Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD1162

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
104.003.815
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft de strafrechtelijke bewezenverklaring niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Gezien de eigen aangifte van [geïntimeerde] en de stellingen van [appellant] op dit punt [..] moet het hof er verder van uitgaan dat [geïntimeerde] het gevecht is begonnen door een vuistslag in het gezicht van [appellant] te geven. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] daarbij handelde uit noodweer of noodweerexces. Dat [appellant] vervolgens heeft teruggeslagen is een risico dat [geïntimeerde] heeft genomen. Dat terugslaan heeft echter het letsel niet veroorzaakt, maar de daaropvolgende handeling van [appellant], het steken met het glas in het oog in een situatie waarin [geïntimeerde] versuft en weerloos op de grond lag. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet gezegd worden dat het letsel van [geïntimeerde] mede het gevolg is van een omstandigheid die aan hem zelf kan worden toegerekend. Maar, al zou dit anders zijn, dan zou uit de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW voortvloeien dat [appellant] de gehele schade dient te dragen. Het steken in het oog van [geïntimeerde] oordeelt het hof in de omstandigheden van het geval zo ernstig en zozeer in geen enkele verhouding tot de eerdere vuistslag van [geïntimeerde], dat de billijkheid eist dat [appellant] voor de gehele schade aansprakelijk is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 161
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/129
NJF 2008, 415

Uitspraak

1 april 2008

derde civiele kamer

zaaknummer 104.003.815

rolnummer (oud) 2007/780

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 21 maart 2007 dat de rechtbank Utrecht tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van het vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 4 juni 2007 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, twee grieven tegen dat vonnis geformuleerd en [geïntimeerde] gedagvaard voor dit hof. [appellant] heeft vervolgens geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van de appeldagvaarding, luidende dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, dan wel slechts zal toewijzen met in achtneming van het in de appeldagvaarding gestelde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zo nodig met verbetering van gronden zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 en 2.2 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof eveneens van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde], geboren op 14 november 1976, is op 21 februari 2003 zwaar mishandeld door [appellant]. Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 16 december 2004, gewezen op tegenspraak, [appellant] wegens zware mishandeling van [geïntimeerde] veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf en de vordering van [geïntimeerde], als benadeelde partij, toegewezen tot een bedrag van € 3.885,86, als vergoeding voor de tot dat moment door [geïntimeerde] ondergane medische behandelingen. De mishandeling bestond onder meer hierin dat [appellant] [geïntimeerde] met een kapot glas in het linker oog heeft gestoken, waardoor dit zo ernstig beschadigd is geraakt, dat het moest worden verwijderd. Het hof heeft bij de straftoemeting het volgende overwogen.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte op zeer agressieve en lafhartige wijze het slachtoffer heeft mishandeld. Hij heeft immers tegen het hoofd van het slachtoffer getrapt terwijl deze op de grond lag en een kapot glas in een van diens ogen gestoken terwijl het slachtoffer op dat moment versuft en weerloos was en door een ander van de grond werd opgetild. Daarbij is het oog zodanig beschadigd geraakt dat het moest worden verwijderd. Het slachtoffer zal daardoor de rest van zijn leven één oog moeten missen.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 december 2005 [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. Daarmee is het arrest van het hof van 16 december 2004 in kracht van gewijsde gegaan.

4.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg veroordeling van [appellant] tot vergoeding van materiële en immateriële schade gevorderd. De rechtbank heeft aansprakelijkheid van [appellant] voor de door [geïntimeerde] geleden schade op grond van onrechtmatige daad aangenomen (rechtsoverweging 4.1) op grond van de strafbare feiten waarvoor [appellant] onherroepelijk is veroordeeld. Zij heeft in het bestreden vonnis de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,- met wettelijke rente toegewezen, [appellant] in de kosten van het geding veroordeeld en de vorderingen voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft daarbij het verweer van [appellant], dat de schade die [geïntimeerde] heeft geleden het gevolg is van een omstandigheid die hemzelf kan worden toegerekend (artikel 6:101 lid 1 BW), verworpen.

4.3 [appellant] heeft twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. De eerste grief luidt, kort gezegd, dat de rechtbank de immateriële schadevergoeding op een te hoog bedrag heeft bepaald, de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte het beroep op eigen schuld van [geïntimeerde] (artikel 6:101 BW) heeft verworpen.

4.4 Het hof stelt bij de beoordeling van de grieven voorop dat het door het Amsterdamse hof op 16 december 2004 bewezen verklaarde feit op de voet van artikel 161 Rv. dwingend bewijs oplevert van dat feit. [geïntimeerde] heeft de bewezenverklaring weliswaar niet overgelegd, maar het gaat daarbij kennelijk om het feit zoals dat ook is genoemd in de hiervoor in 4.1 weergegeven motivering van de straftoemeting. Het hof acht dan ook dwingend bewijs aanwezig van het feit dat [appellant] tegen het hoofd van [geïntimeerde] heeft getrapt, terwijl [geïntimeerde] op de grond lag, en dat [appellant] een kapot glas in een van de ogen van [geïntimeerde] heeft gestoken, terwijl [geïntimeerde] op dat moment versuft en weerloos was en door een ander van de grond werd opgetild.

