Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD0381

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
23-004095-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbreken proces-verbaal ter terechtzitting eerste aanleg

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 326
Wetboek van Strafvordering 423
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004095-06

datum uitspraak: 25 januari 2008

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

29 augustus 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-447400-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een preliminair verweer gevoerd, te weten dat uit de stukken van het dossier is gebleken dat geen proces-verbaal ter terechtzitting van 15 augustus 2006 door de rechtbank is opgemaakt. Hierdoor is naar het oordeel van de raadsman het hof niet in staat te beoordelen of aan alle formaliteiten is voldaan. De verdediging meent dan ook dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig moet worden verklaard en verzoekt het hof de zaak te verwijzen naar de rechtbank.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het proces-verbaal is de kenbron bij uitstek van het onderzoek ter terechtzitting. Nu het proces-verbaal ter terechtzitting van 15 augustus 2006 in het dossier ontbreekt, alsmede de aantekeningen van de griffier van die zitting, is het voor het hof niet mogelijk om na te gaan of aan alle formaliteiten ter terechtzitting is voldaan. De door de griffier opgemaakte en -mede door de voorzitter- ondertekende brief doet daaraan niet af. Teminder niet omdat volgens artikel 327 van het Wetboek van Strafvordering de griffier samen met de voorzitter het proces-verbaal van de zitting dient vast te stellen, hetgeen in dezen is nagelaten. Om deze reden acht het hof het onderzoek ter terechtzitting van 15 augustus 2006 nietig.

Het hof is van oordeel het ontbreken van een proces-verbaal ter terechtzitting in combinatie met het ontbreken van aantekeningen van de terechtzitting als te ernstige onvolkomenheid dient te gelden en mitsdien -overeenkomstig het verzoek van de verdediging- de zaak dient te worden verwezen naar de rechtbank.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Verwijst de zaak naar de rechtbank te Amsterdam, teneinde met inachtneming van deze uitspraak, recht te doen.

Dit arrest is gewezen door de 2e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. J.D.L. Nuis en mr. M.J.L. Mastboom, in tegenwoordigheid van mr. J. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 januari 2008.