Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD0561

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
106.011.357/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat het klachtonderdeel betreffende het vermeend partijdig optreden van de oud-notaris en zijn kandidaat geen doel treft. Bij de doorverkoop van de registergoederen hebben zij niet anders gehandeld dan gebruikelijk is bij dergelijke transacties. Dit geldt te meer nu de waardebepaling van de registergoederen is geschied door een externe - daartoe gekwalificeerde - taxateur. Op de oud-notaris en zijn kandidaat rustte onder die omstandigheden niet de plicht de erfgenamen van de doorverkoop en de gerealiseerde prijs op de hoogte te stellen, sterker nog: zij mochten op grond van de op hen rustende geheimhoudingsplicht daarover geen mededelingen aan de erfgenamen doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 17 april 2008 in de zaak onder nummer 106.011.357/01 NOT van:

[naam]

klager,

wonende te [plaats],

APPELLANT,

tegen

1.MR.[naam],

voorheen notaris, thans oud-notaris te [plaats],

2.MR. [naam]

kandidaat-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder te noemen klager, is bij een op 31 juli 2007 ter griffie ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, verder te noemen de kamer, van 4 juli 2007, waarbij de klacht van klager over geïntimeerden, verder te noemen de oud- notaris en de kandidaat-notaris, gedeeltelijk ongegrond is verklaard en voor het overige gegrond is verklaard, zonder oplegging van een maatregel..

1.2. Van de zijde van de oud-notaris en de kandidaat-notaris is op 28 augustus 2007 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 14 februari 2008, alwaar klager, de oud-notaris (als notaris gedefungeerd per 1 februari 2008) en de kandidaat-notaris zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, klager aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat, behoudens het navolgende.

3.2. Klager heeft naar voren gebracht dat de juiste naam van erflaatster [naam] is en dat op 31 maart 2004 het registergoed, gelegen aan [adres], voor € 160.000 is verkocht aan [naam] en [naam]. Het hof zal deze voorstellen tot verbetering van klager bij de beoordeling – voor zover van belang – betrekken.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de oud-notaris en de kandidaat-notaris dat zij ten onrechte een adviserende rol hebben vervuld bij de doorverkoop van de registergoeder[adres] en daarbij hebben meegewerkt aan de eigendomsoverdracht van deze registergoederen. Daardoor waren de oud-notaris en de kandidaat-notaris niet in staat de belangen van de erfgenamen op onpartijdige wijze te behartigen.

4.2. Voorts wordt de kandidaat-notaris verweten dat hij op fiscaal gebied jegens de erfgenamen is tekortgeschoten door te verzuimen twee aftrekposten op te nemen in de aangifte van het recht van successie. Bovendien heeft hij de erfgenamen ten onrechte geadviseerd geen bezwaar te maken tegen de aanslag van het recht van successie.

4.3. Ook verwijt klager de kandidaat-notaris dat hij hem een onvolledig afschrift van erflaatsters aangifte Inkomstenbelasting 2002 heeft doen toekomen, zonder daartoe een afdoende verklaring te hebben gegeven.

4.4. Eveneens wordt de kandidaat-notaris verweten dat hij ten onrechte heeft verzuimd de aangiften Inkomstenbelasting 2002 en 2003 ten behoeve van de erfgenamen te controleren.

4.5. Ten slotte verwijt klager de kandidaat-notaris dat hij gedurende de afwikkeling van de nalatenschap ten aanzien van de navolgende punten onjuist heeft gehandeld.

a. de kandidaat-notaris heeft in zijn brief van 13 juni 2005 ten onrechte de erfgenamen

bericht dat de bank de eerder ten onrechte in rekening gebrachte rente heeft gecompenseerd;

b. de kandidaat-notaris heeft ten onrechte nagelaten op eigen initiatief verontschuldigingen aan de bank te vragen voor de hierboven beschreven onjuiste afschrijvingen en het bieden van onvoldoende compensatie;

c. de kandidaat-notaris heeft de aanslag Inkomstenbelasting 2003 onjuist verwerkt in het voorstel van 13 juni 2005 ten aanzien van de berekening

en de verantwoording van hetgeen elk der erfgenamen toekomt;

d. de kandidaat-notaris heeft een groot aantal fouten gemaakt met betrekking tot de voldoening van de legaten;

e. de kandidaat-notaris heeft verzuimd de ingehouden kosten op de uitgekeerde legaten ten laste van de erfgenamen te incasseren;

f. de kandidaat-notaris heeft klager niet correct bejegend door gedurende meer dan vier maanden klager niet te berichten waarom het toezenden van een eindvoorstel werd uitgesteld.