4.5 [appellant] meent dat sprake is van eigen schuld van [geïntimeerde], omdat deze hem eerst heeft geprovoceerd en vervolgens hem (als eerste) een vuistslag in het gezicht heeft gegeven (conclusie van antwoord onder 18). [geïntimeerde] heeft het gevecht bewust opgezocht. Hij dient dan ook minstens 50% van de schade zelf te dragen, aldus [appellant]. In de tweede grief keert hij zich tegen het oordeel van de rechtbank (rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis) dat de reactie van [appellant] op het eerdere slaan van [geïntimeerde] zo disproportioneel is, dat [appellant] de gehele schade dient te vergoeden. [appellant] stelt daarbij dat de omstandigheid dat hij [geïntimeerde] blijvend letsel heeft toegebracht niets met proportionaliteit van reageren te maken heeft, maar alles met stom geluk en domme pech. Dat [appellant] reageerde op het slaan van [geïntimeerde] was volgens [appellant] niet onbegrijpelijk en niet onvoorzienbaar, omdat [geïntimeerde] bekend stond als een drugsdealer en een messentrekker, die vaak onder invloed van verdovende middelen verkeerde. [appellant] had niet de opzet om [geïntimeerde] blijvend letsel toe te brengen, maar hij had in de omstandigheden niet veel tijd om een weloverwogen beslissing te nemen. Volgens [appellant] heeft hij [geïntimeerde], als reactie op diens aanval, met een fles op het hoofd geslagen en had hij de domme pech dat daarbij scherven in het oog van [geïntimeerde] zijn terecht gekomen.

4.6 Op grond van art. 6:101 lid 1 BW kan de schadevergoedingsverplichting (hier: van [appellant]) worden verminderd, indien de schade van de benadeelde mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde (hier: [geïntimeerde]) kan worden toegerekend, tenzij op grond van de billijkheid, vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, een andere verdeling moet plaatsvinden.

Uit de stukken en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd leidt het hof de volgende toedracht met betrekking tot de vechtpartij tussen partijen af.

4.7 [geïntimeerde] heeft in zijn aangifte tegenover de politie (productie bij conclusie van antwoord) verklaard dat een woordenwisseling tussen hem en [appellant] ([appellant]) heeft plaats gehad en voorts:

Ik zag vervolgens dat [appellant] opstond. Ik sloeg [appellant] hierop gelijk met mijn rechtervuist op de linkerhelft van zijn gezicht. Ik deed dit omdat ik dacht dat [appellant] mij een kopstoot wilde geven.

Daarna sloeg [appellant] hem met een fles op zijn hoofd, waardoor de fles brak. Vervolgens is [geïntimeerde] op de grond gevallen en heeft [appellant] de bewezen verklaarde handelingen verricht (zie onder 4.1). Er zijn geen getuigenverklaringen overgelegd; volgens [appellant] (conclusie van antwoord onder 18) zijn er in de strafzaak geen getuigen die een verklaring hebben afgelegd over wat zij hebben waargenomen van het onderhavige voorval.

4.8 [appellant] heeft de strafrechtelijke bewezenverklaring niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Gezien de eigen aangifte van [geïntimeerde] en de stellingen van [appellant] op dit punt (conclusie van antwoord onder 20 en 21), moet het hof er verder van uitgaan dat [geïntimeerde] het gevecht is begonnen door een vuistslag in het gezicht van [appellant] te geven. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] daarbij handelde uit noodweer of noodweerexces. Dat [appellant] vervolgens heeft teruggeslagen is een risico dat [geïntimeerde] heeft genomen. Dat terugslaan heeft echter het letsel niet veroorzaakt, maar de daaropvolgende handeling van [appellant], het steken met het glas in het oog in een situatie waarin [geïntimeerde] versuft en weerloos op de grond lag. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet gezegd worden dat het letsel van [geïntimeerde] mede het gevolg is van een omstandigheid die aan hem zelf kan worden toegerekend. Maar, al zou dit anders zijn, dan zou uit de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW voortvloeien dat [appellant] de gehele schade dient te dragen. Het steken in het oog van [geïntimeerde] oordeelt het hof in de omstandigheden van het geval zo ernstig en zozeer in geen enkele verhouding tot de eerdere vuistslag van [geïntimeerde], dat de billijkheid eist dat [appellant] voor de gehele schade aansprakelijk is. Grief 2 faalt daarom.

