemers van de in te brengen ondernemingen zijn niet naar de nieuw op te richten vennootschappen overgegaan, maar bij belanghebbende in dienst gebleven. De groep waartoe belanghebbende destijds behoorde is in financiële problemen geraakt en vanaf 1 november 2001 hebben er in verband met een kennisgeving van betalingsonmacht besprekingen plaatsgehad met de ontvanger van de Belastingdienst Ondernemingen te Utrecht (hierna: de ontvanger). In augustus of september 2002 zijn de aandelen in belanghebbende door X Groep […] B.V. overgenomen. Bij brief van 12 december 2002 heeft de administrateur van belanghebbende de ontvanger bericht dat alle loonbelasting tot en met oktober 2002 is aangegeven en betaald. Hierop is een brief van de administrateur gevolgd van 21 januari 2003 waarin is verklaard dat akkoord wordt gegaan met de daarin vermelde verrekeningen van belasting, resulterend in een nog te betalen bedrag; in die brief is geconcludeerd dat daarmee naar het idee van belanghebbende al haar belastingproblemen waren opgelost.

2.2.2. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog verklaard dat de verkoper van de [Y]-vennootschappen failliet is gegaan, dat de aandelen in belanghebbende van de faillissementscurator zijn gekocht, dat belanghebbende ten tijde van die koop met het faillis-sement bekend was, dat dit faillissement later bij gebrek aan baten is opgeheven en voorts dat de materiële juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag niet wordt betwist.

2.2.3. De inspecteur heeft – niet weersproken door belanghebbende en naar het Hof aanne-melijk acht – ter zitting van het Hof nog gesteld dat de loonbelastingkaarten over het jaar 2001 begin februari 2002 hadden moeten worden ingeleverd, dat de loonbelastingkaarten van belanghebbende over 2001 in september 2002 zijn ingeleverd en dat het computercentrum van de Belastingdienst op 25 november 2002 een vergelijking (een zogeheten ‘query’) heeft gemaakt tussen de verzamelloonstaten 2001 van belanghebbende en de over hetzelfde tijdvak door haar op aangiften afgedragen en betaalde loonbelasting/premie volksverzekeringen. Bij die gelegenheid is volgens de inspecteur aan het licht gekomen dat volgens de loonbelasting-kaarten € 544.783 (f 1.200.545) had moeten worden ingehouden en dat een bedrag groot

€ 349.771 (f 770.794) op aangiften is afgedragen en betaald. Het verschil tussen deze bedragen, te weten € 195.013 (hierna ook: het afdrachtverschil), is door de inspecteur nage-heven. Dat zich in het onderhavige geval het (voormelde) afdrachtverschil heeft voorgedaan is op zichzelf niet tussen partijen in geschil.

2.2.4. In een brief van de inspecteur van 9 februari 2004 is belanghebbende over het af-drachtverschil geïnformeerd en is haar verzocht dat te controleren.

2.3.1. De betwisting van de naheffingsaanslag richt zich op de omstandigheden waaronder deze is opgelegd en de wijze waarop deze is totstandgekomen.

Belanghebbende betwist allereerst de juistheid van rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de rechtbank. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:

“[De inspecteur] heeft desgevraagd, na onderzoek in de systemen van de Ontvanger en onder overlegging van de desbetreffende uitdraaien, meegedeeld dat er op de aan de vennootschappen in oprichting opgelegde naheffingsaanslagen geen betalingen zijn gedaan, dat deze aanslagen na het daartegen door [belanghebbende] gemaakte bezwaar zijn verminderd tot nihil en dat deze verminderingen geheel zijn afgeboekt op de nog openstaande bedragen ten name van [belanghebbende]. [Belanghebbende] heeft een en ander niet nader weersproken.”

Belanghebbende verwijst in dit verband naar een debiteurenoverzicht van 15 januari 2003 ten name van “[Y] Group BV I.O.” (bijlage bij de aanvulling van het beroepschrift in eerste aanleg), waaruit volgens haar blijkt dat er destijds nog wel belastingaanslagen bij de Belastingdienst bekend waren en open stonden.

2.3.2. Het Hof begrijpt deze stelling aldus, dat belanghebbende ermee wil aantonen dat de naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen die aanvankelijk aan de vennootschappen in oprichting (als vermeld in onderdeel 2.2 van de uitspraak van de rechtbank) zijn opgelegd niet zijn teruggedraaid, dat de ontvanger of de inspecteur daarmee bekend was en dat dit ertoe had moeten leiden dat belanghebbende in het kader van het hiervoor bedoelde overleg over het bestaan van nog resterende belastingschulden had moeten worden geïnformeerd, nog afgezien ervan dat een en ander mogelijk zou leiden tot een dubbele heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen.

