Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD1147

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
104.003.223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de vraag of het aan [appellanten] verkochte perceel aan de overeenkomst beantwoordt in de zin van artikel 7:17 lid 1 BW, gaat het er in deze zaak om welke stabiliteit [appellanten] van de grond mochten verwachten. Daarbij zijn mede van belang de aard van het verkochte en de mededelingen die de gemeente daarover heeft gedaan. Artikel 4 van de koopovereenkomst spreekt van levering in bouwrijpe staat op de voor de gemeente gebruikelijke wijze. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Geen van partijen heeft gesteld dat zij voor het sluiten van de koop gesproken hebben over de betekenis van het begrip levering in bouwrijpe staat op de voor de gemeente gebruikelijke wijze. Het gaat kennelijk ook om een door de gemeente gebruikte standaardakte (het opschrift luidt “particuliere bouw 1-1-1992”). Het komt dan ook vooral aan op wat gebruikelijk onder levering in bouwrijpe staat wordt verstaan. Het hof is met de gemeente van oordeel dat de betekenis is dat de gemeente zorg draagt voor het ontsluiten en ontwateren van het perceel, en het verwijderen van verontreiniging en de bouw belemmerende obstakels, zodanig dat er gebouwd kan worden op de grond. Het hof gaat dan ook voorbij aan het betoog van [appellanten] dat zij op grond van de verplichting tot levering in bouwrijpe staat mochten verwachten dat de grond niet zou inklinken, althans niet in de mate waarin dit zich heeft voorgedaan. [appellanten] hebben overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat onder levering in bouwrijpe staat in dit geval ook begrepen is het nemen van maatregelen die verzakking van de grond als gevolg van instabiliteit van de bodem - definitief - tegengaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 244
RCR 2008, 63

Uitspraak

1 april 2008

derde civiele kamer

zaaknummer 104.003.223

rolnummer (oud) 2007/188

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1]

en

[appellante sub 2],

wonende te Nieuwegein,

appellanten,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de rechtspersoon naar publiek recht

Gemeente Nieuwegein,

zetelend te Nieuwegein,

geïntimeerde,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 23 juni 2004 en 18 oktober 2006 die de rechtbank Utrecht tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de gemeente) als gedaagde heeft gewezen; van het vonnis van 18 oktober 2006 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 11 januari 2007 de gemeente aangezegd van het vonnis van 18 oktober 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de gemeente voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] drie grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht, enkele producties in het geding gebracht, hun eis vermeerderd, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en de gemeente voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.769,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het te wijzen arrest en met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 4.344,16 exclusief 19% BTW, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden, één productie overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hun deze zal ontzeggen, met hun veroordeling in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 en 2.2 feiten vastgesteld. Daarnaast staat in hoger beroep het volgende vast.

3.2 Heidemij Adviesbureau B.V. (verder: Heidemij) heeft in opdracht van de gemeente - in het kader van de inrichtingsplannen van de gemeente voor de polder Galecop tot uitbreidingsplan (stedelijk gebied) - in januari 1990 een beschouwing opgesteld over de mogelijkheden tot peilverlaging in de polder. Uit deze beschouwing bleek dat er stabiliteitsproblemen te verwachten waren voor bodem en taluds van de waterlopen, dat de kwel zou toenemen en dat een peilverlaging effect zou hebben op de aanwezige bebouwing in de polder. Heidemij heeft vervolgens in opdracht van de gemeente en in overleg met het waterschap Leidse Rijn in februari 1990 een geotechnisch-hydrologisch onderzoek ingesteld met als doel het aangeven van de haalbaarheid van een peilverlaging. Heidemij heeft in februari 1990 gerapporteerd (productie 5 memorie van grieven). Het rapport onderscheidt vier bodemtypen. In de conclusies is het volgende te lezen.

Indien een peil wordt ingevoerd van N.A.P - 1,30 zullen, uitgaande van een minimale waterdiepte van 0,75 m, in het gebied waar bodemtypen III en IV voorkomen (globaal begrensd door de Middelwetering, de Galecopperdijk, de Batauweg en de Reinsteinseweg) de bodems van de waterlopen stabiel zijn. In het resterende gebied van de polder, waar bodemtypen I en II zijn aangetroffen, zullen zonder aanvullende maatregelen bij een peil van N.A.P. – 1,30 m in de bodem van de waterlopen stabiliteitsproblemen optreden. ……

Bij een peil van N.A.P. - 1,30 m zal rekening moeten worden gehouden met een toename van de kwel van 690 à 760 m3/dag (circa 0,5 m3/min.).