5. Het standpunt van de oud-notaris en de kandidaat-notaris

5.1. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben gedeeltelijk de stellingen van klager betwist en zij hebben zich als volgt verweerd.

5.2. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben allereerst betoogd dat zij van de erfgenamen geen opdracht hebben ontvangen de boedel af te wikkelen, maar dat de afwikkeling daarvan in handen was van de executeur.

5.3. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel wijzen de oud-notaris en de kandidaat-notaris erop dat indien zij de erfgenamen zou hebben gezegd dat het registergoed door zou worden verkocht zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan schending van hun geheimhoudingsplicht. Als er twijfels zouden hebben bestaan omtrent de taxatie van de registergoederen, zou het anders hebben gelegen, maar deze omstandigheid heeft zich niet voorgedaan. Voorts merken de oud-notaris en de kandidaat-notaris op dat de heffing van het Successierecht plaats vindt naar de waarde van de datum van overlijden, zodat voor hen niet voorzienbaar was dat de doorverkoop tot een hogere waardering zou kunnen leiden.

5.4. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben erkend dat zij hebben verzuimd twee nota’s te betrekken bij de aangifte voor het recht van successie. Zij hebben hiervoor hun excuses aangeboden en zorggedragen voor correctie van de aangifte. Bovendien hebben zij in dat verband toegezegd de schade voor de erfgenamen te zullen vergoeden. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben klager geadviseerd geen bezwaar te maken tegen de aanslag van het successierecht, omdat zij op grond van hun ervaring ervan uitgingen dat bezwaar kansloos zou zijn.

5.5. Met betrekking tot de klacht betreffende het onvolledige afschrift wijzen de oud-notaris en de kandidaat-notaris erop dat zij van de executeur een onvolledige aangifte hebben ontvangen; dit hebben zij pas achteraf opgemerkt. Bij het kopiëren van de aangifte is het een en ander fout gegaan, doordat er in het kopieerapparaat twee bladzijden tegelijk zijn ingevoerd is een bladzijde per ongeluk niet gekopieerd. De oud-notaris en de kandidaat-notaris menen dat hier sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

5.6. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben voorts naar voren gebracht dat zij geen enkele bemoeienis hebben gehad met de redactie van de aangiften Inkomstenbelasting 2002 en 2003 en dat controle van de aangiften niet tot hun taak behoorde.

5.7. Ten slotte hebben de oud-notaris en de kandidaat-notaris erkend dat het narekenen van de gecorrigeerde debetrente onjuist is geweest, daardoor is een verschil van

€ 44, 84 onopgemerkt gebleven. De aanslag Inkomstenbelasting 2003 is door hen onjuist in de berekening vermeld en bij het legaat aan de Rooms-Katholieke Kerk zijn abusievelijk geen kosten in mindering gebracht. Het opstellen van het voorstel tot de definitieve afwikkeling verdeling heeft langer geduurd dan was voorzien.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat het klachtonderdeel betreffende het vermeend partijdig optreden van de oud-notaris en zijn kandidaat geen doel treft. Bij de doorverkoop van de registergoederen hebben zij niet anders gehandeld dan gebruikelijk is bij dergelijke transacties. Dit geldt te meer nu de waardebepaling van de registergoederen is geschied door een externe - daartoe gekwalificeerde - taxateur. Op de oud-notaris en zijn kandidaat rustte onder die omstandigheden niet de plicht de erfgenamen van de doorverkoop en de gerealiseerde prijs op de hoogte te stellen, sterker nog: zij mochten op grond van de op hen rustende geheimhoudingsplicht daarover geen mededelingen aan de erfgenamen doen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

6.2. Wel gegrond is het klachtonderdeel betreffende de onvolledige aangifte inzake het Successierecht. De oud-notaris en de kandidaat-notaris hebben het verzuim erkend, hun excuses aangeboden en de aangifte gecorrigeerd.

