Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD4322

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
07/00192
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan belanghebbende betoogt, brengt het inwerkingtreden per 1 augustus 2004 van de Wet einde toegang verzekering Waz niet mee dat de inspecteur ná die datum geen premie meer mocht heffen over het jaar 2003.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1510
FutD 2008-1339
V-N 2008/51.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 07/00192

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X],

wonende te Amsterdam,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/1876 van de rechtbank Haarlem van 15 februari 2007 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 2 september 2005 een aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2003 opgelegd berekend naar een premie-inkomen van € 38.118 (hierna: de aanslag).

Het daartegen met dagtekening 2 oktober 2005 ingediende bezwaar is door de inspecteur ontvangen op 4 oktober 2005. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2005 het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op 27 februari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 10 april 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde datum.

Namens de inspecteur is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar de uitspraak van de rechtbank.

2.2. In hoger beroep herhaalt belanghebbende zijn door de rechtbank verworpen betoog dat de inspecteur na de ‘datum van de stopzetting van de WAZ-premie’, namelijk: 1 augustus 2004, geen premie Waz meer van belanghebbende mocht heffen.

2.3. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dient belanghebbende ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, juncto artikel 5 onder b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: Waz), zoals dat luidde in de voor het jaar 2003 geldende tekst, in dat jaar aangemerkt te worden als verzekerde voor de Waz. Artikel 71, eerste lid, van de Waz (tekst 2003) bepaalt dat de verzekerde premie verschuldigd is over zijn premie-inkomen. Belanghebbende betwist op zichzelf niet dat de premie op het juiste bedrag is berekend en vastgesteld. Anders dan belanghebbende betoogt, brengt het inwerkingtreden per 1 augustus 2004 van de Wet einde toegang verzekering Waz niet mee dat de inspecteur ná die datum geen premie meer mocht heffen over het jaar 2003.

2.4. Ten overvloede overweegt het Hof nog dat, ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (welke bepaling op grond van het bepaalde in artikel 75, eerste lid, van de Waz van overeenkomstige toepassing is op de heffing van Waz-premie), de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag - pas - vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de premieschuld is ontstaan. Op grond van (een overeenkomstige toepassing van) het vierde lid van genoemd artikel 11 wordt een premieschuld waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het premietijdvak, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt. Een en ander betekent voor de onderhavige aanslag dat deze uiterlijk op 31 december 2006 moest zijn vastgesteld. Dat is ook inderdaad gebeurd: de aanslag is opgelegd met dagtekening 2 september 2005, en derhalve tijdig.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank tot de juiste beslissing is gekomen door het beroep van belanghebbende ongegrond te verklaren.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. J. den Boer, voorzitter, P.F. Goes en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 23 januari 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.