Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2338

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
106.010.932 (441/07 NOT)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 49 Wet op het notarisambt. Klager kan niet worden aangemerkt als belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Zaaknummer 106.010.932

Beslissing van 17 april 2008 in de zaak onder rekestnummer 441/07 NOT van:

G. [A],

wonende te [plaats],

APPELLANT

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof is op 24 april 2007 ingekomen een verzoekschrift

- met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond, verder te noemen de kamer, van 22 maart 2007, verzonden op 26 maart 2007, waarbij klager in zijn klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, gedeeltelijk niet ontvankelijk is verklaard en de klacht voor het overige ongegrond is verklaard zonder dat een maatregel is opgelegd.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 7 maart 2008 een tweetal stukken ingediend.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 maart 2008. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Klager heeft dit gedaan aan de hand van een pleitnotitie, waarbij gevoegd een bijlage die buiten bezwaar van de notaris aan het hof is overgelegd. De notaris heeft zich laten vergezellen door mr. D.I. [Z], kandidaat-notaris te [plaats]. Zij heeft eveneens het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de notaris dat hij de stiefmoeder van klager, A.J.C [A] – [P], hierna te noemen moeder, een wijziging van haar testament heeft laten ondertekenen op 28 februari 2006, terwijl de notaris had kunnen vaststellen dat zij niet meer handelingsbekwaam was. Ter onderbouwing hiervan heeft klager een groot aantal gedragingen van zijn moeder genoemd waarvan hij stelt dat hieruit kan worden afgeleid dat zij niet meer handelingsbekwaam was. Klager stelt voorts dat zijn moeder nog meer verward raakte vanwege haar opname in een zorgcentrum en vanwege het feit dat de oudste zoon van klager haar onder druk had gezet. Ook verwijt klager de notaris dat in het bewuste testament een considerans is opgenomen waaruit blijkt dat de erfenis alleen mag worden aangesproken als het vermogen van klager en van zijn partner op is.

4.2. In de tweede plaats verwijt klager de notaris dat hij geen gevolg heeft gegeven aan verzoeken van klager om hem terug te bellen. Toen het klager uiteindelijk lukte de notaris telefonisch te spreken, reageerde de notaris korzelig en deelde klager mede dat hij zich maar tot zijn moeder moest wenden.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. In reactie op de klacht stelt de notaris dat hij, gezien de leeftijd van moeder, wel degelijk op zijn hoede was. De notaris heeft haar bezocht in haar kamer in het zorgcentrum en gedurende ruim een uur met haar gesproken. Moeder wist goed wat zij wilde. Haar wens is verwoord in de considerans. Behalve hierover heeft de notaris moeder onder meer gesproken over vroeger, de huwelijkse voorwaarden waaronder zij met de vader van klager was getrouwd en haar werkzaamheden bij een notariskantoor. Moeder begreep alles en de notaris had geen reden om te twijfelen aan haar wilsbekwaamheid. Eerder was moeder eenmaal in [plaats] geweest en had daar over het door haar te maken testament gesproken met kandidaat-notaris mr. D.I. [Z]; ook had zij over het testament gesproken met notaris mr. P. [Y] die haar daartoe had bezocht. Beiden zagen geen enkele belemmering in de geestelijke toestand van moeder om het testament te laten passeren. De notaris is verzocht het passeren van het testament op zich te nemen opdat moeder niet naar [plaats] of notaris [Y] niet vanuit [plaats] naar het zorgcentrum behoefde te reizen.

5.2. Wat betreft het tweede onderdeel van de klacht bevestigt de notaris dat hij klager niet meer heeft teruggebeld omdat hij steeds hetzelfde verhaal te horen kreeg en klager al drie à vier keer uitleg had verschaft. Ook erkent de notaris dat hij korzelig gereageerd kan hebben, nu klager veelvuldig telefonisch contact opnam.