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant sub 1] heeft bij onderhandse akte van 20 januari 1995 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) voor fl 175.662,50 kosten koper van de gemeente gekocht een perceel bouwterrein (kavel 33) in het bestemmingsplan Galecop. Het perceel is op 31 maart 1995 aan beide appellanten geleverd. Nu partijen (stilzwijgend) ervan uitgaan dat beide appellanten hebben gekocht, zal het hof hen daarin volgen. In artikel 4.2 van de koopovereenkomst is bepaald:

Het gekochte wordt door en voor rekening van de gemeente bouwrijp gemaakt en geleverd.

Het gekochte heeft voor de notariële levering bewerking ondergaan en/of voorzieningen zijn getroffen uitsluitend dienstbaar aan het gekochte.

De hiervoor bedoelde werkzaamheden zijn:

- grasmat verwijderd

- opgehoogd

- rioolinlaat en opzetter voor aansluiting woning op gemeenteriool.

In artikel 4.1 van de overeenkomst is, voor zoveel hier van belang, bepaald dat het gekochte op de voor de gemeente Nieuwegein gebruikelijke wijze bouwrijp wordt geleverd en voorts in de staat, waarin het zich bevindt op het moment van levering.

[appellanten] dienden op grond van artikel 8 van de overeenkomst (“realisatie”) een woning te stichten, waarbij zij binnen drie maanden na ondertekening een deugdelijke aanvraag voor een bouwvergunning bij de gemeente moesten indienen. In artikel 6 van de akte van levering is vervolgens bepaald dat zij binnen drie maanden na levering dienden te beginnen met de bouw van de woning en dat de bouw binnen twee jaar na de datum van afgifte van de bouwvergunning diende te zijn voltooid.

4.2 Aan deze verplichtingen hebben [appellanten] voldaan. Zij hebben, na een in opdracht van hun aannemer, Hebo Hengevelde, door IJsselmeerbeton Fundatietechniek B.V. in december 1994 uitgebracht sonderingsonderzoek (productie 3 conclusie van antwoord), een woning op het perceel laten bouwen. Zij werden vervolgens geconfronteerd met een verzakking van de (deels bestrate) tuin; volgens het rapport van ir. A.M. de Vos van 1 november 2000 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) bedroeg de verzakking van de erfbestrating omstreeks die tijd 15 tot 20 cm ten opzichte van het maaiveld. In zijn vervolgrapport van 2 augustus 2002 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) heeft De Vos, na onderzoek in aanwezigheid van twee ambtenaren van de gemeente, een verzakking van 20 tot 25 centimeter vastgesteld.

4.3 [appellanten] vorderen vergoeding van de gemeente van de kosten die zij hebben gemaakt of nog zullen maken om de verzakking van de tuin, die - in elk geval grotendeels - het gevolg is van zetting van de grond, op te heffen. De vordering bedraagt na vermeerdering van eis in hoger beroep € 24.769,97. De vordering is gegrond op tekortschieten van de gemeente in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst hierin bestaande dat de gemeente de grond niet bouwrijp heeft gemaakt, althans op non-conformiteit van het verkochte perceel in de zin van artikel 7:17 BW en het niet-nakomen van de op de gemeente rustende mededelingsplicht dat het verkochte perceel met 10 tot 15 centimeter zou inklinken.

4.4 Partijen hebben in eerste aanleg, na de door de rechtbank gehouden comparitie van partijen, in onderling overleg opdracht gegeven aan een deskundige (Fugro Ingenieursbureau te Nieuwegein) om een aantal vragen te beantwoorden (brief mr. Zeilstra van 1 december 2004 aan Fugro, productie 1 bij conclusie na deskundigenbericht van de gemeente). In de aanhef van die brief is te lezen:

[appellant] stelt dat deze verzakkingen 25-30 centimeter bedragen en aldus als ernstige, ongebruikelijke, verzakking hebben te gelden. De gemeente Nieuwegein is van mening dat de verzakking niet meer dan 10-15 centimeter bedragen en aldus gekwalificeerd dienen te worden als in dit gebied gebruikelijke verzakkingen.

De aan de Fugro voorgelegde vragen luiden:

- hoe groot is de verzakking van de grond rondom en onder het huis van [appellant]?

- indien deze verzakking meer bedraagt dan 10 à 15 centimeter, kunt u dan de oorzaak van de verzakking aangeven?

De voornaamste conclusies van de deskundige (bladzijde 5 van het rapport), mede op basis van de terreininspectie van medio 2005, luiden als volgt.

Uit de resultaten van het grondonderzoek blijkt dat de projectlocatie als sterk zettingsgevoelig kan worden geclassificeerd. Dit betekent dat belastingverhogingen op de samendrukbare klei- en veenlagen, door bijvoorbeeld ophogingen en/of grondwaterstandsverlagingen, leiden tot zakking van het maaiveld.