Hoewel het advies geen bezwaar te maken tegen de aanslag achteraf onjuist is gebleken, kan niet worden gezegd dat de notaris door dat advies te geven tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Het advies van de notaris was in overeenstemming met wat redelijkerwijs als beslissing op een in te dienen bezwaar kon worden verwacht en gegrond op zijn ervaringen in vergelijkbare gevallen. Daardoor kon en mocht de notaris adviseren zoals hij heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

6.3. Het klachtonderdeel betreffende de verstrekking van een onvolledig afschrift van de aangifte acht het hof ongegrond. Met de oud-notaris en de kandidaat-notaris is het hof van oordeel dat hier sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

6.4. Het klachtonderdeel betreffende het opmaken van de aangiften Inkomstenbelasting 2002 en 2003 treft evenmin doel. Nu vast staat dat bij de afwikkeling een accountant is betrokken geweest, deelt het hof het standpunt van de oud-notaris en de kandidaat-notaris dat het niet tot hun taak behoorde de aangiften en aanslagen te controleren.

6.5. Anders dan de kamer zal het hof de klachten zoals hiervoor vermeld in onderdeel 4.5 betreffende de afwikkeling van de nalatenschap door de kandidaat-notaris puntsgewijs bij de beoordeling betrekken.

a. het hof is van oordeel dat klachtonderdeel 4.5.a gegrond is, nu dit klachtonderdeel door de kandidaat-notaris niet is weersproken.

b. de kandidaat-notaris heeft ten aanzien van klachtonderdeel 4.5.b. naar voren gebracht dat de contacten met de Rabobank, verder te noemen de Bank, verliepen via de executeur. Deze heeft mondeling contact gehad met de Bank, waardoor een en ander is rechtgezet. Door de Bank is hier verder niet schriftelijk op gereageerd. Het hof is van oordeel dat de kandidaat-notaris niet gehouden was contact met de Bank op te nemen met het verzoek excuses aan te bieden vanwege een uiteindelijk herstelde omissie. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

c. het klachtonderdeel zoals genoemd in 4.5.c. is gegrond. De kandidaat-notaris heeft erkend dat hij de aanslag Inkomstenbelasting 2003 onjuist heeft verwerkt in het voorstel aan de erfgenamen van 13 juni 2005.

d. en e. de klachtonderdelen 4.5.d. en 4.5.e. zullen gezamenlijk besproken worden, nu zij op dezelfde materie betrekking hebben. De kandidaat-notaris heeft erkend dat bij de voldoening van de legaten een aantal fouten is gemaakt, zoals met betrekking tot het niet direct in mindering brengen van de successierechten bij de Rooms-Katholieke kerk. De kandidaat-notaris heeft voor de gang van zaken zijn excuses aangeboden, daar waar kon de fouten hersteld, onder aanbieding van het vergoeden van de eventuele schade aan de erfgenamen. Deze klachtonderdelen zijn dan ook gegrond.

f. ook klachtonderdeel 4.5.f. is gegrond. De kandidaat-notaris heeft erkend dat het voorstel tot definitieve verdeling van de nalatenschap langer op zich heeft laten wachten dan was voorzien.

6.6. Het hof is van oordeel dat, hoewel er verscheidene fouten zijn gemaakt in de afwikkeling van de nalatenschap, deze fouten de oud-notaris en de kandidaat-notaris niet in die mate aangerekend kunnen worden dat een maatregel passend en geboden zou zijn. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de oud-notaris en de kandidaat-notaris van meet af aan de fouten hebben erkend en daar waar kon deze hebben hersteld, onder aanbieding van schadevergoeding. Het hof zal dan ook geen maatregel op leggen.

6.7. Het hof zal de beslissing van de kamer vernietigen nu het op andere gronden tot een oordeel is gekomen.

6.8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing, behoudens de daarin vervatte vaststelling van de feiten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- verklaart de hiervoor onder 4.2 (eerste deel) en 4.5 a, c, d, e, f omschreven klachtonderdelen gegrond;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

- legt aan de oud-notaris en de kandidaat-notaris geen maatregel op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A, Stille, J.C.W. Rang en G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op donderdag 17 april 2008 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE LEEUWARDEN

Reg.nr.: 03-2007 en 04-2007

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, hierna te noemen de Kamer, in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: klager,

tegen

1. mr. [naam],

notaris te [plaats],

hierna te noemen: de notaris.

2. mr. [naam],

kandidaat-notaris te [plaats],

hierna te noemen: de kandidaat-notaris.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 28 maart 2007 heeft klager een klacht ingediend tegen de notaris. De notaris heeft schriftelijk verweer gevoerd bij brief van 19 april 2007. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 9 mei 2007 ter vergadering van de voltallige Kamer. Klager is verschenen. De notaris en de kandidaat-notaris zijn eveneens verschenen.

