Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BD0275

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
21-002110-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2007:BA4570, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte werd ervan verdacht op 5 november 2005 te Bunnik op het landgoed Oud Amelisweerd een toenmalige thuisloze op brute wijze van het leven te hebben beroofd. Verdachte heeft steeds ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

In eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen wegens doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en ter beschikkingstelling met dwangverpleging.

De rechtbank in Utrecht had verdachte bij vonnis van 7 mei 2007 veroordeeld wegens doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

Tegen dit vonnis hebben zowel de verdachte als het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte wegens moord te veroordelen tot 10 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het gerechtshof heeft geoordeeld dat op grond van de verklaringen van de ook ter zitting gehoorde getuigen het wettige en overtuigende bewijs is geleverd van doodslag.

Voor het hof was een belangrijk punt dat uit verklaringen van getuigen en uit afgeluisterde telefoongesprekken met een van hen blijkt dat verdachte beschikte over daderinformatie met betrekking tot het misdrijf, op tijdstippen waarop deze informatie door de media - publicaties in dagbladen en reportages in de tv-programma’s “Bureau Hengeveld” en “Opsporing Verzocht” - nog niet bekend was gemaakt. Een deugdelijke verklaring daarvoor heeft verdachte niet gegeven.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van doodslag, niet moord, omdat over de omstandigheden waaronder het slachtoffer om het leven werd gebracht te weinig bekend is. Het hof oordeelt verdachte strafbaar en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum te Utrecht hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis. Het hof heeft deze conclusie overgenomen en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Hoger beroep van LJN BA4570

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-002110-07

Uitspraak d.d.: 23 april 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

7 mei 2007 in de strafzaak tegen

[PERSONALIA]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 oktober 2007, 10 januari 2008, 8 en 9 april 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr B.L.M. Ficq, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 november 2005 te Bunnik, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade [het slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en

rustig overleg), die [het slachtoffer] meermalen met een (ijzeren) staaf/pijp, althans

een hard en stevig voorwerp, op/tegen het gezicht en/of het hoofd

geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging van verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt met betrekking tot het bewijs in het bijzonder als volgt.

Op 5 november 2005 werd op de oprijlaan van Oud Amelisweerd het slachtoffer, liggend op de weg door een dienstdoende boswachter aangetroffen. De boswachter zag bloed uit het hoofd vloeien dat op het asfalt terechtkwam. Het hoofd van het slachtoffer lag helemaal

open en zijn gezicht was zodanig verminkt dat hij onherkenbaar was geworden.

Uit de later gehouden sectie is duidelijk geworden dat op het hoofd van het slachtoffer excessief mechanisch geweld is toegepast en dat het slachtoffer aan de gevolgen daarvan is overleden.

1. Net als de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die [het slachtoffer] heeft gedood. Dit oordeel bereikt het hof, kort gezegd, in hoofdzaak dezelfde lijnen volgend als de rechtbank.

2. De eerste lijn is dat (a) meteen na het doden van [het slachtoffer] ter plaatse door de [getuige 1], de boswachter, een auto werd opgemerkt. Deze auto kan de auto van verdachte zijn geweest: een witte Suzuki Alto met schuin oplopende koplampen en opmerkelijke schade aan de voorzijde. Deze auto reed met gedoofde koplampen weg.

De tweede lijn (b) is dat verdachte, die door het hiervoor gestelde inmiddels voorwerp van het opsporingsonderzoek was geworden, blijkens getuigen uit zijn omgeving over informatie over het misdrijf bleek te beschikken en deze informatie aan deze getuigen heeft verstrekt. Verdachte beschikte over deze informatie op tijdstippen waarop deze door de media -het hof noemt in dit verband publicaties in de dagbladen en reportages van de tv-programma's Bureau Hengeveld van 8 en 15 november 2005 en 31 januari 2006 en Opsporing Verzocht van 31 januari 2006 nog niet bekend was gemaakt. De aard van een deel van deze informatie was zodanig dat deze alleen van de dader afkomstig kon zijn. Die getuigen zijn de [getuigen 2 en 3] en [getuige 4].