In vergelijking tot resultaten van grondonderzoek uit andere delen van Galecop is de bodem op de projectlocatie meer humeus en derhalve gevoeliger voor zettingen.

…….

De resultaten van de waterpassing geven resultaten welke absoluut en reproduceerbaar zijn, dit in tegenstelling tot de metingen tot nu toe. Uit deze waterpassing blijkt dat de wegen gemiddeld ca 0,22 m zijn gezakt en de bestrating rondom de woning eveneens gemiddeld ca 0,22 m. Hierbij wordt er van uitgegaan dat er tussentijds niet is opgehoogd.

………

De Gemeente heeft aangegeven dat de te verwachten zettingen kunnen variëren van ca. 0,10 tot 0,15 m. In dit geval bedragen de restzettingen, na 10 jaar, ca. 0,22 m. Door de gemeente is aangegeven dat de genoemde restzettingen een ervaringsfeit zijn. Er van uitgaande dat de genoemde restzettingen de restzettingen van ca. 25 à 30 jaar zijn, kan worden geconcludeerd dat de nu opgetreden zettingen aanzienlijk groter zijn dan verwacht. Oorzaak hiervoor kan de lokaal slechtere bodemopbouw zijn in vergelijking tot de rest van Galecop. Uit de sonderingen van IJsselmeerbeton valt deze lokaal slechtere bodemopbouw niet af te leiden daar bij deze sonderingen de plaatselijke mantelwrijving niet is gemeten.

Opgemerkt wordt dat het opvallend is dat de wegen nagenoeg een gelijke zakking vertonen als de bestrating rondom de woning. Dit wijkt af van het verwachtingspatroon. Over het algemeen worden de wegen voorbelast om zakkingen te forceren en daarmee restzettingen te minimaliseren. Verwacht zou worden dat de wegen minder zakken dan de terreinen rondom de woning.

4.5 De rechtbank heeft de vordering afgewezen. In hoger beroep hebben [appellanten] als (meer) subsidiaire grondslag voor de vordering aangevoerd (wederzijdse) dwaling.

4.6 De grieven I en II behelzen onder meer de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld (rechtsoverweging 4.4) a. dat bij de uitgifte van bouwpercelen als de onderhavige in zijn algemeenheid niet van de verkoper kan worden verwacht dat hij uitgebreide en uitvoerige onderzoeken doet naar de mate van verzakking van de bodem die ter plaatse kan worden verwacht of aanpassingen van de grond uitvoert alvorens de grond als bouwgrond uit te geven en b. dat het in beginsel aan de koper is om de gevolgen van de wijze waarop hij zijn perceel belast door de door hem ingeschakelde aannemer te laten doorrekenen. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd (rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6) dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die de gemeente er toe hadden moeten brengen een uitgebreid onderzoek naar de te verwachten verzakking in te stellen of de grond voor te belasten en dat, nu [appellanten] de gevolgen van de bodemgesteldheid en het uit te voeren heiwerk voor de te realiseren tuin niet hebben onderzocht, zij niet voldaan hebben aan de op hen rustende onderzoeksplicht neergelegd in artikel 7:17 lid 2 BW en dat de gestelde non-conformiteit niet is komen vast te staan.

4.7 Het hof overweegt als volgt. Bij de vraag of het aan [appellanten] verkochte perceel aan de overeenkomst beantwoordt in de zin van artikel 7:17 lid 1 BW, gaat het er in deze zaak om welke stabiliteit [appellanten] van de grond mochten verwachten. Daarbij zijn mede van belang de aard van het verkochte en de mededelingen die de gemeente daarover heeft gedaan. Artikel 4 van de koopovereenkomst spreekt van levering in bouwrijpe staat op de voor de gemeente gebruikelijke wijze.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.

4.8 Geen van partijen heeft gesteld dat zij voor het sluiten van de koop gesproken hebben over de betekenis van het begrip levering in bouwrijpe staat op de voor de gemeente gebruikelijke wijze. Het gaat kennelijk ook om een door de gemeente gebruikte standaardakte (het opschrift luidt “particuliere bouw 1-1-1992”). Het komt dan ook vooral aan op wat gebruikelijk onder levering in bouwrijpe staat wordt verstaan. Het hof is met de gemeente van oordeel dat de betekenis is dat de gemeente zorg draagt voor het ontsluiten en ontwateren van het perceel, en het verwijderen van verontreiniging en de bouw belemmerende obstakels, zodanig dat er gebouwd kan worden op de grond. Het hof gaat dan ook voorbij aan het betoog van [appellanten] dat zij op grond van de verplichting tot levering in bouwrijpe staat mochten verwachten dat de grond niet zou inklinken, althans niet in de mate waarin dit zich heeft voorgedaan. [appellanten] hebben overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat onder levering in bouwrijpe staat in dit geval ook begrepen is het nemen van maatregelen die verzakking van de grond als gevolg van instabiliteit van de bodem - definitief - tegengaan.

