Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD4318

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
106.006.340/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen algemene mededelingsplicht verzekeraar ten aanzien van uitsluitings- en verhaalsbepalingen. Asielzoeker die duidelijk maakte dat hij geen Nederlands rijbewijs had, en de Nederlandse taal niet machtig was, mocht echter te goeder trouw aannemen dat hij verzekerd was.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 107, geldigheid: 2008-03-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[V],

wonende te Zandvoort,

APPELLANT,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ORION DIRECT NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Etten-Leur,

GEÏNTIMEERDE,

Procureur: mr. S.A. van der Sluijs.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 De partijen worden hierna [V] en Orion genoemd.

1.2 [V] is bij exploot van 30 januari 2007 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de kantonrechter in de rechtbank te Haarlem (locatie Haarlem) onder zaak-/rolnummer 313887 / CV EXPL 06-5885 tussen partijen is gewezen en dat is uitgesproken op 22 november 2006, met dagvaarding van Orion voor dit hof.

1.3 [V] heeft bij memorie drie grieven geformuleerd en toegelicht, een stuk in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering van Orion alsnog zal afwijzen, alsmede Orion zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [V] aan Orion heeft betaald ter uitvoering van evenbedoeld vonnis, met veroordeling van Orion – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

1.4 Orion heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met veroordeling van [V] in de proceskosten van het hoger beroep.

1.5 Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

a. [V] heeft op 27 september 2000 een WA-verzekering bij Orion afgesloten voor zijn personenauto;

b. Op 15 december 2004 vond in IJmuiden een aanrijding plaats tussen [V]’s auto, met [V] als bestuurder, en een andere auto;

c. Orion heeft de door [V] veroorzaakte schade (€ 1.460,13) op grond van de lopende WA-verzekering en de bepalingen van de WAM aan de benadeelde vergoed;

d. Na de aanrijding heeft Orion [V] verzocht een kopie van zijn rijbewijs toe te sturen;

e. [V] beschikte destijds over een op 15 september 1987 in de Sovjet Unie afgegeven rijbewijs, maar niet over een geldig Nederlands rijbewijs;

f. [V] woonde ten tijde van de aanrijding in Zandvoort. Hij had zich daar in maart 2001 gevestigd.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1 Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

4.1.1 Aan hetgeen hiervoor onder 3 is weergegeven heeft Orion de conclusie verbonden dat [V] als feitelijk bestuurder van de auto niet in het bezit was van een geldig voor het betrokken voertuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs, zodat artikel 5 onder 6 en artikel 9 onder 6 van de op de polis betrekking hebbende Algemene Voorwaarden van toepassing zijn; deze bepalingen luiden – voor zover thans van belang - als volgt:

Artikel 5.

Van de verzekering is uitgesloten (aansprakelijkheid voor) schaden en/of verliezen, direct of indirect in de ruimste zin van het woord ontstaan:

(…)

6. terwijl de feitelijke bestuurder niet in het bezit is van een geldig voor het betrokken voertuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs;

(…)

Artikel 9.

(…)

6. Verzekeraar is bevoegd een krachtens de W.A.M. of soortgelijke wet te verlenen schadevergoeding, tezamen met de renten en de kosten, te verhalen op verzekeringnemer of op een andere verzekerde die niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door deze verzekering was gedekt, indien:

a. een uitsluiting van toepassing is.

(…)

Op grond van deze bepalingen en onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft Orion [V] gevraagd het door Orion aan de benadeelde betaalde bedrag van € 1.460,13 aan Orion te voldoen. Toen [V] dat bedrag ondanks aanmaning niet had betaald, heeft Orion hem in rechte betrokken.

De kantonrechter heeft de vordering van Orion, vermeerderd met de wettelijke rente, toegewezen, [V] veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2 Het hof zal om proceseconomische redenen eerst de tweede grief beoordelen. In deze grief wordt aangevoerd dat het niet verlenen van de dekking en het verhalen van de schade in het gegeven geval in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid.

4.2.1 [V] heeft hiertoe ondermeer het volgende aangevoerd:

‘Appellant woonde ten tijde van het afsluiten van de verzekering met zijn gezin in een asielzoekerscentrum. Na het zien van een tv-commercial besloot hij telefonisch contact op te nemen met Orion. Hij beheerste de Nederlandse taal destijds (2000) niet. Hij heeft daarom zijn tienjarige zoon het telefoongesprek met Orion laten voeren. Hij gaf daarbij op de achtergrond instructies.