6. De beoordeling

6.1. Het hof zal allereerst beoordelen in hoeverre klager kan worden ontvangen in het eerste onderdeel van de klacht. Klager is immers geen partij bij de akte houdende wijziging testament. Ook is het hof van oordeel dat klager niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de genoemde akte in de zin van artikel 49 Wet op het notarisambt (Wna). Voor de vraag wie het recht heeft een klacht in te dienen is een verwijzing naar het (rechtstreeks) belanghebbendenbegrip in de artikelen 49 en 49b Wna te beperkt. Er zijn immers situaties denkbaar waarin ook diegenen belanghebbenden kunnen zijn die niet met zoveel woorden vallen onder de categorieën genoemd in die artikelen. Of een dergelijke situatie zich voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige situatie klager niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Dit houdt direct verband met het feit dat het hof niet gebleken is dat moeder niet in staat was zelf een klacht in te dienen tegen het handelen van de notaris, indien zij daartoe de noodzaak had gezien. Niet alleen worden de door klager aangevoerde feiten en omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat moeder niet meer wilsbekwaam was, niet door (medische) verklaringen van derden ondersteund, het hof maakt uit de stukken op dat moeder, ook door klager, in staat werd geacht om na 28 februari 2006 haar testament opnieuw te laten wijzigen en zelfstandig schenkingen te doen. Reeds om die reden kan klager niet als belanghebbende worden aangemerkt en dienovereenkomstig niet worden ontvangen in zijn klacht.

6.2. Wat betreft het tweede onderdeel van de klacht maakt het hof de beoordeling van de kamer tot de zijne. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent dit onderdeel van de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer.

6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.4. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven op 17 april 2008 door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.C.W. Rang en F.A.A. Duynstee en uitgesproken door de rolraadsheer.

Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Roermond

Nummer: KL 13/2006

BESLISSING

van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen

te Roermond in de zaak van:

de heer G. [A],

[adres] [plaats],

hierna te noemen de klager;

tegen:

notaris mr. [X],

gevestigd te [plaats],

correspondentieadres [adres] [plaats],

hierna te noemen de notaris.

De procedure

Het verloop van procedure blijkt uit:

- de schriftelijke klacht van de klager bij brieven van 13 oktober 2006 en 8 november 2006 met bijlagen;

- de schriftelijke reactie van de notaris op die klacht van 29 november 2006 met bijlagen;

- de brief van de klager van 13 december 2006;

- de brief van de notaris van 6 januari 2007.

De kamer heeft de klacht op 1 maart 2007 in het openbaar behandeld. Bij die behandeling zijn de klager en de notaris verschenen. De kamer heeft de klager, bijgestaan door zijn partner, en de notaris, vergezeld van mr. P. [Y], notaris te [plaats], in elkaars tegenwoordigheid gehoord. De klager heeft zich daarbij mede bediend van een schriftelijk stuk van 1 maart 2007.

De vaststaande feiten

De kamer gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande feiten.

De klager is de stiefzoon van mevrouw Arnolda Josephina Catharina [P], geboren op 2 maart 1909, weduwe van de heer W.H. [A], wonende in het zorgcentrum [naam].

Op 30 september 1964 heeft mevrouw [P] ten overstaan van notaris J.H.J.M. Schoffelen te Merkelbeek haar testament gemaakt.

Op 28 februari 2006 heeft mevrouw haar testament gemaakt ten overstaan van de notaris. In dit testament heeft mevrouw [P] onder meer alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen. Het concept van dit testament is opgesteld door mr. [Y] voornoemd. In het kader van deze opstelling heeft mevrouw [P] twee uitgebreide besprekingen gehad, eerst met mevrouw mr. D.I. [Z], kandidaat-notaris op het notariskantoor, waaraan ook mr. [Y] is verbonden, en daarna met mr. [Y].

Op 1 maart 2006 heeft de klager de notaris laten weten dat mevrouw [P] naar zijn mening niet compos mentis was.

Op 18 maart 2006 heeft de notaris mevrouw [P] in het zorgcentrum bezocht in aanwezigheid van de klager. Tijdens dit bezoek bleek dat het testament van 28 februari 2006 gewijzigd moest worden.

Op 22 maart 2006 is tegenover de notaris een akte verleden, inhoudende het testament van mevrouw [P] voornoemd. Ook in dit testament heeft mevrouw [P] onder meer alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen.

De inhoud van de klacht

De klacht houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in.

1.