Verder (c) zijn er telefoongesprekken van verdachte met [getuige 5] van 1 en 6 februari 2006, waaruit ook blijkt dat verdachte over wetenschap beschikte, die alleen de dader kon hebben en waarin hij, in bedekte termen doch met een zekere vasthoudendheid [getuige 5] attent maakte op de aandacht die Opsporing Verzocht op 31 januari 2006 aan de dood van [het slachtoffer] had gegeven.

3. De hoofdpunten van de door en namens verdachte gevoerde verdediging zijn dat (d) de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuigen door hun eigen persoonlijke problematiek hoogst twijfelachtig is en dat (e) hun verklaring is beïnvloed door het feit dat verdachte, zoals hij -voor het eerst ter zitting van het hof van 8 april 2008 heeft aangevoerd- deze zaak uit "grootspraak"1 maar zonder dat hij werkelijk met de dood van [het slachtoffer] te maken had, min of meer naar zich toegehaald heeft, omdat hij het tegenover hen wilde doen voorkomen dat hij afgerekend had met degene die zijn kinderen had verkracht of in elk geval onzedelijk had benaderd. Verdachte had zich al meerdere malen uitgelaten over een plan om zulks ooit te doen.

Het hof hanteert de letters (a) tot en met (e) om bij hetgeen volgt gemakkelijk naar deze verschillende elementen te kunnen verwijzen.

4. Wat onderdeel (a) betreft is van belang dat [getuige 1] een duidelijke beschrijving geeft van de auto die hij van nabij van de plaats van het misdrijf heeft zien wegrijden en dat die auto een witte Suzuki Alto kan zijn geweest. Deze Suzuki Alto had schade, die overeenkomsten vertoonde met de schade die de Suzuki Alto van verdachte -blijkens diverse politierapporten in de dagen voor en na het feit- had. Dat leek eerst even anders omdat de getuige zelf eerst aan een Citroën AX en vervolgens aan een Suzuki Swift heeft gedacht, omdat de achterlichten van een dergelijke Citroën niet zouden lijken op de achterlichten die hij van de ter plaatse wegrijdende auto had gezien. Een Suzuki Swift had wel gelijkende achterlichten en eveneens schuin oplopende koplampen volgens de getuige. De getuige rekende aanvankelijk niet met de mogelijkheid dat er ook auto's van het merk en type Suzuki Alto bestonden met schuin oplopende koplampen. Dat deze mogelijkheid wel bestond, werd hem pas later duidelijk. De Suzuki Alto van verdachte beschikte over dergelijke schuin oplopende koplampen en had een schade zoals door de getuige was gezien.

De bijstellingen door [getuige 1] van zijn aanvankelijke verklaringen acht het hof mede gelet op zijn verklaring ter zitting van het hof op 8 april 2008 plausibel. Het hof ziet hierin zeker geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het beeld van de auto dat uiteindelijk uit de verklaringen van de [getuige 1] naar voren komt.

5. Dat er ter plekke geen bandensporen van de auto van verdachte zijn aangetroffen sluit niet uit dat de auto van verdachte daar is geweest. De politie heeft overigens slechts weinig bandensporen ter plaatse aangetroffen.

6. De [getuigen 2 en 3] hebben verklaard dat verdachte met gedoofde lichten is weggereden en dat verdachte dat aan hen had verteld. Dit gegeven is door de politie uit de publiciteit gehouden en uit de beide genoemde opsporingsprogramma's. In deze programma's is in de reconstructie, zelfs het tegendeel getoond.

De raadsvrouwe heeft naar voren gebracht dat [getuige 2 ] tijdens zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 7 september 2006 - pagina 4 - op zeker moment verklaard heeft dat hij via de programma`s "Opsporing Verzocht " en "Bureau Hengeveld" wist dat verdachte met gedoofde lichten was weggereden en dat verdachte hem dat niet verteld had.

Eerder in datzelfde verhoor -pagina 3- heeft [getuige 2] evenwel verklaard dat verdachte hem verteld had dat verdachte met gedoofde lichten was weggereden. Zowel [getuige 3] als [getuige 2] hebben bij hun verhoren tegenover verbalisanten hetzelfde verklaard.

Het hof vat de door de raadsvrouwe aangehaalde passage daarom dan ook niet op als een fundamentele en welbewuste wijziging in de verklaring van [getuige 2].