De medewerker van Orion heeft slechts gevraagd naar de persoonsgegevens, het aantal aanrijdingen in het verleden (in verband met de no claim) en het rijbewijsnummer.

De zoon van appellant heeft daarop geantwoord dat zijn vader slecht Nederlands sprak en dat hij daarom het woord voerde. Ook heeft hij aangegeven dat het gezin in het asielzoekerscentrum in Leersum woonde. Dit kon als correspondentieadres gebruikt worden. De zoon heeft op verzoek van de medewerker van Orion aangegeven dat zijn vader sinds 1985 een rijbewijs had en dat hij in Armenië geen aanrijdingen had veroorzaakt. Op verzoek van de medewerker heeft de zoon het Armeense rijbewijsnummer verstrekt.

Deze informatie was voldoende om de verzekering af te sluiten. Appellant ontving korte tijd later het polisblad met de in de Nederlandse taal opgestelde algemene voorwaarden.

Orion heeft [V] niet gevraagd of hij in het bezit was van een geldig Nederlands rijbewijs. Ook heeft Orion geen kopie van het rijbewijs opgevraagd. Dit gebeurde pas vier jaar later, na de melding van de aanrijding. Orion heeft ook geen vragenformulier toegezonden aan appellant. De verzekering is op basis van de telefonisch verstrekte gegevens afgesloten.

Orion was bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst op de hoogte van het feit dat de verzekeringnemer niet de Nederlandse nationaliteit had en niet rechtmatig in Nederland verbleef. (…)

Orion was bovendien op de hoogte van het feit dat de verzekeringnemer de Nederlandse taal niet tot zeer slecht beheerste.’

4.2.2 Orion heeft hier tegenover gesteld dat van [V] verwacht mocht worden dat hij ten tijde van de aanrijding op de hoogte was van de omstandigheid dat hij in Nederland op grond van de Nederlandse wetgeving als bestuurder van een auto over een Nederlands rijbewijs moest beschikken. ‘Van ieder zich in Nederland bevindend persoon (mag) verwacht worden dat hij elementaire – en eenvoudige – rechtsregels zoals die aangaande de rijbevoegdheid kent’, aldus Orion. ‘Voorts kunnen argumenten als een gebrekkige kennis van de Nederlandse taal geen rol spelen. Dat komt naar Nederlands recht voor rekening en risico van [V] zelf. Als het zo zou zijn dat [V] de duidelijke informatie van Orion niet begreep, dan lag het op zijn weg om ter zake hulp in te roepen. Aan Orion kan dit zeker niet verweten worden. Orion is daarbij van mening dat het niet aan haar is om te controleren of personen die bij haar een verzekering afsluiten over een geldig rijbewijs beschikken. Op Orion rust geen enkele verplichting om te onderzoeken of potentiële verzekerden wel een rijbewijs hebben, immers men hoeft niet over een rijbewijs te beschikken teneinde een verzekering af te kunnen sluiten. Iemand kan een verzekering afsluiten voor een auto, zonder dat die persoon zelf in de auto rijdt, bijvoorbeeld iemand die een vervoersbedrijf runt of iemand die zich door een privé-chauffeur laat rondrijden.’

4.2.3 Het hof stelt voorop dat hetgeen door [V] is gesteld en toegelicht ten aanzien van de wijze waarop de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen, door Orion niet is bestreden, zodat van de juistheid hiervan moet worden uitgegaan.

4.2.3.1 De door [V] beschreven gang van zaken biedt – zonder nadere motivering, die ontbreekt - naar het oordeel van het hof onvoldoende grondslag voor de stelling dat [V] ten tijde van de aanrijding ontslagen was van de wettelijke verplichting om als bestuurder van een motorrijtuig op de weg over een geldig Nederlands rijbewijs te beschikken. Door Orion ten opzichte van (potentiële) verzekerden verrichte handelingen kunnen die (potentiële) verzekerden in beginsel geen rechtens te respecteren reden verschaffen om een wettelijk voorschrift te negeren. De vraag welke consequenties Orion in haar eigen rechtsverhouding met [V] aan diens overtreding van het wettelijk verbod mag verbinden, is evenwel een andere. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de onderlinge rechtsverhouding.

4.2.3.2 In de rechtsverhouding tussen Orion en [V] bepalen de hiervoor onder 4.1.1 weergegeven artikelen 5 en 9 van de Algemene Voorwaarden – voor zover hier van belang – dat van de verzekering is uitgesloten aansprakelijkheid voor schade die is ontstaan terwijl de feitelijke bestuurder niet in het bezit is van een geldig voor het betrokken voertuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs en dat de verzekeraar bevoegd is een krachtens de W.A.M. verleende schadevergoeding, tezamen met de renten en de kosten, te verhalen op de verzekeringnemer die niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door deze verzekering was gedekt, indien een uitsluiting van toepassing is.