2. DE FEITEN

Op 6 mei 2003 is in de gemeente Heerenveen overleden mevrouw [naam], geboren te [plaats] op 29 december 1919 (hierna te noemen de erflaatster). Erflaatster heeft bij testament van 14 december 2001 over haar nalatenschap beschikt. In haar testament heeft erflaatster de [naam] benoemd tot executeur-testamentair. Op 13 november 2003 heeft de kandidaat-notaris aan klager bericht dat hij één van de erfgenamen is van erflaatster. De nalatenschap is door alle erfgenamen aanvaard. Erflaatster heeft aan [naam] en [naam] gelegateerd het recht van eerste koop betreffende enige percelen weiland en een boswal gelegen aan de [adres], één en ander tegen de inbreng van de getaxeerde waarde. Aan [naam] en [naam] is gelegateerd het recht van eerste koop betreffende het woonhuis gelegen [adres] en aan [naam] en [naam] is gelegateerd het recht van eerste koop betreffende het woonhuis gelegen aan de [adres]. De drie hiervoor vermelde onroerende zaken zijn getaxeerd door een taxateur. Door de legatarissen is aangegeven dat zij van hun recht van eerste koop gebruik zullen maken. Op 31 maart 2004 is de onroerende zaak, gelegen aan de [adres], voor € 160.000,00 verkocht aan [naam] en [naam]. Op dezelfde datum is deze onroerende zaak doorverkocht voor een koopsom van € 175.000,00. Op 8 juli 2004 heeft de kandidaat-notaris aangifte voor het recht van successie gedaan. De Belastingdienst heeft de erfgenamen op 24 januari 2005 een aanslag voor het recht van successie opgelegd, waarbij zij de hiervoor bedoelde onroerende zaak heeft gewaardeerd op € 170.000,00. Op 23 februari 2005 heeft de kandidaat-notaris de erfgenamen meegedeeld dat zij tegen de aanslag bezwaar kunnen maken, maar daarbij tevens aangegeven daartoe geen reden te zien. Klager heeft op 5 maart 2005 bezwaar gemaakt tegen de aanslag, waarna de Belastingdienst de woning alsnog in aanmerking heeft genomen voor een waarde van € 160.000,00. Bovendien heeft de Belastingdienst de erfgenamen restitutie van een deel van het betaalde successierecht verleend.

3. DE KLACHT

Klager stelt dat:

1. notaris en kandidaat-notaris ten onrechte met betrekking tot de doorverkoop van de woningen, gelegen aan het [adres] an wel [adres], een adviserende rol hebben gespeeld en hebben meegewerkt aan de eigendomsoverdracht van deze woningen. Daardoor waren notaris en kandidaat-notaris niet in staat de belangen van erfgenamen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te behartigen en hebben zij het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels overtreden.

2. de kandidaat-notaris in de fiscale werkzaamheden ten behoeve van en voorlichting aan de erfgenamen is tekortgeschoten door niet twee aftrekposten op te nemen in de aangifte voor het recht van successie en de erfgenamen ten onrechte te adviseren geen bezwaar te maken tegen de aanslag van het recht van successie.

3. de kandidaat-notaris klager een onvolledig afschrift van erflaatsters aangifte Inkomstenbelasting 2002 heeft doen toekomen en daarvoor een zeer gebrekkige en bedenkelijke verklaring hiervoor heeft gegeven;

4. de kandidaat-notaris ten onrechte verzuimd heeft de aangiften Inkomstenbelasting 2002 en 2003 en de daarop volgende aanslagen ten behoeve van de erfgenamen te controleren;

5. de kandidaat-notaris tijdens de afwikkeling van de nalatenschap de volgende onzorgvuldigheden heeft begaan:

a. de kandidaat-notaris heeft in zijn brief van 13 juni 2005 aan de erfgenamen ten onrechte meegedeeld dat de bank eerder ten onrechte in rekening gebrachte rente heeft gecompenseerd;

b. de kandidaat-notaris heeft ten onrechte nagelaten op eigen initiatief verontschuldigingen van de bank te vragen voor de hiervoor beschreven onjuiste afschrijvingen en het bieden van onvoldoende compensatie;

c. de kandidaat-notaris heeft de aanslag Inkomstenbelasting 2003 onjuist verwerkt in zijn voorstel van 13 juni 2005 bevattende de berekening en verantwoording van het ieder toekomende;

d. de kandidaat-notaris heeft een groot aantal fouten gemaakt met betrekking tot de voldoening van de legaten;

e. de kandidaat-notaris heeft verzuimd de ingehouden kosten op de uitgekeerde legaten ten laste van de erfgenamen te incasseren;

f. de kandidaat-notaris heeft klager niet correct bejegend door gedurende meer dan vier maanden niet te berichten waarom het toezenden van een eindvoorstel werd uitgesteld.