7. Wat onderdeel (b) betreft: [het slachtoffer] is blijkens de bevindingen van het sectierapport van de patholoog die de sectie verricht heeft, vermoedelijk doodgeslagen met een langwerpig voorwerp (een stok of een zijkant van een pijp) met een breedte van minimaal 2,5 cm of een rond en waarschijnlijk hol voorwerp (bijvoorbeeld het uiteinde van een pijp) met een doorsnede van ongeveer 2,5 cm. Volgens de getuigen [getuige 2] beschikte verdachte over een dergelijk voorwerp; hij had het in de huiskamer van zijn woning liggen en heeft het meegenomen op de avond dat [het slachtoffer] is gedood.

8. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte de [getuigen 2 en 3] die avond, na zijn thuiskomst van daderinformatie voorzien. De kwestie van de gedoofde lichten kwam hiervoor al aan de orde. Verdachte vertelde bij thuiskomst dat hij iets verschrikkelijks (ernstigs) had gedaan. De [getuigen 2 en 3] zagen dat verdachte met ontbloot bovenlijf thuiskwam en bloed aan zijn handen had en meteen naar de douche is gegaan. Verdachte vertelde hun dat hij het slachtoffer heeft geslagen met een ijzeren voorwerp, een pijpleiding. Ook deze informatie was voor hun eerste verhoor door de politie niet in de openbaarheid gebracht. Voorts vertelde verdachte dat hij (zoals hiervoor al aan de orde kwam) was weggereden met gedoofde lichten en dat hij dacht dat die andere man de boswachter was en dat hij die boswachter van zijn sokken wilde rijden. Dit laatste vindt bevestiging in hetgeen de [getuige 1] heeft ervaren.

9. Met betrekking tot onderdeel (d) geldt dat het inderdaad ongelukkig - maar wel begrijpelijk, zoals blijkt uit de verklaring van politiefunctionaris [naam] ter zitting van het hof - is dat het eerste contact van de politie met de [getuigen 2 en 3] en hun eerste verhoor met hen beiden, tezamen en tegelijkertijd heeft plaatsgevonden. Dit is daarna hersteld, in die zin dat beiden meerdere malen afzonderlijk zijn verhoord, ook nog ter zitting van het hof op 8 april 2008. Aan deze laatste verhoren heeft het hof de stellige indruk overgehouden dat de beide broers, ondanks hun beperkingen, ieder op hun eigen wijze zich goed kunnen herinneren hetgeen zij op de avond van de thuiskomst van verdachte, op de avond van de dood van [het slachtoffer], zelf hebben gezien en ervaren en wat zij van de verdachte hebben gehoord.

Bovendien hecht het hof waarde aan de verklaring van [getuige 6] van 20 februari 2006 (pagina 1507 e.v.), inhoudende dat [getuige 2 ] op 10 februari 2006 alleen -en dus niet in aanwezigheid van zijn broer [getuige 3]- aan haar heeft verteld over zijn wetenschap van de betrokkenheid van verdachte bij de dood van [het slachtoffer]. De inhoud van wat [getuige 2 ] haar heeft verteld komt overeen met hetgeen hij later aan de politie heeft verklaard.

In dit verband is tevens van belang het telefoongesprek dat verdachte op 6 februari 2006 met de getuige [getuige 5] heeft gevoerd. Verdachte zegt daarin "jij weet het, ik weet het en het vrouwtje2 weet het en die twee gebroeders weet je wel. Maar die heb ik al te pakken genomen."

Met betrekking tot die laatste zinsnede kan voorts worden opgemerkt dat de beide broers hebben aangegeven dat zij door verdachte meermalen zijn bedreigd, in die zin dat zij het verhaal niet verder mochten vertellen. Door deze bedreigingen van de zijde van verdachte - waarover ook de [getuige 6] heeft verklaard - hadden zij vervolgens problemen om met hun wetenschap naar buiten te komen.

10. Voor en in aanvulling op de aspecten (b) en (d) waar het de [getuigen 2 en 3] en de betrouwbaarheid van hun verklaringen betreft in relatie tot het verweer, dat het om "grootspraak" van verdachte (e) zou gaan is het navolgende van belang.

