Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD3249

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
21-002567-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer van 152 kg cocaïne uit Zuid-Amerika en ter voorbereiding of ter bevordering van een feit - te weten het bewerken/verwerken van cocaïne - voorhanden hebben van een hydraulische pers en een mal, terwijl verdachte wist dat die goederen bestemd waren voor het plegen van dat feit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002567-07

Uitspraak d.d.: 22 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 juni 2007 in de strafzaak tegen

verdachte

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum),

wonende te (woonplaats), (adres),

thans gedetineerd in de PI Midden Holland- HvB De Geniepoort te Alphen aan de Rijn.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 december 2007 en 8 mei 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr L.J.B.G. van Kleef, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Namens verdachte is ter terechtzitting verklaard dat verdachte geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen de beslissing van de rechtbank om het onder 2 tenlastegelegde feit nietig te verklaren. Het hoger beroep van verdachte blijft daarom beperkt tot dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde werd veroordeeld.

Beoordeling van een –voorwaardelijk- verzoek

Zowel tijdens de behandeling in eerste aanleg als in hoger beroep is uitgebreid aan de orde gekomen de manier van zaken doen binnen het bedrijf van verdachte. Een punt daarbij is geweest de volgens de politie niet of niet goed verklaarbare geldstromen, ook in contanten.

Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard (proces-verbaal terechtzitting 1 juni 2007, blz 8) :

“In mijn bedrijf gebeurt veel contant. Dat weten mijn zoon (het hof begrijpt:

[zoon van verdachte]) en medewerkers niet”.

Tijdens de terechtzitting van 11 december 2007 heeft verdachte financiële bescheiden, meest afleverbonnen of facturen, overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen dat in 2006 vele contante betalingen werden ontvangen terug te voeren op normale transacties.

Ter terechtzitting van 8 mei 2008 zijn die bescheiden uitgebreid besproken. Verdachte heeft, in lijn met zijn ten overstaan van de rechtbank afgelegde verklaring, eerst verklaard dat hij de contante betalingen persoonlijk en veelal in het weekend op het bedrijf ontving, dat niemand daarvan wist en dat hij daarover met niemand sprak, ook niet met zijn zoon [voornaam] (het hof begrijpt [zoon van verdachte]).

Volgens verdachte – zo begrijpt het hof zijn standpunt zoals zich dat bij de behandeling op 8 mei 2008 gaandeweg aftekende – moet zijn zoon [voornaam] echter wel van contante betalingen hebben geweten en is diens andersluidende verklaring bij de politie mogelijk het gevolg van de druk die op zijn zoon door de politie is uitgeoefend tijdens diens verhoor. Verdachte heeft niet aangegeven waar hij zijn vermoeden (of wetenschap) dat zijn zoon [voornaam] in –kennelijk relevante mate- wel op de hoogte is van contante betalingen op baseert.

Bij pleidooi heeft de raadsman het hof het verzocht het onderzoek in de zaak te heropenen en de betrokken zoon als getuige te horen in het geval het hof tijdens de beraadslaging tot het oordeel zou komen dat een bewezenverklaring zou moeten volgen en daarbij de bewezenverklaring mede zou baseren op het financiële onderzoek.

De maatstaf voor de beoordeling van dit eerst ter zitting gedane verzoek om een getuige op te roepen, is of de noodzaak voor inwilliging van dit verzoek is gebleken.

Het hof merkt allereerst op dat zich tijdens de behandeling in hoger beroep geen voor verdachte plotselinge ontwikkeling heeft voorgedaan waardoor verklaard kan worden dat verdachte niet tijdig voor de (laatste) zitting aan de advocaat-generaal heeft kunnen (laten) verzoeken zijn zoon [voornaam] als getuige op te roepen. Verdachte heeft evenmin aangevoerd dat hij heeft geprobeerd er voor te zorgen dat die zoon ter terechtzitting van 8 mei 2008 als meegebrachte getuige kon worden gepresenteerd.

Rekening houdend met al het bewijsmateriaal - ook het bewijsmateriaal dat niet betrekking heeft op financiële aspecten – alsmede met datgene wat de algemene ervaring leert en ook met de hiervoor besproken wijziging in de opstelling van verdachte op dit punt, vindt het hof het alleszins verantwoord ook zonder [zoon van verdachte] te horen tot een bewijsbeslissing te komen en in dat licht beschouwd is het niet noodzakelijk om die getuige te horen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen vernietigen nu het tot een andere bewezenverklaring komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, voor zover thans nog van belang, dat:

1. primair

hij in of omstreeks de periode van 06 januari 2007 tot en met 10 januari 2007

te Rotterdam, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (vanuit Equador - Zuid Amerika, over zee) binnen het grondgebied

van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

ongeveer 152 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

1. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 06 januari 2007 tot en met 10 januari 2007

te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 152 kilogram, in elk

geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij in of omstreeks de periode van 06 januari 2007 tot en met 10 januari 2007

te Rotterdam en/of te Utrecht en/of te Maarssen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (onder andere)