In haar algemeenheid kan niet worden aanvaard dat op Orion een bijzondere mededelingsplicht rust ten aanzien van deze bepalingen, ook niet als de verzekeringnemer niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt. In het onderhavige geval, evenwel, heeft [V] van de aanvang af duidelijk gemaakt dat hij niet over een Nederlands rijbewijs beschikte, dat hij in een asielzoekerscentrum verbleef en dat hij de Nederlandse taal niet machtig was. Onder die omstandigheden kon er bij Orion geen twijfel over bestaan dat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat de betreffende polis [V] als bestuurder geen dekking zou bieden; het feit dat [V] - hoewel hij als asielzoeker geen vervoersbedrijf kon ‘runnen’ en het niet voor de hand lag dat hij over een privé-chauffeur zou beschikken aan wie wél een geldig rijbewijs was afgegeven - tóch verzocht om een polis af te sluiten, vormde voor Orion (ook in het licht van de manifeste taalproblemen aan de zijde van [V]) geen aanleiding te informeren of [V] voornemens was de auto zelf te besturen dan wel te waarschuwen voor de beperkingen van de polisvoorwaarden. De verzekering, waarvan op voorhand al duidelijk was dat [V] er naar alle waarschijnlijkheid geen dekking aan kon ontlenen voor zover hij zelf als chauffeur optrad, is - ondanks de in het oog lopende mogelijkheid dat sprake was van een ongerijmdheid – op de geijkte, routinematige wijze tot stand gekomen. [V] heeft vervolgens in de veronderstelling verkeerd verzekerd te zijn en jarenlang premie betaald.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden, waarin van de aanvang af voor Orion inzichtelijk moet zijn geweest dat [V] een verzekeringsovereenkomst was aangegaan waaraan hij (naar moest worden aangenomen) hoogstwaarschijnlijk geen aanspraken kon ontlenen, niet kan worden staande gehouden dat [V] niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door de afgesloten verzekering was gedekt. Immers, Orion heeft [V] op geen enkele wijze geattendeerd op het te verwachten dekkingsprobleem, ondanks het – voor Orion kenbare – grote belang voor [V] daarbij; ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan mag worden aangenomen dat [V] ten tijde van de onderhavige aanrijding inmiddels van dit probleem op de hoogte was geraakt. De omstandigheid dat [V], zoals hiervóór onder 4.2.3.1 is overwogen, ten tijde van de aanrijding niet ontslagen was van de wettelijke verplichting om als bestuurder van een motorrijtuig op de weg over een geldig Nederlands rijbewijs te beschikken, doet hier niet aan af. Voor zover Orion zich erop beroept dat [V] zonder meer heeft moeten begrijpen dat de verzekeringsovereenkomst een uitsluiting als de onderhavige bevatte, faalt dit verweer gelet op de hierboven weergegeven omstandigheden.

4.2.3.3 Een en ander brengt mee dat de in artikel 9 juncto artikel 5 van de Algemene Voorwaarden neergelegde bevoegdheid van Orion om de verleende schadevergoeding, tezamen met de renten en de kosten, op de verzekerde te verhalen, zich in het onderhavige geval niet voordoet.

De tweede grief slaagt derhalve.

4.3 Nu de tweede grief slaagt, behoeven de eerste en de derde grief geen bespreking.

5. Slotsom

De tweede grief slaagt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De eerste en derde grief behoeven geen bespreking. Uit de eerste aanleg zijn geen stellingen overgebleven die nog behandeling behoeven. Bewijslevering kan bij gebreke van terzake dienende stellingen achterwege blijven. Als in het ongelijk gestelde partij dient Orion in de kosten van de procedure in beide instanties verwezen te worden.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering van Orion;

veroordeelt Orion tot terugbetaling van hetgeen door [V] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep aan Orion is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop die betaling plaatsvond;

verwijst Orion in de kosten van beide instanties en begroot die kosten, voor zover tot deze uitspraak aan de kant van [V] gevallen, in eerste aanleg op € 150,- aan salaris procureur en in hoger beroep op € 335,31 aan verschotten en op € 632,- aan salaris procureur;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, G.B.C.M. van der Reep en R.E. de Winter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2008 door de rolraadsheer.