De telefoongesprekken met [getuige 5], onderdeel (c), weerleggen de door het hof aangenomen feitelijke juistheid van de getuigenissen van [getuige 1] en de [getuigen 2 en 3] niet. De wijze waarop verdachte in deze gesprekken aandacht besteedt aan zijn eigen positie tegenover politie en justitie3 en in het bijzonder de voorzichtige en bedekte wijze waarop verdachte zich in die gesprekken tegenover [getuige 5] uitlaat over zijn rol, getuigt er juist van dat het niet om grootspraak ging.

11. Onderdeel van het verweer is vervolgens dat er geen of onvoldoende wettig bewijs is. Dat verweer wordt verworpen. Voor de kanttekeningen die -inderdaad, ook in de ogen van het hof- te plaatsen zijn bij het eerste contact van de [getuigen 2 en 3] met de politie wordt verwezen naar overweging 9. Dat verweer raakt overigens de overtuigingskracht van dat materiaal, niet de wettigheid, de wettige herkomst, daarvan. Het overige bewijsmateriaal wordt ontleend aan bewijsmiddelen waarvan de wettigheid niet ter discussie heeft gestaan. Het hof heeft hiervoor uiteengezet waarop zijn overtuiging berust.

12. Wat de overtuigingskracht van het hiervoor besproken bewijsmateriaal betreft, geldt voorts nog het navolgende:

I. De verdediging heeft erop gewezen dat in de verklaringen van de [getuigen 2 en 3] een aantal -aanwijsbare- onwaarschijnlijkheden en onjuistheden voorkomen. Zo is het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat zij zelf, eigener beweging, met de datum 5 november 2005 als datum voor de onder overweging 8 besproken gebeurtenis komen, omdat zij er blijk van geven op allerlei (andere) punten weinig idee van tijd of tijdsverloop te hebben. Zo verklaart [getuige 3 ] bijvoorbeeld dat hij en zijn broer meteen daarna elders onderdak hebben gezocht en gevonden in De Kei hetgeen in werkelijkheid pas enige weken later gebeurde. Onjuist is ook dat zij diezelfde avond of nacht al op Teletekst hebben gezien wat er die avond bij het landgoed Amelisweerd was voorgevallen, omdat een dergelijk bericht pas de volgende ochtend is geplaatst. De verdediging wijst erop dat dat erop kan duiden dat beiden hun bekendheid met het feit dat verdachte van zins was om nog eens wraak te nemen op de "verkrachter" van zijn kinderen, hebben gecombineerd met wat zij aan de weet kwamen over de dood van [het slachtoffer], zulks onder invloed van de grootspraak van verdachte, blijkende uit zijn opstelling en uitlatingen die moesten suggereren dat verdachte inderdaad had afgerekend met die "verkrachter".

Deze mogelijkheid gaat er evenwel aan voorbij of laat onverklaard dat de beide [getuigen 2 en 3] concreet verklaard hebben over hoe verdachte op een avond de woning heeft verlaten en in welke staat hij later weer teruggekomen is en wat hij toen gezegd heeft . Het hof houdt daarbij rekening met de mogelijkheid dat de broers pas later de precieze datum van 5 november 2005 hebben gekoppeld aan deze avond, omdat de dood van [het slachtoffer] immers precies gedateerd kon worden.

Ook gaat de verdediging eraan voorbij dat de beide broers door verdachte zijn bedreigd om hun mond te houden over wat zij van verdachte gezien en gehoord hebben. Dit laatste vindt dan weer bevestiging -en zonder dat dat als grootspraak kan worden gezien- in het telefoongesprek van 6 februari 2006 van verdachte met [getuige 5]4.

Van belang is voorts dat verdachte niet heeft gewezen op een voorval dat wel heeft plaatsgevonden maar dat met de dood van [het slachtoffer] niets van doen had en dat bij de [getuigen 2 en 3] tot een dergelijke verklaring zou hebben kunnen leiden. Het zo even genoemde telefoongesprek van 6 februari 20065 daarentegen legt juist de verbinding tussen de dood van [het slachtoffer] en hun verklaringen.