2.3.3. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling, omdat de inspecteur door middel van de door hem overgelegde kopieën van computeruitdraaien van verminderingsbeschikkin-gen (bijlage 1 bij het verweerschrift in appel) voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onder 2.3.2 bedoelde belastingaanslagen zijn verminderd tot nihil. In dat verband heeft de inspecteur voorts verklaard – en het Hof acht dit, mede gelet op het door de inspecteur over-gelegde overzicht van middelcodes uit de ‘handleiding centrale ontvangersadministratie’, aannemelijk – dat het onder 2.3.1 vermelde debiteurenoverzicht betrekking heeft op twee (destijds) nog openstaande naheffingsaanslagen omzetbelasting.

2.4.1. Belanghebbende betwist de uitspraak van de rechtbank voorts omdat de Belasting-dienst volgens haar in het kader van het overleg met de ontvanger over haar belastingschul-den melding had moeten maken van het afdrachtverschil en dat heeft nagelaten. Belangheb-bende stelt in dit verband dat de Belastingdienst ten tijde van het overleg met het afdracht-verschil bekend was of daarvan redelijkerwijs op de hoogte behoorde te zijn.

Belanghebbende stelt zich tevens op het standpunt dat zij in het kader van en in het bijzonder bij de afronding van het overleg met de ontvanger over haar belastingschulden erop heeft mogen vertrouwen dat daarmee aan alle fiscale verplichtingen was voldaan. Door deson-danks de in geschil zijnde naheffingsaanslag op te leggen heeft de inspecteur gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwens-beginsel. Belanghebbende concludeert dat de naheffingsaanslag op deze grond dient te worden vernietigd.

2.4.2. De inspecteur heeft gesteld dat de gesprekken over de belastingschulden van belang-hebbende met de ontvanger hebben plaatsgevonden voordat het afdrachtverschil door de Belastingdienst werd vastgesteld. Bovendien moet belanghebbende volgens de inspecteur ten tijde van die gesprekken redelijkerwijs van het afdrachtverschil op de hoogte zijn geweest. In dat verband acht de inspecteur het van belang dat de gesprekken die met de ontvanger wer-den gevoerd slechts betrekking konden hebben op ten tijde van die gesprekken reeds opge-legde belastingaanslagen, omdat de ontvanger niet bevoegd is als het gaat om het vaststellen van belastingaanslagen.

2.4.3. De rechtbank heeft over deze kwestie als volgt geoordeeld:

“4.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het opleggen van de thans in het geding zijnde naheffingsaanslag niet gehandeld in strijd met enig beginsel van behoor-lijk bestuur. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat verweerder ten tijde van het overleg met de Ontvanger op de hoogte zou zijn geweest van het bij eiseres opgetreden afdrachtverschil, heeft zij deze stelling niet aannemelijk gemaakt. Eiseres stelt in ieder geval, zo begrijpt de rechtbank, dat verweerder ten tijde van het overleg met de Ontvanger bekend had kunnen en moeten zijn met het feit dat er sprake was van een afdrachtverschil. De rechtbank is van oordeel dat er geen plicht op verweerder rustte om alle aangiften van eiseres te controleren en het mogelijk nog bestaan van materiële belastingschulden te onderzoeken, alvorens tot overeenstemming te komen over de geformaliseerde belasting-schulden.

4.6. Uit de omstandigheid dat over de afdoening van de geformaliseerde belastingschuld overeenstemming was bereikt met de Ontvanger, kan eiseres voorts niet het in rechte te eerbiedigen vertrouwen ontlenen dat zij daarbuiten geen enkele belasting meer verschul-digd zou zijn of dat ter zake van later gebleken nog bestaande materiële belastingschulden geen aanslagen meer zouden worden vastgesteld en opgelegd. De Ontvanger kan verweer-der op dit punt niet hebben gebonden. Daar komt nog bij dat eiseres in de hiervoor onder 2.6 weergegeven brief heeft meegedeeld dat alle loonbelasting tot en met oktober 2002 door haar was aangegeven en betaald. Dat de inhoud van die brief niet juist is gebleken, kan verweerder bezwaarlijk worden tegengeworpen, net zo min als de omstandigheid dat eiseres zelf het overzicht volledig kwijt was. Een en ander komt voor rekening van eiseres. In de hiervoor geschetste omstandigheden kan eiseres evenmin uit het enkele feit dat de Ontvanger niet heeft gereageerd op de slotconclusie in de hiervoor onder 2.7 weergeven brief het vertrouwen ontlenen dat zij van alle verdere (na)heffing zou zijn gevrijwaard.”

2.5.1. Indien een belastingplichtige met de Belastingdienst overleg voert over zijn fiscale verplichtingen en die partijen daarover tot overeenstemming komen, dan zijn partijen daar-aan gebonden, in zoverre het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst daartoe strekt. Voor de inspecteur geldt dat sprake is van een ruimere gebondenheid dan naar civielrech-telijke maatstaven is vast te stellen, omdat hij op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur mede als bestuursorgaan gebonden kan zijn aan uitlatingen die hij in het kader van het overleg heeft gedaan dan wel heeft nagelaten te doen, en bij de belastingplich-tige als gevolg van dat handelen of nalaten redelijkerwijs de indruk is kunnen ontstaan van een ruimere gebondenheid, ook indien de inspecteur een dergelijke indruk niet heeft beoogd.

