Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD1817

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
23-004024-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verbalisanten krijgen melding van straatroof terwijl ze -met hun kennis, ervaring en locale bekendheid- een drietal mannen gedurende een korte tijdsspanne reeds waarnemen die hollen, elkaar iets laten zien, daarover plezier hebben en iets verstoppen bij een auto, komend uit de richting van plaats delict. Voldoende redelijk vermoeden i.d.z.v. artikel 27 Wetboek van Strafvordering om (rechtmatig) staande te houden / aan te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004024-07

datum uitspraak: 9 mei 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-421934-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 mei 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte onrechtmatig is aangehouden, nu ten tijde van de aanhouding een redelijke verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering ontbrak. Gelet op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient naar het oordeel van de raadsvrouw als gevolg hiervan het proces-verbaal betreffende de herkenning door de aangever door middel van een spiegelconfrontatie, zijnde een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige aanhouding, te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof gaat bij de beoordeling van dit verweer uit van de volgende gegevens uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2006:

a) Op vrijdag 22 december 2006, omstreeks 04:45 uur, zagen drie verbalisanten vanaf de Keizersgracht te Amsterdam aan de overkant van die gracht drie mannen aan komen rennen vanaf de Leidsegracht uit de richting Prinsengracht. De mannen renden vervolgens de Keizersgracht op in de richting van de Runstraat. De verbalisanten hoorden de mannen luid en enthousiast praten. Alle drie de mannen keken nadat ze ongeveer 20 meter van de kruising Keizersgracht/Leidsegracht af waren gelopen om in de richting van de Leidsegracht. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de jongens verderop op de Keizersgracht in een normaal tempo gingen lopen en iets in hun handen hielden en dit al lachend bekeken. De verbalisanten hebben een en ander, staande in het donker, gade geslagen.

b) De verbalisanten zijn vervolgens in hun surveillancebus gestapt en in de richting van de mannen gereden, terwijl de drie mannen door twee verbalisanten voortdurend in de gaten werden gehouden. Daarbij werd gezien dat één van de drie mannen tussen een boom en een aldaar geparkeerde personenbus voorover boog. Na tien seconden kwam deze verdachte weer omhoog en liep samen met de andere twee mannen verder.

c) Op 22 december 2006, om 4:50 uur, zijn de drie mannen op de Keizersgracht staande gehouden ter vaststelling van hun identiteit. Op dat moment hoorden de verbalisanten via de portofoon dat er zojuist een straatroof was gepleegd op de Leidsestraat, dat de verdachten waren weggerend in de richting van de Dam, dat het zou gaan om drie of vier vermoedelijk Noord Afrikaanse mannen en dat het slachtoffer bij de roof gewond was geraakt aan zijn hoofd. Daarop zijn de drie mannen om 4:53 uur aangehouden op verdenking van diefstal met geweld.

Gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de gebeurtenissen elkaar opvolgen, het door de verbalisanten geobserveerde gedrag van de drie mannen, onder wie de verdachte, en de kennis en ervaring waarover verbalisanten die werkzaam zijn in de stad Amsterdam, naar algemene ervaringsregels leren, beschikken, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur voldoende aanleiding om hen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit. Gelet op de melding via de portofoon van een straatroof die kort voor die tijd zou hebben plaatsgevonden in het gebied waar de mannen vandaan kwamen en gelet op het daarbij doorgegeven signalement van de daders, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur vervolgens, gegeven alle inmiddels bekende feiten en omstandigheden, sprake van een redelijke verdenking van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht aan diefstal met geweld en is de verdachte mitsdien rechtmatig aangehouden.

Het verweer wordt verworpen.

De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat de uitkomst van de enkelvoudige spiegelconfrontatie niet bruikbaar is voor het bewijs vanwege de onbetrouwbaarheid ervan. Met de rechtbank overweegt het hof hieromtrent als volgt. Onderhavig feitencomplex vond plaats op de vroege vrijdagochtend voor de feestdagen rond Kerstmis en aangever [H] gaf in zijn proces-verbaal aan dat hij in de loop van de daarop volgende week terug zou gaan naar de Verenigde Staten.

Daarnaast leidt het hof uit het proces-verbaal van aangever [H] bij de rechter-commissaris af dat voor en tijdens de spiegelconfrontatie geen opmerkingen in positieve of negatieve zin door de betreffende politiebeambten zijn gemaakt en dat [H] steeds is gevraagd waarop zijn herkenning van de verdachten berustte. Voorts merkt het hof op dat [H], die op grond van zijn professionele training en ervaring als verkeersvlieger ook onder stressvolle omstandigheden als een getrainde waarnemer beschouwd mag worden, tijdens het doen van aangifte en bij de spiegelconfrontatie een heldere indruk maakte en steeds in staat was de grenzen van en de redenen voor zijn waarneming aan te geven. Alle omstandigheden in beschouwing nemend is het hof van oordeel dat het gebruik van de enkelvoudige spiegelconfrontatie in casu met voldoende waarborgen omringd was. De uitkomst is derhalve voldoende betrouwbaar.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de verdachte tijdens de spiegelconfrontatie niet herkend werd door aangever [H], en dat uit het dossier niet blijkt dat hij deelgenomen heeft aan het gepleegde feit. Wederom met de rechtbank overweegt het hof hieromtrent als volgt. Aangever [H] verklaart in zijn aangifte dat de toedracht van de gewelddadige beroving plaatsvond zonder gesprek tussen de daders. Voorts verklaart hij bij de spiegelconfrontatie dat hij de verdachte herkent aan zijn jas en zijn haardracht, alsmede dat hij de twee medeverdachten herkent als zijnde respectievelijk de jongen die hem een vuurtje vroeg en de jongen die tegen zijn hoofd heeft geslagen. De verdachte en zijn twee medeverdachten verklaren zelf bij het politieverhoor dat zij die avond samen op stap waren, dat zij na afloop van het concert samen naar de McDonalds liepen en daarna samen in de richting van de Dam gingen. Ze zijn vervolgens in elkaars gezelschap door de verbalisanten waargenomen en aangehouden. Het hof is op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering van de diefstal door de verdachte en de twee medeverdachten.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 22 december 2006 te Amsterdam op de openbare weg, de Leidsegracht en/of Korte Leidsedwarsstraat, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1300 euro en een pasje, toebehorende aan [H], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [H], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededaders die [H] heeft/hebben aangesproken en vervolgens opzettelijke gewelddadig

- die [H] met kracht tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en

- terwijl die [H] op de grond lag die [H] tegen de borst heeft/hebben gedrukt en

- de kleding van die [H] heeft/hebben doorzocht en voornoemd geldbedrag en goed uit de kleding heeft/hebben weggenomen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met twee anderen ’s nachts op straat het slachtoffer met geweld beroofd. Een feit als dit vormt een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer. Door voornoemd handelen op de openbare weg heeft verdachte ook de in de samenleving heersende gevoelens van onrust en onveiligheid versterkt. Het hof acht, evenals de rechtbank, een geweldsmisdrijf als het bewezenverklaarde van een zodanige ernst dat geen andere sanctie dan een vrijheidsbenemende straf in aanmerking dient te komen.

Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij bezig is een opleiding te volgen en aan het werk wil gaan, zal het hof een deel van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk opleggen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 april 2008 is verdachte eerder voor gewelds- en vermogensdelicten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de 2e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. J.D.L. Nuis en mr. D.J.M.W. Paridaens, in tegenwoordigheid van mr. E. Wiersma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 mei 2008.