II. Het gebruik van de computer die avond zou een aanwijzing kunnen opleveren dat verdachte op het tijdstip dat [het slachtoffer] werd gedood thuis geweest moet zijn.

Nu uit het dossier blijkt dat ook de [getuigen 2 en 3] toegang hadden tot de computer en zij het wachtwoord van verdachte kenden en zij zelf ook spelletjes op de computer speelden, kan daaruit niet worden afgeleid dat het verdachte was die op die momenten de computer bediende.

III. De gedragingen van verdachte tegenover de politie, bijvoorbeeld het feit dat hij met zijn auto naar het politiebureau is gegaan om aangifte te doen wegens mishandeling, zou erop wijzen dat verdachte niet de dader is.

In dat element van het verweer gaat het hof (eveneens) niet mee. Uit het telefoongesprek van 6 februari 2006 van verdachte met [getuige 5] blijkt dat verdachte zich -naar later blijkt ten onrechte- zeker voelde van zijn zaak6. Ook vanuit die opstelling bezien vindt die houding een plausibele verklaring.

13. Bij al het vorenstaande blijft onduidelijk waarom verdachte [het slachtoffer] heeft gedood. Maar alle vragen die daaromheen spelen, raken de zeggingkracht van het hiervoor besproken bewijsmateriaal niet.

Doodslag

Het hof komt tot een bewezenverklaring van doodslag, niet moord, omdat over de omstandigheden waaronder het slachtoffer om het leven werd gebracht te weinig bekend is om met zekerheid van "met voorbedachte rade" te kunnen spreken. Dat het slachtoffer door verdachte meerdere malen in en/of op het gezicht is geslagen met het wapen en dat verdachte dat wapen naar de plek waar het slachtoffer werd gedood heeft meegenomen, maakt het inderdaad mogelijk maar is niet voldoende om met zekerheid te kunnen vaststellen dat verdachte voorafgaande aan en tijdens het slaan van het slachtoffer tijd en gelegenheid had om zich rekenschap te geven van hetgeen hij ging doen en vervolgens gedaan heeft .

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 november 2005 te Bunnik, opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [het slachtoffer] meermalen met een (ijzeren) staaf/pijp, althans een hard en stevig voorwerp, op/tegen het gezicht en/of

het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemd slachtoffer is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

In eerste aanleg heeft de officier van justitie terzake van doodslag een gevangenisstraf van acht jaar gevorderd en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De rechtbank heeft betrokkene terzake van doodslag veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal terzake van moord 10 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging gevorderd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het slachtoffer woonde de laatste jaren in een wooneenheid van het Leger des Heils te Utrecht

Hij was bekend met een psychiatrische problematiek. Hij gebruikte echter trouw zijn medicatie en was al jaren stabiel. Hij ging zo rustig zijn gangetje. Aan deze rustige en stabiele levenssituatie is door het brute handelen van verdachte abrupt een einde gekomen.

Doodslag behoort tot de meest ernstige delicten die onze rechtsorde kent; het recht op leven tot de sterkste rechten waarvoor diezelfde rechtsorde opkomt. Dat rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf, zowel uit het oogpunt van vergelding als uit generaal preventief oogpunt.

Bij de strafoplegging is mede rekening gehouden met het ten name van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie waarop veroordelingen voorkomen ter zake van geweldsmisdrijven. De straf zal geen andere kunnen en moeten zijn dan een langdurige gevangenisstraf.

Daarmee kan echter niet worden volstaan. Gelet op hetgeen het hof omtrent de persoon van verdachte is gebleken, moet de samenleving in vergaande mate tegen verdachte worden beschermd. Het hof ziet hierin redenen om naast oplegging van de langdurige gevangenisstraf als na te melden, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging te gelasten.

Oplegging van maatregel

Terbeschikkingstelling met dwangverpleging

Artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht vereist voor een last tot terbeschikkingstelling dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Voorts dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.

