Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9300

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
200.001.291-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldsanering. Echtgenote (algehele gemeenschap van goederen) heeft geen zeggenschap en verricht geen werkzaamheden binnen vof. Wetenschap van schulden niet gebleken, ontbreken goede trouw niet aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 4 april 2008 in de zaak met zaaknummer 200.001.291/01 van:

[…], e/v […]

wonende aan de […],

te […],

APPELLANTE,

procureur: mr. S.A. van der Sluijs.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante is bij per fax op 25 januari 2008 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 17 januari 2008 met rekestnummers 99570/FT-EA 08.6 en 99571/FT-EA 08.7, waarbij het verzoek van appellante tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Bij diezelfde beslissing is het verzoek van de echtgenoot van appellante, […], tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling eveneens afgewezen. De echtgenoot van appellante is van die beslissing in hoger beroep gekomen, welke zaak bij dit hof het zaaknummer 200.001.289/01 draagt, in welke zaak eveneens bij beslissing van heden uitspraak wordt gedaan.

1.2 Per fax van 21 februari 2008 heeft de raadsman van appellante twee producties overgelegd.

1.3 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 26 februari 2008, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Het hof heeft de behandeling van het hoger beroep aangehouden tot de zitting van 14 maart 2008 teneinde appellante in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verschaffen omtrent (de grondslagen van) de schulden ten aanzien waarvan de schuldsanering is verzocht, alsmede haar de mogelijkheid te geven haar verzoek persoonlijk toe te lichten.

1.4 Per fax van 13 maart 2008 heeft de raadsman van appellante, mr. K.A. Cerutti, het hof medegedeeld dat appellante ter terechtzitting niet zal verschijnen.

1.5 Op de voortgezette behandeling op 14 maart 2008 is namens appellante haar raadsman voornoemd verschenen.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechtbank heeft op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden het verzoek van appellante om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is – zakelijk weergegeven – niet aannemelijk gemaakt dat appellante ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de (vennootschaps)schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat – kort gezegd – appellante mede aansprakelijk is voor de schulden van haar echtgenoot die als vennoot van de vennootschap onder firma ‘[…]’ (hierna: de v.o.f.) hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schulden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat appellante in beginsel, gelet op het aanhangig zijn van een verzoek tot faillietverklaring van de v.o.f., tijdens de looptijd van de schuldsanering aangesproken zou kunnen worden voor verhaal van mogelijke boedelschulden, zodat het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub c van de Faillissementswet (Fw) niet kan worden toegewezen.

2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1 Appellante (thans 66 jaar oud) is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met […]. Zij ontvangt een AOW-uitkering.

2.2.2 De totale schuldenlast van appellante bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 Fw op 20 december 2007 € 925.398,56.

2.2.3 Appellante heeft in hoger beroep gemotiveerd betwist dat – samengevat - de schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan.

2.3 Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge (het per 1 januari 2008 in werking getreden) artikel 288 lid 1 sub b Fw voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder is geweest. Gelet hierop oordeelt het hof als volgt.

In hoger beroep dient ervan uit te worden gegaan dat de schulden van appellante enkel zijn ontstaan ten gevolge van het feit dat zij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met […], die als vennoot van de v.o.f. zakelijke schulden heeft gemaakt. Niet gebleken is dat appellante - die binnen bedoelde vennootschap geen zeggenschap heeft, noch werkzaamheden voor de vennootschap verricht - enige wetenschap had van het ontstaan dan wel onbetaald laten van de (vennootschaps)schulden. Gelet daarop is niet aannemelijk dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden niet te goeder trouw is geweest. Aan appellante dient derhalve een kans te worden geboden om uit haar financieel benarde situatie te komen.

2.4 Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en het onderhavige verzoek van appellante alsnog toewijzen, nu ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan.

3. De beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover de beslissing zich richt tot appellante, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart alsnog op appellante de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;

- verwijst de zaak naar de rechtbank Alkmaar om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, S. Clement en R.J.Q. Klomp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 4 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.