Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD1708

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
07/00417
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK5982, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de betekeningkosten terecht in rekening zijn gebracht. Belanghebbende stelt dat hij geen verzoek heeft gedaan om uitstel van betaling en dat dus de verjaringstermijn niet kan worden verlengd met de uitsteltermijn. Het Hof concludeert dat noch uit de tekst van artikel 25 en 27 van de Invorderingswet 1990 noch uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat uitstel op verzoek dient te zijn verleend. Ook aan de Leidraad valt niet het vertrouwen te ontlenen dat de verjaringstermijn niet zou worden verlengd. Daarenboven is door de ontvanger voldoende aannemelijk gemaakt dat het uitstel bij beschikkingen is verleend, en dat deze beschikkingen op de voorgeschreven wijze door toezending bekend zijn gemaakt.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 25, geldigheid: 2008-04-21
Invorderingswet 1990 27, geldigheid: 2008-04-21
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 1c, geldigheid: 2008-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1658
FutD 2008-1115

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P07/00417

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te P,

belanghebbende,

gemachtigde mr. drs. T.C. van Wagensveld (Van Wagensveld & Zonneveld) te Amsterdam

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 06/9122 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 8 juni 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam,

de ontvanger.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De ontvanger heeft met dagtekening 30 januari 2006 per post een dwangbevel betekend, met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997, waarbij een bedrag van € 4.048 aan betekeningkosten in rekening is gebracht.

1.2. Na daartegen ingesteld bezwaar heeft de ontvanger bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 5 juli 2006, de in rekening gebrachte betekeningkosten gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 8 juni 2007, eveneens verzonden op 8 juni 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 12 juli 2007, ingekomen eveneens op 12 juli 2007. Belanghebbende heeft het beroepschrift aangevuld bij brief van 10 september 2007.

1.4. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2008. De zaak is behandeld tezamen met de zaak die bij het Hof is geregistreerd onder nummer 07/00416. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende mr. drs. T.C. van Wagensveld alsmede namens de ontvanger mr.T. en M. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De ontvanger heeft eveneens een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De ontvanger heeft voorts een uitdraai uit de Geautomatiseerde Ontvangers Administratie (hierna: GOA overgelegd). Van deze uitdraai heeft belanghebbende kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Met inachtneming van hetgeen dienaangaande is vermeld in de uitspraak van de rechtbank en de stukken van het geding en van hetgeen is verhandeld ter zitting stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1.1. Aan belanghebbende is op 25 augustus 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over 1997 opgelegd. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift, gedagtekend 6 oktober 2000. Op 15 december 2005 heeft de inspecteur uitspraak gedaan, het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd.

2.1.2. Namens de ontvanger is aan belanghebbende een aanmaning, gedagtekend 2 januari 2006, verzonden. Omdat belanghebbende niet op de aanmaning reageerde, heeft de ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, waarop als datum van terpostbezorging 30 januari 2006 staat vermeld. Ter zake van deze betekening heeft de ontvanger € 4.048 betekeningkosten in rekening gebracht.

2.1.3. Tot de stukken behoort een uitdraai uit de GOA waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:

AKTIE DATUM KOSTEN VERW OMSCHRIJVING

MODEL 191000 0,00 NEE UB UB1 MOTIVATIE GELIJK HEFFER

DB 38 220101 0,00 NEE UB1 (…)

DB 39 081205 0,00 NEE 121205

DB 9 291205 14,00 NEE 020106

DB 51 300106 0,00 NEE 300106

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de betekeningkosten terecht door de ontvanger in rekening zijn gebracht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het recht tot dwanginvordering van de in geding zijnde aanslag is verjaard, welke vraag belanghebbende bevestigend en de ontvanger ontkennend be¬ant¬woordt.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“5. De rechtbank acht het verweer van de Ontvanger met betrekking tot de onderwerpelijke kosten juist en doeltreffend. Gelet op het geheel van de uit de gedingstukken naar voren komende gegevens heeft de Ontvanger naar het oordeel van de rechtbank met juistheid uiteengezet en geconcludeerd dat aannemelijk is te achten dat aan belanghebbende, dit naar aanleiding van het door hem tegen de in geding zijnde aanslag gemaakte bezwaar, schriftelijk uitstel van betaling is verleend en dat belanghebbende daarvan ook op de hoogte is geweest.