In februari 2006 is mevrouw [P] in het zorgcentrum opgenomen. Sindsdien verkeert zij in een verwarde toestand en kan zij niet meer helder van geest genoemd worden. Zij is niet meer in staat om haar situatie en de gevolgen van haar handelen te overzien. De notaris heeft mevrouw [P] op 28 februari 2006 een wijziging van haar testament laten ondertekenen, terwijl hij had kunnen vaststellen dat zij overduidelijk niet meer handelingsbekwaam is. De notaris heeft met het passeren van het testament van 28 februari 2006 gevolg gegeven aan het uitvoeren van de wil van de beide zonen van de klager, die het testament veranderd wilden zien. Bovendien nam de notaris in het testament op dat het vruchtgebruikkapitaal, waartoe de klager als legataris gerechtigd was, eerst mag worden verteerd nadat de klager aan de bewindvoerder kan aantonen dat zowel zijn gehele eigen vermogen als het gehele eigen vermogen van zijn partner, mevrouw W.B.H. [B], is verteerd. Hierdoor is de notaris niet opgetreden als adviseur van alle partijen, maar heeft hij uitsluitend gekeken naar het belang van de oudste zoon van klager die zijn oma onder druk heeft gezet, terwijl zij wilsonbekwaam is.

2.

De notaris heeft geen gevolg gegeven aan verzoeken van de klager om hem terug te bellen en toen de klager de notaris telefonisch te spreken kreeg, heeft hij zich korzelig tegenover de klager geuit.

Het standpunt van de notaris

1.

De notaris heeft mevrouw [P] op 28 februari 2006 in het zorgcentrum [naam] bezocht. Omdat mevrouw [P] al 96 jaar was en in een zorgcentrum woonde, heeft hij uitvoerig met haar gesproken, juist om te zien hoe haar geestestoestand was. Zij sprak langzaam en bedachtzaam. Hij heeft met haar over vroeger gesproken en over het huwelijksgoederenregiem, waarin zij was gehuwd met de heer [A]. Zij besefte veel en wist alles nog precies. Aan de wilsbekwaamheid heeft de notaris niet getwijfeld. Daarom is er voor hem ook geen aanleiding geweest om het stappenplan te doorlopen zoals dat in het protocol “beoordeling wilsbekwaamheid” is vermeld dan wel om een arts in te schakelen. Op 28 februari 2006 was haar wil zoals deze in het testament van die datum is vermeld. Notaris [Y] en kandidaat-notaris [Z] hebben in verband met het testament van 28 februari 2006 eveneens, ieder afzonderlijk, uitvoerig met mevrouw [P] gesproken; beiden hebben geconstateerd dat mevrouw [P] adequaat reageerde en dat er van wilsonbekwaamheid geen sprake was. Bij die gesprekken zijn de kleinzoons van mevrouw [P] niet aanwezig geweest en met hen is ook niet over de inhoud van de uiterste wil van mevrouw [P] gesproken. Toen de notaris het testament van mevrouw [P] van 22 maart 2006 passeerde, heeft hij evenmin ook maar enige twijfel gehad over de wilsbekwaamheid van mevrouw [P].

2.

De notaris heeft erkend dat hij niet steeds heeft teruggebeld als de klager naar zijn kantoor had gebeld en ook dat hij tegenover de klager wel eens korzelig heeft gereageerd. Een en ander werd ingegeven door het feit dat de klager hem voortdurend bleef bellen over het testament van 28 februari 2006, in welke telefoontjes de notaris steeds het zelfde verhaal kreeg te horen, namelijk dat de klager van mening was dat mevrouw [P] wilsonbekwaam was.

De beoordeling van de klacht

1.

Allereerst dient de kamer te beoordelen of de klager in dit onderdeel van de klacht kan worden ontvangen. Zij overweegt daarover het volgende.