Het hof heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, op 13 oktober 2006 opgemaakt door mevrouw

A. Ederveen-Grochowska, psychiater en vast gerechtelijk deskundige en A.J. de Groot, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 29 oktober 2007 heeft verdachte, nadat de advocaat-generaal daartoe een verzoek aan het hof had gedaan dit te bewerkstelligen, aangegeven niet bereid te zijn tot het ondergaan van een hernieuwde (poliklinische) observatie in het Pieter Baan Centrum. Bij tussenarrest van 12 november 2007 heeft het hof overwogen ambtshalve tot de conclusie te zijn gekomen dat een aanvullend onderzoek door het Pieter Baan Centrum diende plaats te vinden. Zoals mede uit de brief van het Pieter Baan Centrum van 28 maart 2008 blijkt, wenste verdachte niet mee te werken aan een aanvullend onderzoek.

Voormeld multidisciplinair rapport van het Pieter Baan Centrum houdt als conclusie van beide deskundigen in -zakelijk weergegeven- :

"Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk antisociale en narcistische, maar ook -in mindere mate- theatrale en borderline trekken. De antisociale trekken zijn ook zichtbaar in de hoge mate van psychopathie, zoals gemeten met de PCL-R. Bovendien is de persoonlijkheid zwak geïntegreerd. Verder is er bij betrokkene sprake van polydruggebruik In de afgelopen vijf jaar, onder invloed van externe factoren (wegvallen van steun van buitenaf en faillissement van zijn bedrijf) en misbruik van alcohol en drugs, werd zijn persoonlijkheidsstoornis nadrukkelijker zichtbaar, hetgeen gepaard ging met een sterke achteruitgang in het psychosociaal functioneren op meerdere terreinen (schulden, woonproblemen en contacten met justitie). Naast kenmerkende aspecten van zijn persoonlijkheidsstoornis werden tijdens dit onderzoek ook andere symptomen zichtbaar, zoals obsessieve en paranoïde gedachten, angst-, onrust- en depressieve gevoelens. Deze dienen vooral gezien te worden tegen de achtergrond van genoemde persoonlijkheidsstoornis. Zij kunnen worden beschouwd als uiting van falende copingmechanismen om het kwetsbare zelfbeeld en de ik-grenzen in stand te houden. De verslechtering van de kwantiteit en kwaliteit van relaties (voornamelijk de partnerrelatie) ging bij betrokkene gepaard met een toename van irreële en grandioze voorstellingen (narcistische afweer), veranderingen in zijn gevoelsleven (emotionele vervlakking) en verzwakking van zijn gewetensfuncties (verbaal en fysiek geweld jegens zijn partner).

In vergelijking met de eerdere Pro Justitia rapportages is het tijdens de observatieperiode in het Pieter Baan Centrum gelukt om meer zicht te krijgen op de aard en de ernst van de stoornissen van betrokkene en dankzij de observatie op de afdeling en informatie uit de milieurapportage, om het werkelijke (lager dan eerder ingeschat) niveau van zijn functioneren in kaart te brengen. Daarbij moet benadrukt worden dat betrokkene uitsluitend na een confrontatie met onbetwistbare feiten en bewijzen bereid was om meer betrouwbare informatie, zoals over zijn middelengebruik, prijs te geven.

De persoonlijkheidsstoornis was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig, omdat dit bij betrokkene een chronisch beloop heeft.

Er kan geen onderbouwd oordeel geveld worden over een eventueel verband tussen stoornis en delict, indien bewezen. Er zijn meerdere delictscenario's mogelijk, zoals (gekrenkte) reactieve agressie op psychosociale stressfactoren (betrokkene zou bijvoorbeeld het slachtoffer hebben aangezien voor degene die zijn kinderen heeft misbruikt) of proactieve agressie vanwege direct financieel of materieel gewin, of dynamiek die samenhangt met middelengebruik of eventueel zijn homo-seksuele gedragingen. Het is dan ook niet mogelijk een eventuele doorwerking van de stoornis van betrokkene in het delict, indien het bewezen wordt verklaard, vast te stellen. Gelet op het voorgaande is het niet mogelijk om een conclusie met betrekking tot de mate van (vermindering van) de toerekeningsvatbaarheid te trekken. Evenmin kan om die reden een gedragskundige inschatting van de delictgevaarlijkheid, voortvloeiend uit de stoornis, worden gemaakt."

Het hof neemt de hierboven weergegeven conclusie met betrekking tot het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis ten tijde van het tenlastegelegde over en maakt deze tot de zijne.