- een of meer telefoon(s) en/of

- een of meer computers en/of

- een of meer mediadragers en/of

- een of meer paspoorten en/of

- een of meer kluissleutels en/of

- administratiebescheiden en/of

- bankbescheiden waaronder Moneytransfers en/of

- een harddiscrecorder en/of

- een of meer digitale camera's en/of

- een of meer electronische weegschalen en/of

- een of meer geldtelmachines en/of

- een of meer vacuum-verpakkingsmachines en/of

- een hydraulische persmachine en/of

- een zelfbouwmal ten behoeve van die persmachine en/of

- een of meer (zee)containers en/of

- een bromfiets en/of een of meer vrachtauto's en/of een of meer

personenauto's en/of een of meer bestelbussen

voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren voor het plegen van dat/die feiten.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De bewijsbeslissing

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bij de bewijsbeslissing heeft het hof betrokken de door de raadsman geopperde mogelijkheid dat zonder dat verdachte daar enige weet van had de container met in houten balken verstopte cocaïne naar Nederland is verzonden omdat de belanghebbenden bij de cocaïne via een zogenaamd track en trace systeem zich ten allen tijde op de hoogte konden stellen van de plaats waar de container zich bevond en daardoor ook heel goed, bijvoorbeeld door een inbraak in het bedrijf van verdachte, de houten balken met de cocaïne weer konden bemachtigen. Aldus zou op geraffineerde wijze door derden gebruik gemaakt zijn van het bedrijf van verdachte voor een doel waar verdachte geen enkele weet van had.

Het hof merkt op dat sommige internationale vervoerders voor de door hen vervoerde goederen een zodanig volgsysteem hebben ontwikkeld dat de afzenders zelf in staat zijn na te gaan waar de door hen verstuurde goederen zich bevinden. De kans dat door middel van een volgsysteem de verzender van de container met cocaïne daartoe ook steeds in staat was acht het hof zo bijzonder klein dat deze mogelijkheid aan een bewezenverklaring niet in de weg staat. Er is geen enkele aanwijzing dat de container (of inhoud) zelf voorzien was van (door anderen dan de politie) aangebrachte plaatsbepalingsapparatuur welke signalen uitzond, evenmin ontbreekt enigerlei aanwijzing dat de vrachtauto waarmee de container naar het bedrijf van verdachte werd vervoerd signalen uitzond met behulp waarvan de afzender van de container in staat was vast te stellen waar die vrachtauto zich bevond. Het transport van de container werd immers door verdachte of iemand van zijn bedrijf geregeld.

Het hof heeft ook geen relevante andere aanwijzingen gevonden die in steun bieden aan de hypothese dat geheel buiten verdachte om en zonder dat deze daarvan wetenschap had de invoer van 152 kg cocaïne plaats heeft gevonden.

Aan de voor de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen verbindt het hof de conclusie dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat in één van de twee door hem ingevoerde containers met hout zich ook een grote hoeveelheid cocaïne bevond.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. hij omstreeks de periode van 6 januari 2007 tot en met 10 januari 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, opzettelijk (vanuit Equador - Zuid Amerika, over zee) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Opiumwet, ongeveer 152 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

3. hij in de periode van 6 januari 2007 tot en met 10 januari 2007 te Utrecht, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een hydraulische persmachine en

- een zelfbouwmal ten behoeve van die persmachine,

voorhanden heeft gehad waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren voor het plegen van dat feit.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Alhoewel aangenomen moet worden dat ook een ander of anderen dan verdachte op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij de 152 kg cocaïne die in houten balken was verstopt ontbreekt bewijs dat die betrokkenheid ook bij het tenlastegelegde feiten (nog) zodanig was dat van medeplegen sprake was.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voobereiden of bevorderen door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder de feiten 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld wegens onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens voor het onder 1 primair tenlastegelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte 152 kg cocaïne in Nederland heeft ingevoerd, een stof schadelijk voor de gezondheid van personen. Wanneer deze partij cocaïne niet was onderschept zou deze waarschijnlijk uiteindelijk in Nederland of elders de markt voor gebruikers hebben bereikt met alle nadelige gevolgen van dien.

Gelet op de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft het onder 3 bewezen-verklaarde feit geen relevante rol gespeeld voor de straftoemeting.

In het voordeel van verdachte heeft het hof rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder voor enig misdrijf werd veroordeeld. Gelet op de aard en ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft die omstandigheid voor de uiteindelijke strafbepaling een beperkte betekenis gehad.

Alles afwegend kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf van de hierna vermelde duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij het onder 2 tenlastegelegde nietig werd verklaard.

Wijst af het verzoek tot het horen van de getuige [zoon van verdachte].

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven onder 1 primair en 3 bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr F.J.H. Rutgers van der Loeff, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr D. Mientjes, griffier,

en op 22 mei 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.