Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD4335

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
07/00238
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen onredelijk procesgedrag en dus geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in art.2 lid 3 Besluit proceskosten. Rechtbank had niet de bevoegdheid over de vergoeding van het griffierecht een beslissing te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1484
FutD 2008-1332

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 07/00238

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] Vastgoed Groep B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/4095 van de rechtbank Haarlem van 26 maart 2007 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 gedaan van een belastbaar bedrag van ƒ 16.418.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 juli 2003 de aanslag vennootschapsbelasting 1999 opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 929.528.

Bij brief van 31 juli 2003 heeft de gemachtigde van belanghebbende een bezwaarschrift tegen de aanslag ingediend. Bij brief van 21 december 2004 heeft de inspecteur aangegeven waarom hij is afgeweken van de aangifte. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift op 8 februari 2005 gemotiveerd.

Bij brief van 22 maart 2006 heeft belanghebbende bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) een beroepschrift ingediend, gericht tegen het niet (tijdig) doen van uitspraak op het bezwaar. Dit beroepschrift, bij het Hof ingekomen op 23 maart 2006, is door het Hof doorgezonden naar de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) en is aldaar ingekomen op 29 maart 2006.

Op 28 maart 2006 heeft de gemachtigde de inspecteur kenbaar gemaakt dat zij namens belanghebbende een kostenvergoeding wenst van de werkelijk gemaakte procedurekosten als zij in het gelijk wordt gesteld.

1.2. De inspecteur is bij uitspraak van 15 september 2006 tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift.

Belanghebbende heeft vervolgens bij brief van 5 januari 2007 het beroep bij de rechtbank ingetrokken en verzocht om vergoeding van de integrale procedurekosten ten bedrage van € 12.428.

De inspecteur is bij brief van 24 januari 2007 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. De inspecteur heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Bij uitspraak van 26 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het verzoek van belanghebbende gedeeltelijk (dat wil zeggen voor € 80,50) toegewezen en de Staat aangewezen als rechtspersoon om het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 4 mei 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde datum.

De inspecteur is bij brieven van 15 juni 2007 en 13 juli 2007 in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Namens de inspecteur is geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2007. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar de uitspraak van de rechtbank en het hiervoor onder 1. Ontstaan en loop van het geding vermelde.

2.2. In hoger beroep voert belanghebbende als grief tegen de uitspraak van de rechtbank aan

dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding van de integrale kosten van de bezwaar- en beroepsfase op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) heeft toegekend. Als bijzondere omstandigheden voert belanghebbende aan dat de inspecteur onbehoorlijk gehandeld heeft doordat hij bij het regelen van de aanslag - zonder nader onderzoek - een correctie heeft aangebracht die was gebaseerd op feiten betreffende andere belastingplichtigen, terwijl de inspecteur terdege wist dat de positie van belanghebbende daarvan afweek. Volgens belanghebbende werd zij hierdoor geconfronteerd met een astronomisch hoge aanslag en heeft zij nadien hoge kosten moeten maken om deze aanslag ongedaan te maken.

De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de desbetreffende ambtenaar zich ten tijde van de aanslagregeling niet heeft gerealiseerd dat belanghebbende niet beschikte over de informatie op grond waarvan de correctie was aangebracht - met name het rapport van het boekenonderzoek - en dat daarom met belanghebbende vooraf geen contact is opgenomen.

2.3. Met de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Besluit is naar het oordeel van het Hof gedoeld op gevallen waarin het onredelijke procesgedrag van de ene partij tot zeer schrijnende gevolgen voor de andere partij leidt. Van onredelijk procesgedrag is bijvoorbeeld sprake als de inspecteur een standpunt inneemt waarvan hij bij voorbaat weet dat het in rechte geen stand zal houden.

2.4. Op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur onredelijk procesgedrag in vorenbedoelde zin kan worden verweten. Het Hof neemt hierbij het volgende in aanmerking. De inspecteur heeft zich in de aanslagregelende fase bij het bepalen van de (nadien bij uitspraak teruggedraaide) correctie niet op een onverdedigbaar standpunt gesteld, laat staan dat hij willens en wetens een aanslag heeft opgelegd waarvan hij wist dat deze bij de rechter geen stand zou houden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit is uit dezen hoofde dan ook geen sprake.

De inspecteur heeft op het op 31 juli 2003 ingediende bezwaarschrift pas gereageerd met zijn brief van 21 december 2004 en daarbij excuus aangeboden voor de late toelichting op de bij

aanslagregeling aangebrachte correctie. Evenwel kan noch dit (van onzorgvuldigheid aan de zijde van de inspecteur blijk gevende) tijdsverloop, noch het feit dat de inspecteur om hem moverende redenen pas ruim drie jaar na het indienen van het bezwaarschrift uitspraak op bezwaar heeft gedaan, worden bestempeld als onredelijk procesgedrag dat een zeer schrijnend geval oplevert. Hetzelfde heeft te gelden voor het bij het Hof niet-indienen van een verweerschrift door de inspecteur. Het Hof neemt hierbij - voor zoveel nodig - in aanmerking dat niet gebleken is dat de late toelichting op de correctie en het laat doen van uitspraak op bezwaar tot extra, laat staan uitzonderlijk hoge, kosten voor belanghebbende hebben geleid.

2.5. De slotsom is dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat er geen grond is voor de door belanghebbende bepleite integrale vergoeding van de procedurekosten.

2.6. Partijen zijn voor dit geval ter zitting van het Hof overeengekomen dat de forfaitaire vergoeding voor de kosten van bezwaar en beroep in eerste aanleg op € 322 is te stellen. Het Hof heeft geen reden hiervan af te wijken en zal dienovereenkomstig beslissen.

2.7. Ambtshalve overweegt het Hof nog als volgt. De rechtbank heeft de Staat aangewezen als rechtspersoon die het griffierecht dient te vergoeden dat door belanghebbende voor het beroep bij de rechtbank is betaald. Dit beroep is evenwel ingetrokken en blijkens artikel 8.41, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht is vergoeding van het griffierecht alsdan een zaak van het bestuursorgaan. Een belanghebbende kan de naleving van een desbetreffende verplichting van het bestuursorgaan uitsluitend bij de burgerlijke rechter afdwingen. De rechter heeft, nu hij niet toekomt aan een uitspraak op het beroep niet de bevoegdheid over de vergoeding van het griffierecht een beslissing te nemen. De uitspraak van de rechtbank heeft slechts betrekking op het verzoek om de inspecteur in de kosten van de procedure te veroordelen en voor dit verzoek is geen griffierecht geheven. Het Hof zal derhalve (ook) op dit punt de uitspraak van de rechtbank vernietigen.

2.8. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de inspecteur in belanghebbendes kosten van de bezwaar- en beroepsfase – door het Hof bepaald op € 322 – veroordelen.

2.9. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende ook recht heeft op vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit wordt deze vergoeding gesteld op € 161 [= 2 (beroepschrift en zitting) x 0,25 (gewicht van de zaak) x € 322] wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.10. Tevens heeft belanghebbende recht op vergoeding van het ter zake van haar hoger beroep geheven griffierecht.

3. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank

- veroordeelt de inspecteur in de bezwaar- en proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 483, te betalen door de Staat, en

- gelast de Staat belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 428 te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mrs. J. den Boer, voorzitter, P.F. Goes en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 2 april 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.