6. Belanghebbende van zijn kant heeft met al hetgeen hij heeft aangevoerd, aan stukken heeft ingebracht en ter zitting heeft toegelicht, wat daarvan overigens ook zij, naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan omtrent het overwogene in punt 5 anders zou kunnen worden geconcludeerd.

7. De rechtbank hecht eraan erop te wijzen dat niet alleen uit de gegevens zoals die blijken uit de Geautomatiseerde Ontvangers Administratie in redelijkheid is af te leiden, gelet ook op de door de Ontvanger daarover gegeven - door belanghebbende niet of onvoldoende weersproken - uitleg, dat uitstel van betaling is verleend en dat de desbetreffende geschriften, een tweetal uitstelbrieven, ook naar belanghebbendes adres zijn verzonden, maar dat de rechtbank ook ervan overtuigd is dat belanghebbende die geschriften daadwerkelijk heeft ontvangen.

8. De rechtbank is tot de overtuiging gekomen dat belanghebbende de uitstelbrieven daadwerkelijk heeft ontvangen, doordat belanghebbende casu quo zijn gemachtigde noch in de bezwaarfase noch in de beroepsfase erop heeft gewezen dat de uitstelbrieven feitelijk niet door belanghebbende zijn ontvangen en ook overigens niet is gebleken dat belanghebbende of zijn gemachtigde heeft bedoeld dat te stellen, waarbij komt dat de Ontvanger in zijn verweerschrift uitdrukkelijk heeft opgemerkt dat belanghebbende niet heeft ontkend dat de bescheiden in kwestie zijn ontvangen. Ter zitting heeft belanghebbendes gemachtigde, geconfronteerd met dat gegeven en met de gedachte dat het niet hebben ontvangen van de uitstelbrieven toch een belangrijk gegeven is waar het gaat om het bestrijden van de betekeningskosten, zodat het dus voor de hand had gelegen dat hij dat als feit, zeker ter gelegenheid van zijn pleidooi, had ingebracht alsook met de gedachte dat de wijze waarop bezwaar en beroep is gemaakt sterk de indruk vestigt dat het de bedoeling van belanghebbende is de betekeningskosten louter aan de hand van formeelrechtelijke regels te bestrijden, niet anders verklaard dan dat hij dat allemaal niet heeft geweten en dat bij zijn weten de uitstelbrieven niet zijn ontvangen. De rechtbank hecht aan die verklaring geen geloof, al was het maar omdat de gemachtigde, die bovendien te kennen gaf dat hij belanghebbende in het geheel niet kent en dat hij enkel telefonisch contact met hem heeft gehad, desgevraagd niets kon aangeven over hoe hij die wetenschap heeft verkregen.

9. Het vorenoverwogene brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat in het onderhavige geval uitstel van betaling is verleend, een en ander als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990, waaraan de enkele omstandigheid dat de uitstelbrieven niet zijn verzonden naar de gemachtigde van belanghebbende maar naar belanghebbende zelf niet afdoet. Daaruit volgt dat belanghebbendes beroep op verjaring geen doel treft. De rechtbank overweegt daarbij dat voor de verlenging of schorsing van de verjaringstermijn niet tevens de eis geldt dat het uitstel op verzoek is verleend. Het andersluidende standpunt van belanghebbende geeft geen blijk van een juiste opvatting omtrent de toepassing van genoemde bepaling, in samenhang met artikel 25, eerste lid, van de Invorderingswet 1990.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Relevante bepalingen

Bij de beoordeling van het geschil heeft het Hof de volgende bepalingen in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 25 van de Invorderingswet 1990 kan de ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel vangt de dwanginvordering niet aan, dan wel wordt deze geschorst.