2.5.2. Voorzover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat met de ontvanger dan wel de inspecteur een overeenkomst is gesloten die (beoordeeld naar civielrechtelijke maatstaven) aan het naheffen over het in geschil zijnde afdrachtverschil in de weg staat, oordeelt het Hof dat zij geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt ter onderbouwing van deze stelling. Uit hetgeen in de gedingstukken over het met de ontvanger gevoerde overleg is ver-meld, is niet af te leiden dat de inspecteur – die overigens wel bij één of meerdere besprekin-gen met de ontvanger aanwezig is geweest – heeft moeten begrijpen dat er buiten de belas-tingschulden waarop het overleg primair betrekking had, er na afronding van dat overleg geen (nieuwe) belastingschulden zouden kunnen resteren.

2.6.1. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het overleg tussen haar en de ontvanger ertoe heeft geleid dat bij haar een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat aan het naheffen over het afdrachtverschil in de weg staat, oordeelt het Hof dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt die deze stelling staven.

2.6.2. Ook voor het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur - ten tijde van het overleg van belanghebbende met de ontvanger – op de hoogte is geweest van het afdrachtverschil. Te minder aannemelijk is het dan dat de ontvanger tijdens die gesprekken daarvan op de hoogte was. Het Hof acht het in dit verband overigens aannemelijk dat het afdrachtverschil eerst op 25 november 2002 door een medewerker van de Belasting-dienst is gesignaleerd.

2.6.3. Voorzover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de aard van het gevoerde over-leg meebracht dat op de Belastingdienst (te verstaan als: de voor haar bevoegde ontvanger en inspecteur) een plicht rustte om – zonodig na daarop gericht onderzoek – belanghebbende te informeren over het bestaan van nog niet eerder geconstateerde belastingschulden, of haar althans te waarschuwen voor het risico van nog niet geconstateerde belastingschulden, kan het Hof haar evenmin volgen. In dit verband acht het Hof het van belang dat de besprekingen waar belanghebbende aan refereert werden gevoerd met de ontvanger, naar aanleiding van een melding van betalingsonmacht. Hiervan uitgaande ligt het niet voor de hand om te veronderstellen dat in die besprekingen ook over andere belastingschulden is gesproken dan die welke destijds in beeld waren in de vorm van opgelegde belastingaanslagen. Naar het oordeel van het Hof heeft in de afrondende fase van het overleg geen plicht op de ontvanger gerust om bij de inspecteur te informeren of er wellicht nog andere belastingaanslagen zouden worden opgelegd dan de reeds opgelegde welke hem uit hoofde van het overleg met belanghebbende bekend waren. Dit geldt te meer, nu – zoals ook door de rechtbank is over-wogen – belanghebbende tegenover de ontvanger in haar brief van 12 december 2002 heeft verklaard dat alle loonbelasting tot en met oktober 2002 was aangegeven en betaald.

2.6.4. Evenmin kan de inspecteur worden verweten dat hij de ontvanger dan wel belangheb-bende niet heeft geïnformeerd over belastingschulden die nog niet in de vorm van een belas-tingaanslag waren geformaliseerd. Ook voor hem geldt dat het afdrachtverschil pas op 25 november 2002 in een computercentrum is geconstateerd; vermoedelijk is er vervolgens ook nog enige verwerkingstijd mee gemoeid geweest, voordat de constatering op het computer-centrum als informatie de bevoegde inspecteur bereikte. Op de inspecteur rustte ook geen verplichting om belanghebbende in het kader van het met de ontvanger gevoerde overleg te waarschuwen voor de mogelijkheid van een (nog niet geconstateerd) afdrachtverschil.

2.6.5. Gelet op het voorgaande, is niet aannemelijk geworden dat bij belanghebbende rede-lijkerwijs de indruk is kunnen ontstaan dat zij door het maken van de afspraken met de ont-vanger definitief gevrijwaard zou zijn van iedere belastingheffing betreffende het verleden. Dat belanghebbende in haar brief van 21 januari 2003 aan de ontvanger heeft opgemerkt dat naar haar idee alle belastingproblemen waren opgelost, maakt dit niet anders, nu van de zijde van de Belastingdienst die (eenzijdige) opmerking niet is bevestigd en noch de ontvanger, noch de inspecteur op dat moment kennis droegen van het afdrachtverschil. Daaraan doet niet af dat de inspecteur belanghebbende eerst bij brief van 9 februari 2004 met het afdracht-verschil heeft geconfronteerd.

2.6.6. Aan het vorenoverwogene doet evenmin af dat de koper van de aandelen in belangheb-bende er – naar het Hof aannemelijk acht – alles aan gelegen is geweest om de fiscale ver-plichtingen van belanghebbende op orde te krijgen. Dat dit uiteindelijk niet – althans niet met inbegrip van het afdrachtverschil – is gelukt kan de Belastingdienst niet worden verweten. Veeleer heeft het – zoals ook door de inspecteur is gesteld – op de weg van belanghebbende gelegen om het afdrachtverschil waarvoor zijzelf verantwoordelijkheid draagt, tijdig te signaleren.

2.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 16 april 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.