4.9 In deze zaak staat vast dat de grond van het aan [appellanten] verkochte perceel kennelijk sterk “zettingsgevoelig” is; vergelijking van de kaart gevoegd bij het in opdracht van de gemeente uitgebrachte rapport van Heidemij van februari 1990 met de kaart gevoegd bij het in opdracht van partijen uitgebrachte rapport van Fugro leert dat het gaat om bodemtype II volgens de classificatie van Heidemij, gelegen in het oostelijke deel van de polder. Dat is volgens het rapport van Heidemij een zettingsgevoelig gebied, zeker op plaatsen waar waterlopen aanwezig zijn geweest. Het rapport vermeldt dat bij verlaging van het grondwaterpeil tot NAP – 1.30 meter in de gedeelten van de polder met bodemtypen I en II zonder aanvullende maatregelen stabiliteitsproblemen zouden optreden. Het rapport vermeldt verder:

Indien geen peilverlaging wordt toegepast zal voor het verkrijgen van voldoende drooglegging voor wegen en woningen het terrein opgehoogd moeten worden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de zettingsgevoelige ondergrond (overhoogte ter compensatie van de zetting en extra onderhoud in verband met de restzettingen).

4.10 Het mag zijn dat bij kopers als [appellanten] bekend was (verklaring van [appellant] ter comparitie: “ik had een huis in Nieuwegein en had wel rekening gehouden met enige verzakking …”) dat de bodem van de polder “slap” was, maar uit de uitkomst van het onderzoek van Fugro volgt dat de door Fugro vastgestelde verzakking van de bestrating van gemiddeld 22 centimeter (binnen tien jaar na de bouw van de woning) veel groter is dan de door de gemeente zelf aan Fugro als ervaringsfeit genoemde verzakking, te weten een “restzetting” van 10 tot 15 centimeter na ongeveer 25 tot 30 jaren (bladzijde 9 van het rapport van Fugro). Dat ervaringsfeit kan uiteraard niet op de Galecop polder betrekking hebben. De gemeente was op grond van het rapport van Heidemij op de hoogte van de omstandigheid dat de polder een niet uniforme instabiliteit had en op verschillende plaatsen een sterk zettingsgevoelig karakter had. De tegenwerping van de gemeente dat het Heidemijrapport alleen een haalbaarheidsstudie voor een peilverlaging van de polder betrof gaat niet op. Het rapport vermeldt duidelijk dat het is uitgebracht in het kader van de inrichtingsplannen van de gemeente voor de polder Galecop tot uitbreidingsplan (stedelijk gebied). De gemeente heeft de polder vervolgens ontwikkeld tot stedelijk gebied.

4.11 Naar het oordeel van het hof was de gemeente als verkoper - en als overheid die percelen grond uitgeeft aan gegadigde kopers onder oplegging van een bouwplicht - gehouden om ofwel nader onderzoek naar de stabiliteit van de polder te doen (en waar nodig stabiliteitsverbeteringen aan te brengen) ofwel kopers als [appellanten] te waarschuwen voor de omstandigheid dat het perceel gelegen was in een plaatselijk (sterk) zettingsgevoelig gebied en dat het daarom aanbeveling verdiende, alvorens tot aanleg van tuin en bestrating over te gaan, na te gaan welke maatregelen dienden te worden genomen om verzakking zoveel mogelijk tegen te gaan.

4.12 De gemeente kan [appellanten] niet tegenwerpen dat zij (of hun aannemer) verzuimd hebben een onderzoek te laten verrichten naar de mate van zetting van de grond rond de woning met het oog op hun voornemen een tuin en bestrating aan te leggen. In het algemeen heeft immers te gelden dat hij die een mededelingsplicht als deze verzaakt zijn wederpartij niet mag tegenwerpen dat zij verzuimd heeft zelf onderzoek te verrichten. Het wel in opdracht van (de aannemer van) [appellanten] verrichte sonderingsonderzoek van IJsselmeer beton was uitsluitend gericht op de bouw van de woning. Daaruit konden [appellanten] niet opmaken dat de bodem zo zettingsgevoelig was als later is gebleken. Fugro zegt daarover (bladzijde 9 van het rapport)

Uit de sonderingen van IJsselmeerbeton valt deze lokaal slechtere bodemopbouw niet af te leiden daar bij deze sonderingen de plaatselijke mantelwrijving niet is gemeten.