Ingevolge het tweede lid kan het uitstel tussentijds bij beschikking worden beëindigd.

Op grond van artikel 27 van de Invorderingswet 1990 verjaren het recht tot dwanginvordering alsmede het recht tot verrekening met betrekking tot een belastingaanslag door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop die aanslag geheel invorderbaar is dan wel, indien zulks tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die aanslag aan de belastingschuldige is betekend.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke na de aanvang van die termijn, voor zover hier van belang, de belastingschuldige uitstel van betaling heeft.

2.6. Overwegingen

2.6.1. Belanghebbende stelt primair dat nu hij geen verzoek heeft gedaan om uitstel van betaling, de verjaringstermijn niet kan worden verlengd met de tijd gedurende welke aan hem uitstel van betaling is verleend. Het recht tot dwanginvordering is derhalve verjaard.

2.6.2. Het Hof merkt dienaangaande het volgende op. Ingevolge artikel 25 van de Invorderingswet 1990 kan de ontvanger onder voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen. In het tweede lid van artikel 27 is bepaald dat de verjaringstermijn wordt verlengd met de tijd gedurende welke de belastingschuldige uitstel van betaling heeft.

2.6.3. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 25 van de Invorderingswet 1990 is met betrekking tot de kenbaarheid van het verleende uitstel en eventuele geschillen omtrent het al dan niet uitstel verlenen het volgende opgemerkt:

“De bepaling schrijft wel voor dat uitstel van betaling schriftelijk moet worden verleend. Daardoor wordt voorkomen dat er geschillen tussen belastingschuldigen en de ontvanger ontstaan over de vraag of wel of niet uitstel van betaling is verleend.”

MvT, Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 73.

Met ingang van 1 januari 1994 is artikel 25 van de Invorderingswet 1990 gewijzigd in die zin dat is vervallen dat het uitstel schriftelijk dient te worden verleend. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende opgemerkt:

“In artikel 25 is in het eerste en tweede lid uitdrukkelijk aangegeven dat de beslissingen waar het hier om gaat beschikkingen zijn. Aangezien uit het systeem van de wet reeds blijkt dat ze schriftelijk worden genomen kan het woord ‘schriftelijk’ in het eerste en tweede lid vervallen.” MvT, Kamerstukken II 1990/91, 22 061, nr. 3, blz. 89.

2.6.4. Het Hof concludeert met de rechtbank dat noch uit de tekst van artikel 25, eerste lid, en van artikel 27, eerste lid en tweede van de Invorderingswet 1990 noch uit de parle-mentaire geschiedenis blijkt dat het verleende uitstel, zoals belanghebbende stelt, op verzoek dient te zijn verleend.

2.6.5. Belanghebbende beroept zich voorts op paragraaf 1.4 bij artikel 27 uit de Leidraad Invordering 1990 (hierna de Leidraad). Deze paragraaf luidde destijds als volgt:

“Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de wet heeft alleen plaats op grond van een formeel verleend uitstel van betaling. Eenzijdige opschorting van de invordering uit welken hoofde dan ook heeft geen schorsende werking.”

Met ingang van 1 juli 2007 luidt de desbetreffende passage uit de Leidraad als volgt:

“Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de wet heeft alleen plaats op grond van een formeel verleend uitstel van betaling, dat hetzij op verzoek hetzij ambtshalve is verleend. Eenzijdige opschorting van de invordering uit welken hoofde dan ook heeft geen schorsende werking.”