Naar het oordeel van de kamer is de klager niet te rangschikken onder het (rechtstreeks) belanghebbendenbegrip in de artikelen 49 en 49b van de Wet op het notarisambt. Voor de vraag wie het recht heeft een klacht in te dienen, is een verwijzing naar dat begrip echter een te beperkte rechtsopvatting. Naar het oordeel van de kamer zijn er namelijk situaties denkbaar waarin ook iemand belanghebbende kan zijn die niet met zoveel woorden valt onder de categorieën genoemd in die artikelen. Of een dergelijke situatie zich voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Voor de beoordeling van de vraag of de klager in dit onderdeel van de klacht kan worden ontvangen, acht de kamer de volgende omstandigheden van belang. Klager is de stiefzoon van mevrouw [P] en was informeel op de hoogte van haar testament van 28 februari 2006. Volgens zijn verklaring ter zitting bezoekt de klager samen met zijn partner mevrouw [P] tweemaal per week. De partner van klager wast en strijkt ten behoeve van mevrouw [P]. De notaris heeft aan de wilsbekwaamheid van mevrouw [P] niet getwijfeld en ook notaris [Y] en kandidaat-notaris [Z] hebben aangegeven dat mevrouw [P] in de gesprekken die zij ieder afzonderlijk met haar hebben gehad, adequaat reageerde. De notaris, notaris [Y] en kandidaat-notaris [Z] zijn van mening dat mevrouw [P] wilsbekwaam was. Met het doen van de was en het strijken daarvan heeft de klager weliswaar een deel van de zorg van mevrouw [P] op zich genomen, maar deze beperkte omvang van die zorg - gegeven ook het feit dat niet gebleken is dat mevrouw [P] wilsonbekwaam was - acht de kamer niet voldoende om te spreken dat de klager zich over mevrouw [P] heeft ontfermd, zoals bedoeld in het arrest van de notariskamer van het gerechtshof Amsterdam van 8 februari 2007, nummer 162/2006NOT (vindplaats www. Rechtspraak. Nl, LJN: AZ8646).

De kamer is dan ook van oordeel dat klager geen belanghebbende is en daarom niet kan worden ontvangen in zijn klacht wat dit onderdeel betreft.

2.

De notaris heeft op de zitting erkend dat hij de klager niet steeds heeft teruggebeld als deze naar zijn kantoor had gebeld. De klager heeft de stelling van de notaris dat de inhoud van zijn telefoontjes steeds de door de klager gesteld wilsonbekwaamheid van mevrouw [P] betrof niet betwist.

Naar het oordeel van de kamer heeft in een situatie als deze het volgende te gelden. Uitgangspunt is dat de notaris dient terug te bellen als hem dit wordt gevraagd of als dit zijnerzijds wordt toegezegd. Een cliënt of andere rechtzoekende heeft immers recht op een fatsoenlijke reactie. Het beeld dat die personen van een notaris - en dus ook van het notariaat in het algemeen - hebben, wordt in belangrijke mate bepaald door de wijze waarop een notaris met hen omgaat. Juist in individuele contacten mag een cliënt of een rechtzoekende, die bij de notaris te rade gaat, niet teleurgesteld worden. Echter er kunnen zich situaties voordoen, waarin een notaris terugbellen achterwege kan laten. Te denken valt dan aan een geval als het onderhavige, waarin de inhoud van de telefoontjes steeds over hetzelfde gaat. In zo’n geval dient een notaris aan de beller wel mee te delen dat hij in het vervolg niet meer zal reageren. Dat de notaris die mededeling in dit geval aan de klager heeft gedaan, is gesteld noch gebleken en in zoverre heeft de notaris dan ook niet gehandeld, zoals hem betaamt.

De notaris heeft erkend dat hij de klager wel eens korzelig te woord heeft gestaan. Ook dit betaamt een notaris niet.

De kamer is van oordeel dat dit tweede onderdeel van de klacht gegrond is. Voorts is de kamer van oordeel dat dit handelen en nalaten van de notaris niet van een zodanig zwaar gewicht is, dat de notaris een tuchtmaatregel moet worden opgelegd.

De beslissing

De kamer:

verklaart de klager niet-ontvankelijk voor wat betreft het eerste onderdeel van de klacht;

verklaart de klacht gegrond voor wat betreft het tweede onderdeel van de klacht;

legt de notaris geen tuchtmaatregel op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.J.M. Boogaard-Derix, voorzitter, M.P.F. van Dooren, R.T.J.M. Hetterschijt, M.H.G.A. Verlinden, en J.J.G.M. Kuijpers, bijgestaan door L.G.H. Cox, secretaris, en op 22 maart 2007 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in tegenwoordigheid van de secretaris.

De secretaris, De voorzitter,

mr. L.G.H. Cox mr. E.J.M. Boogaard-Derix