Hoewel verdachte zich deels weigerachtig heeft opgesteld, hebben de deskundigen, zoals zij dat in het rapport van 13 oktober 2006 doen, kunnen concluderen dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis. Vaststelling van een psychische stoornis is een noodzakelijke voorwaarde voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het hof is van oordeel dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde doodslag sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Niet uit te sluiten is dat deze stoornis van invloed is geweest op het bewezenverklaarde feit. Een nadere vaststelling van de mate van toerekeningsvatbaarheid is de deskundigen niet mogelijk gebleken, vanwege de ontkennende en deels weigerachtige houding van de verdachte. Aan een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging hoeft dit echter niet in de weg te staan.

Vervolgens is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen de oplegging van na te melden maatregel noodzakelijk maakt. Gelet op de wijze waarop de bewezen doodslag heeft plaatsgevonden en de bevindingen van de deskundigen dat bij verdachte sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis die in de afgelopen vijf jaar, onder invloed van externe factoren en misbruik van alcohol en drugs, nadrukkelijker zichtbaar is geworden, hetgeen gepaard ging met een sterke achteruitgang in het psychosociaal functioneren op meerdere terreinen, is het hof van oordeel dat er een serieuze kans op herhaling van heftige geweldsuitbarstingen tegen personen bestaat. Het hof acht het, gelet op de ernst van het feit en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte, niet verantwoord de verdachte zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd -waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren- te laten terugkeren in de maatschappij. Een vergaande beveiliging zou ook gerealiseerd kunnen worden door oplegging van een langdurige gevangenisstraf, maar het hof is van oordeel dat, nu apert van een psychische stoornis sprake is, oplegging van de gevangenisstraf naast na te noemen maatregel meer recht doet aan de persoon van verdachte en het belang van de samenleving.

Ten slotte, doodslag is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaar is gesteld, zodat is voldaan aan het vereiste van artikel 37a, eerste lid onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op de wettelijke voorwaarden is de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging derhalve mogelijk en naar het oordeel van het hof geboden.

Beslag

Het beginpunt van het onderzoek werd gevormd door het feit dat een personenauto als die waarover verdachte beschikte (een witte Suzuki Alto met opmerkelijke schade aan de voorzijde), nagenoeg gelijktijdig met of in elk geval meteen na het misdrijf in de directe nabijheid van de plaats delict werd gesignaleerd. Dit heeft de verdenking op verdachte gebracht. De hiervoor breed besproken getuigenverklaringen van de [getuigen 2 en 3] en [getuige 5] wijzen uit dat het inderdaad verdachte is geweest die [het slachtoffer] heeft gedood. De conclusie is dan dat verdachte die personenauto, die het spoor op hem zette, die avond heeft gebruikt om ter plaatse te gaan en weg te komen. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat het bewezenverklaarde moet zijn begaan met die personenauto en dat die personenauto voor verbeurdverklaring in aanmerking komt. De personenauto zal daarom worden verbeurd verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 37a, 37b, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto, merk Suzuki Alto, kleur wit en voorzien van kenteken [kenteken] vermeld onder 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke als bijlage II aan dit arrest is gehecht.

Gelast de teruggave aan Leger des Heils, Adelante 2, Harpstraat 13 te Utrecht van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een tweetal foto's vermeld onder nummer 14 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage II aan dit arrest is gehecht.

Gelast de teruggave aan de eigenaar van de woning [adres] te Utrecht van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een huissleutel vermeld onder nummer 16 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage II aan dit arrest is gehecht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de inbeslaggenomen goederen zoals vermeld onder de nummers 2 tot en met 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage II aan dit arrest is gehecht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een fietssleutel vermeld onder nummer 15 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage II aan dit arrest is gehecht.

Aldus gewezen door

mr H.W. Koksma, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier,

en op 23 april 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 ) het hof citeert verdachte.

2 ) de [getuige 4]

3 ) 6 februari 2006 (na "Opsporing Verzocht"): "Ze weten niets, alleen iets wits wat snel was".

4 ) zie ook overweging 9

5 ) "En die twee gebroeders weet je wel".

6 ) "Ze weten niets. Alleen iets wits wat snel was, meer niet."