2.6.6. De ontvanger heeft hierover opgemerkt dat het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift (tevens) dient te worden aangemerkt als een verzoek om uitstel en dat dit ook met zoveel woorden is opgenomen in evenvermelde Leidraad, paragraaf 1.3.. De gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat belanghebbende ervan op de hoogte was dat destijds ingeval een bezwaar werd ingediend altijd uitstel van betaling werd verleend. Naar ’s Hofs oordeel kon belanghebbende onder de gegeven omstandigheden uit de Leidraad redelijkerwijs niet afleiden dat, hoewel hij bezwaar had gemaakt tegen de aanslag, de verjaringstermijn niet zou worden verlengd met de tijd gedurende welke aan hem uitstel van betaling is verleend omdat hij geen separaat verzoek had gedaan voor uitstel van betaling. De wijziging van de tekst van de paragraaf van Leidraad met ingang van 1 juli 2007 leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt mee dat belanghebbende aan de Leidraad niet het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat de verjaringstermijn niet zou worden verlengd. In zoverre faalt derhalve het beroep van belanghebbende.

2.6.7. Belanghebbende stelt subsidiair geen uitstelbeschikkingen te hebben ontvangen. De ontvanger heeft hierover ter zitting niet weersproken opgemerkt dat uit de onder 2.1.3. vermelde gegevens uit de GOA blijkt dat op 19 oktober 2000 door de inspecteur aan belanghebbende een ontvangstbevestiging is gezonden van het ingediende bezwaarschrift waarbij tevens is meegedeeld dat uitstel van betaling is verleend (code in de GOA “MODEL”), en dat op 22 januari 2001 door de ontvanger een uitstelbeschikking is gezonden aan belanghebbende (code in de GOA “DB 38”). Dat er twee uitstelbeschikkingen zijn verzonden houdt - naar de ontvanger stelt - verband met de omstandigheid dat de eerste beschikking door de inspecteur is opgemaakt gelijktijdig met de ontvangstbevestiging en de tweede door de ontvanger.

2.6.8. Uit de GOA valt voorts af te leiden, aldus de ontvanger, dat op 8 december 2005 een intrekking van het verleende uitstel is verzonden met dagtekening 12 december 2005 (code in de GOA “DB 39)”, dat op 29 december 2005 een aanmaning is verzonden met dagtekening 2 januari 2006 (code in de GOA “DB 9”), en dat op 30 januari 2006 een dwangbevel is uitgevaardigd met dagtekening 30 januari 2006 (code in de GOA “DB 51”). De ontvanger heeft voorts ontbetwist gesteld dat de GOA een systeem is met een hoge mate van betrouwbaarheid door interne controlemechanismen, welk systeem niet valt te manipuleren.

2.6.9. De ontvanger heeft nog toegelicht dat de mutaties in de GOA massaal worden verwerkt, dat de desbetreffende brieven geautomatiseerd worden aangemaakt en vervolgens massaal worden verzonden. Zo er een fout optreedt zal deze fout massaal optreden en niet slechts bij de aan belanghebbende en diens broer verzonden uitstelbeschikkingen, aldus de ontvanger. De ontvanger memoreert dat aan belanghebbende twee maal een uitstelbeschikking is gezonden en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat beide uitstelbeschikkingen belanghebbende niet hebben bereikt terwijl alle overige correspondentie wel bij belanghebbende is aangekomen.

2.6.10. Uit het onder 2.6.6. overwogene blijkt dat belanghebbende op de hoogte was van het verleende uitstel. Het Hof acht daarenboven door de ontvanger voldoende aannemelijk gemaakt dat het uitstel bij beschikkingen is verleend, en dat deze beschikkingen op de voorgeschreven wijze, gelet op artikel 1c van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, door toezending bekend zijn gemaakt. Belanghebbendes subsidiaire stelling faalt derhalve eveneens.

2.6.11. Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende faalt. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

2.7. Proceskosten

Met betrekking tot de proceskosten geldt dat er geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten.

3. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, en E.M. Vrouwenvelder, J.W. Zwemmer leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 21 april 2008 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.