4.13 De niet-nakoming van de in 4.11 omschreven verplichting leidt tot schadeplichtigheid van de gemeente jegens [appellanten], voor zover sprake is van een grotere verzakking van de bodem dan [appellanten] op grond van de overeenkomst mochten verwachten. [appellanten] vorderen in hoger beroep vergoeding van € 22.395,56 overeenkomstig de als productie 7 bij memorie van grieven overgelegde offerte van Van Tricht Tuinen van 30 januari 2007. [appellanten] maken verder aanspraak op vergoeding van de kosten van de rapporten van ir. Vos ad € 1.333,16 en (verdere) buitengerechtelijke kosten ad € 4.344,16 overeenkomstig de specificatie in productie 7 bij de inleidende dagvaarding.

4.14 De gemeente werpt [appellanten] (subsidiair, in het kader van de betwisting van de omvang van de schade) tegen dat zij hoe dan ook met enige zetting rekening hadden moeten houden en dat, als de zetting beperkt was gebleven tot de door hen verwachte zetting, zij in feite dezelfde herstelwerkzaamheden hadden moeten laten verrichten. De gemeente voert in dit verband verder aan dat niet vast staat dat [appellanten] na tien jaar ook niet gewone onderhoudslasten zouden hebben gehad en dat de verschillende posten bij gebreke van facturen en betalingsbewijzen niet bewezen zijn. De verdere (buitengerechtelijke) kosten heeft zij eveneens gemotiveerd betwist, onder meer met het verweer dat [appellanten] die kosten niet zelf dragen, nu hun rechtsbijstandverzekeraar die vergoedt.

4.15 [appellanten] hebben dit laatste, al bij conclusie van antwoord gevoerde, verweer met betrekking tot de kosten van de rapporten van ir. Vos en de (verdere) buitengerechtelijke kosten niet betwist. Het hof gaat er dan ook van uit dat deze kosten niet voor rekening van [appellanten] zijn gekomen met gevolg dat zij daarvan geen vergoeding kunnen vorderen.

4.16 Het verweer dat [appellanten] geen recht op vergoeding van herstelkosten hebben, omdat zij nog geen herstel hebben laten verrichten gaat niet op. Uitgangspunt moet zijn dat een eigenaar van een zaak die wordt beschadigd een nadeel lijdt gelijk aan de waardevermindering die die zaak heeft ondergaan. Indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, zal het geldsbedrag van deze waardevermindering in het algemeen gelijk zijn aan de naar objectieve maatstaven berekende kosten die met herstel zijn gemoeid. Het hof gaat ervan uit dat het herstel van de bestrating en de tuin niet alleen mogelijk, maar ook verantwoord is, nu het tegendeel niet is gesteld.

4.17 Het hof gaat er in dit geval evenals de gemeente vanuit dat [appellanten] hoe dan ook met enige verzakking van de tuin rekening hadden moeten houden. [appellant] heeft tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen ook zelf verklaard wel rekening te hebben gehouden met enige verzakking. Bovendien blijkt uit de brief mr. Zeilstra van 1 december 2004 aan Fugro dat het debat zich heeft toegespitst op de vraag of bij het verkochte perceel sprake was van een meer dan gemiddelde (10 tot 15 centimeter grote) verzakking. Het verweer van de gemeente dat [appellanten] hoe dan ook na enige tijd herstelkosten hadden moeten maken acht het hof dan ook vooralsnog juist. Dat doet dan ook de vraag rijzen welke kosten [appellanten] zouden hebben gehad bij een ”gemiddelde” verzakking. Het hof wenst, alvorens verder te beslissen, over de herstelkosten nader te worden geïnformeerd, waartoe een comparitie van partijen zal worden gelast, die tevens zal worden benut om te bezien of partijen het alsnog over een of meer onderwerpen eens kunnen worden. Het hof wenst daarbij van [appellanten] te vernemen welke kosten zij bij benadering zouden hebben gemaakt wanneer de tuin met ongeveer 10 tot 15 centimeter zou zijn gezakt.

Slotsom

De grieven een en twee zijn deels gegrond. Het hof zal, alvorens verder te beslissen, een comparitie van partijen gelasten met het in 4.17 genoemde doel.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat partijen, de gemeente vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.H. van Ginkel, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.15 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden april, mei en juni 2008 zullen opgeven op de rolzitting van 22 april 2008, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Ginkel, Dozy en Van Acht en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2008.