4. HET STANDPUNT VAN DE NOTARIS

De notaris en kandidaat-notaris stellen dat van de erfgenamen niet de opdracht is ontvangen de nalatenschap af te wikkelen. De boedelafwikkeling is in handen gebleven van de executeur-testamentair. Ten aanzien van de klacht onder 1 hebben de notaris en kandidaat-notaris gesteld dat zij, indien zij aan de erfgenamen mededeling zouden hebben gedaan van de doorverkoop van de onroerende zaak, zij daarmee hun geheimhoudingsplicht zouden hebben geschonden. Dit zou slechts anders zijn indien er (gerede) twijfels zouden zijn aan de getaxeerde waarde, maar dat deed zich in casu niet voor. Het verwijt van klager dat voorzienbaar was dat de doorverkoop tot een hogere waardering door de Belastingdienst zou leiden en dat om die reden de medewerking aan de doorverkoop had moeten worden geweigerd is onterecht. De heffing van het recht van successie vindt plaats naar de waarde per de datum van overlijden. Voor de notaris en kandidaat-notaris was niet voorzienbaar dat de doorverkoop tot een hogere waardering zou leiden.

Ten aanzien van de klacht onder 2 hebben notaris en kandidaat-notaris erkend dat verzuimd is een tweetal nota's te betrekken bij de aangifte voor het recht van successie. Door de notaris en de kandidaat-notaris zijn daarvoor excuses aangeboden en de aangifte is door hen gecorrigeerd. Bovendien hebben notaris en kandidaat-notaris aangegeven dat zij de voor de erfgenamen ontstane schade zullen vergoeden. De notaris en kandidaat-notaris hebben klager geadviseerd geen bezwaar te maken tegen de aanslag voor het recht van successie. Het is mogelijk dat dit een verkeerd advies is, maar dit levert geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op.

Ten aanzien van de klacht onder 3 hebben notaris en kandidaat-notaris gesteld dat zij van de executeur-testamentair een onvolledige aangifte hebben ontvangen, hetgeen de notaris en kandidaat-notaris pas achteraf is gebleken. Bij het kopiëren van de aangifte is abusievelijk één bladzijde niet gekopieerd. Het kopieerapparaat heeft twee pagina's tegelijk doorgevoerd. Volgens de notaris en de kandidaat-notaris is hier sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Ten aanzien van de klacht onder 4 hebben de notaris en de kandidaat-notaris gesteld dat zij geen enkele bemoeienis hebben gehad met het opmaken van de aangiftes Inkomstenbelasting 2002 en 2003. De controle van de aangiftes en aanslagen behoorde niet tot de taak van de notaris en/of de kandidaat-notaris.

Ten aanzien van de klacht onder 5 hebben de notaris en de kandidaat-notaris erkend dat het narekenen van de gecorrigeerde debetrente niet correct is geweest. Daardoor is een verschil van € 44,84 niet opgemerkt. De aanslag Inkomstenbelasting 2003 is door de notaris en de kandidaat-notaris onjuist in de berekening vermeld en bij het legaat aan de Rooms-Katholieke Kerk zijn per abuis geen kosten in mindering gebracht. Het opstellen van het voorstel tot definitieve verdeling heeft langer geduurd dan was voorzien. Hiervoor hebben notaris en kandidaat-notaris aan klager hun excuses aangeboden.

De notaris en de kandidaat-notaris erkennen dat er bij de uitvoering van hun werkzaamheden in vorenbedoelde nalatenschap fouten zijn gemaakt. De notaris en kandidaat-notaris hebben aangeboden de eventueel als gevolg daarvan ontstane schade aan de erfgenamen te vergoeden. Daarnaast is een korting verstrekt op de declaratie. Ten slotte stellen notaris en kandidaat-notaris dat zij nog doende waren om met klager tot een oplossing te komen. Door de notaris en kandidaat-notaris is aangeboden om met klager over de situatie te spreken.