4.9 Bij de beoordeling van de eerste grief stelt het hof het volgende voorop (HR 17 november 2000, NJ 2001, 215). Het gaat in deze procedure om de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon ([geïntimeerde]) die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij deze begroting dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden, in een geval als het onderhavige in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. Geen rechtsregel belet de rechter mede acht te slaan op de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen, zij het dat deze ontwikkelingen niet beslissend kunnen zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen. De aard en ernst van het letsel van de betrokkene zijn mede van invloed op de omvang van de kosten, verbonden aan maatregelen ter veraangenaming van diens leven. De aard van de onderhavige vergoeding brengt echter mee dat deze niet afhankelijk is van de voorgenomen wijze van besteding. De rechter is dan ook niet gehouden om in een onderzoek daarvan te treden en behoeft in de motivering van zijn beslissing niet aan te geven op welke wijze en met welk resultaat hij rekening heeft gehouden met een voorbeeld van mogelijke besteding.

4.10 [appellant] voert in de toelichting op de eerste grief aan dat de gevallen die [geïntimeerde] in de processtukken heeft genoemd (de nummers 783 en 785 van het Smartengeldgids 2006 van Verkeersrecht) niet te vergelijken zijn met de feiten in deze zaak. Volgens [appellant] komt deze zaak meer overeen met de gevallen in de Smartengeldgids vermeld onder nummer 765 en 767. Hij is verder van mening dat de rechtbank ten onrechte de omstandigheden waaronder het letsel is toegebracht heeft laten meewegen.

4.11 Het hof overweegt allereerst dat uit niets blijkt dat de rechtbank met de gevallen genoemd in de nummers 783 en 785 van de Smartengeldgids rekening heeft gehouden. Hoe dat zij, het gaat hier om een ernstige vorm van mishandeling die tot gevolg heeft gehad dat [geïntimeerde], die ten tijde van het voorval 26 jaar was, zijn linker oog moet missen. Uit de brief van het Universitair Medisch Centrum Utrecht van 31 oktober 2006 aan de advocaat van [geïntimeerde] (productie 6 conclusie van repliek) blijkt het volgende. Op 21 februari 2003 werd de wond aan het linker oog gesloten. Het linker oog bleek echter niet levensvatbaar en op 27 maart 2003 is de oogbol operatief verwijderd. Op 7 april 2003 en op 31 maart 2005 hebben ooglidcorrecties plaats gevonden. De verwachting is dat jaarlijks een nieuwe prothese aangepast zal moeten worden.

4.12 De in 4.9 genoemde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het door de rechtbank vastgestelde smartengeld. De wijze waarop [geïntimeerde] de vergoeding denkt te besteden - [appellant] heeft gesteld dat die zal opgaan aan drank en drugs - is daarbij niet van belang. Het hof acht de door de rechtbank vastgestelde vergoeding in overeenstemming met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, mede in aanmerking genomen de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. Het hof merkt daarbij op dat [appellant]’s verwijzing naar de gevallen nummers 765 en 767 in de Smartengeldgids niet opgaat. Het in de zaak nummer 765 (vonnis rechtbank Den Bosch van 8 oktober 1993; het slachtoffer is na een vechtpartij op de dansvloer aan een oog verwond geraakt, waardoor hij aan dat oog blind is geworden) toegekende bedrag was € 9.076,-, maar dat bedrag betreft slechts 50% van de totale vergoeding, nu de rechtbank eigen schuld van het slachtoffer aanwezig achtte. Bij toekenning van een gehele vergoeding zou, rekening houdend met de geldontwaarding, thans een hoger bedrag dan € 20.000,- zijn vastgesteld. De zaak nummer 767 betreft een schadevergoeding van € 15.000,- bij vonnis van de rechtbank Almelo van 6 november 2002 toegekend in een geval waarbij het slachtoffer bij een caféruzie zodanig was mishandeld dat hij zijn rechter oog moest missen. Het toegewezen bedrag is, ook wanneer rekening wordt gehouden met de geldontwaarding, iets lager dan het door de rechtbank in het bestreden vonnis toegewezen bedrag. In de door [geïntimeerde] genoemde zaak nummer 783 van de Smartengeldgids heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 14 januari 1999 echter een vergoeding van € 22.689,- toegekend in een geval waarbij het slachtoffer bij een caféruzie met een stoel op het hoofd werd geslagen en een stoelpoot het rechter oog trof, met gevolg dat dat oog na enkele operaties moest worden verwijderd.

4.13 Ook de verdere in de Smartengeldgids genoemde gevallen brengen niet mee dat gezegd kan worden dat de aan [geïntimeerde] toegekende vergoeding te hoog is uitgevallen. Wat [appellant] verder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het hof merkt daarbij nog op dat het geen rekening heeft gehouden met de stelling van [geïntimeerde] dat hij nog dagelijks pijn ervaart aan het linker oog wegens fantoompijn, nu hij deze stelling tegenover de betwisting door [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt.

Slotsom

De grieven falen, zodat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad, zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het door de rechtbank Utrecht op 21 maart 2007 tussen partijen gewezen vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 1.158,- voor salaris van de procureur en € 1.035,- wegens vast recht;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Ginkel, Dozy en Van Acht en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2008.