5. DE BEOORDELING DOOR DE KAMER

5.1 De Kamer ziet zich gesteld voor de vraag of de notaris en/of de kandidaat-notaris tuchtrechtelijk laakbaar heeft (hebben) gehandeld. De Kamer zal de klachten tegen de notaris en de kandidaat-notaris gevoegd behandelen, gelet op de tussen deze klachten bestaande samenhang.

5.2. De Kamer stelt voorop dat uit de feiten in deze zaak blijkt dat de notaris en de kandidaat-notaris kennelijk de volledige verantwoordelijkheid hebben genomen ten aanzien van de afwikkeling van de onderhavige nalatenschap. De notaris heeft zich in dit geval feitelijk gedragen als boedelnotaris en is dienovereenkomstig verantwoordelijk voor de afhandeling van de boedel. Daarom acht de kamer het niet van belang om een onderscheid te maken tussen enerzijds de rol van de notaris en de kandidaat-notaris enerzijds en de executeur-testamentair anderzijds.

5.3. De Kamer oordeelt ten aanzien van de klacht onder 1 als volgt. Klager verwijt de notaris en de kandidaat-notaris dat zij het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de Verordening Beroeps- en gedragsregels hebben geschonden. Deze bepaling luidt als volgt:

De notaris die opdracht krijgt tot afwikkeling van een onverdeeldheid kan niet

partijadviseur van de opdrachtgever(s) zijn, maar moet de belangen behartigen

van allen die bij de onverdeeldheid zijn betrokken.

Naar het oordeel van de Kamer treft deze klacht geen doel. Dat de notaris en de kandidaat-notaris de belangen van de bij de nalatenschap betrokken erfgenamen niet - op onpartijdige wijze - hebben behartigd acht de Kamer niet gebleken. Naar het oordeel van de Kamer hebben de notaris en de kandidaat-notaris bij de doorverkoop van de betrokken onroerende zaken gehandeld zoals dat bij dergelijke transacties gebruikelijk is. Naar het oordeel van de Kamer moet de wijze waarop de onroerende zaken zijn getaxeerd worden begrepen als het hoofdonderdeel van deze klacht. Anders dan klager kennelijk meent, treft echter noch de notaris noch de kandidaat-notaris een verwijt ten aanzien van de wijze waarop deze onroerende zaken zijn getaxeerd. Vast staat immers dat de taxatie is geschied door een externe en ook overigens gekwalificeerde taxateur. De waardebepaling heeft dus plaatsgevonden overeenkomstig de daaraan te stellen eisen en ook overigens blijkt niet van enige onjuiste invloed van de notaris op de belangen van klager.

5.4. De klachten onder 2, 3 en 5 komen neer op de stelling dat de notaris en/of de kandidaat-notaris onvoldoende zorgvuldigheid jegens klager in acht hebben genomen. De Kamer acht deze onderdelen van de klacht gegrond. Vast staat immers, als door de notaris en kandidaat-notaris erkend, dat er bij de uitvoering van hun werkzaamheden fouten zijn gemaakt. Een deel van deze fouten is inmiddels echter gecorrigeerd. Bovendien is de hoogte van de declaratie door de notaris verminderd en heeft de notaris aangeboden om met klager een gesprek aan te gaan en een (de Kamer begrijpt) passende oplossing te vinden waarbij de notaris heeft aangeboden de als gevolg van de tekortkomingen ontstane schade te zullen vergoeden. Gelet daarop is de Kamer van oordeel dat er geen, althans onvoldoende, aanleiding bestaat om aan de notaris en/of de kandidaat-notaris een sanctie op te leggen.

5.5. Ten aanzien van de klacht onder 4 wordt ten slotte overwogen dat vast staat dat bij de afwikkeling van de onderhavige nalatenschap een accountant was betrokken. De Kamer is van oordeel dat het controleren van belastingaangiften niet de taak van de notaris behoort. De notaris treft op dit punt dan ook geen verwijt. Deze klacht is ongegrond.

6. DE BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden:

verklaart de onderdelen van de klacht onder 2, 3 en 5 gegrond;

verstaat dat de notaris en de kandidaat-notaris geen maatregel zal worden opgelegd;

verklaart de overige onderdelen van de klacht ongegrond.

Deze beslissing is genomen te Leeuwarden door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzitter, mrs. J.C.G. Leijten, H.Ph. Breuker, E.M.W. de Lange en J. Huisman, leden, bijgestaan door mr. B.Ph.C. de Jong, (plaatsvervangend) secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2007.

De beslissing is verzonden op

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.