Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
200.001.289-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BE9095, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BE9095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldsanering. Overdracht van bedrijf van vof aan daartoe opgerichte bv zonder enige vergoeding, betekent dat schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-04-04
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 4 april 2008 in de zaak met zaaknummer 200.001.289/01 van:

[…],

wonende aan de […],

te […]

APPELLANT,

procureur: mr. S.A. van der Sluijs.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant is bij per fax op 25 januari 2008 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 17 januari 2008 met rekestnummers 99570/FT-EA 08.6 en 99571/FT-EA 08.7, waarbij het verzoek van appellant tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Bij diezelfde beslissing is het verzoek van de echtgenote van appellant, […], tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling eveneens afgewezen. De echtgenote van appellant is van die beslissing in hoger beroep gekomen, welke zaak bij dit hof het zaaknummer 200.001.291/01 draagt, in welke zaak eveneens bij beslissing van heden uitspraak wordt gedaan.

1.2 Per fax van 21 februari 2008 heeft de raadsman van appellant twee producties overgelegd.

1.3 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 26 februari 2008, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Het hof heeft de behandeling van het hoger beroep aangehouden tot de zitting van 14 maart 2008 teneinde appellant in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verschaffen omtrent (de grondslagen van) de schulden ten aanzien waarvan de schuldsanering is verzocht.

1.4 Op de voortgezette behandeling op 14 maart 2008 is appellant verschenen, vergezeld van zijn mede-vennoot […] en diens echtgenote […] en bijgestaan door mr. K.A. Cerutti, advocaat te Hoorn.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechtbank heeft op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden het verzoek van appellant om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is – zakelijk weergegeven – niet aannemelijk gemaakt dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de (vennootschaps)schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat appellant in beginsel, gelet op het aanhangig zijn van een verzoek tot faillietverklaring van de vennootschap onder firma waarvan appellant vennoot is, tijdens de looptijd van de schuldsanering aangesproken zou kunnen worden voor mogelijke boedelschulden, zodat het verzoek op grond van artikel 288 lid 1 sub c van de Faillissementswet (Fw) niet kan worden toegewezen.

2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1 Appellant (thans 67 jaar oud) is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met […]. Hij ontvangt een AOW-uitkering.

2.2.2 Appellant is vennoot van de vennootschap onder firma ‘[…]’, welke vennootschap een transportbedrijf exploiteert. De mede-vennoten van appellant zijn X en Y.

2.2.3 In januari 2008 is het bedrijf van de v.o.f. ingebracht in een besloten vennootschap, van welke vennootschap de zoon van X enig aandeelhouder is.

2.2.4 De totale schuldenlast van appellant bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 Fw op 20 december 2007 € 925.398,56, waarvan het merendeel zakelijk van aard.

2.2.5 Appellant heeft in hoger beroep primair betwist dat – samengevat - de schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan en heeft daartoe aangevoerd dat de schulden alle betrekking hebben op de uitoefening van de onderneming. Subsidiair, indien de goede trouw bij het ontstaan van de schulden onvoldoende aannemelijk is, heeft appellant aangevoerd dat hij de omstandigheden die tot het ontstaan van de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen, in de zin dat er – gelet op de bedrijfsbeëindiging – geen nieuwe (bedrijfs)schulden zullen ontstaan.

2.3 Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge (het per 1 januari 2008 in werking getreden) artikel 288 lid 1 sub b Fw voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder is geweest. Gelet hierop oordeelt het hof als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep is uiteengezet dat het bedrijf van de v.o.f., waaronder het onderhanden werk, de geleasete vrachtauto’s en het personeel, als ‘going concern’ zonder daarvoor enige vergoeding aan de v.o.f. betalend aan een voor dat doel specifiek opgerichte B.V. is overgedragen op een moment dat de vennoten, onder wie appellant, wisten dat zij niet meer in staat waren aan de verplichtingen ten opzichte van hun schuldeisers te voldoen. Indachtig de verklaring van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep dat de v.o.f. in het jaar 2007 een omzet van ongeveer € 760.000,- heeft gerealiseerd, brengt reeds het enkele feit dat het bedrijf is overgedragen zonder enige vergoeding te betalen aan de v.o.f. mee dat de crediteuren van de v.o.f. zijn benadeeld. Hieraan doet niet af dat, zoals ter terechtzitting gesteld, de B.V. aan wie het bedrijf is overgedragen zich bereid verklaard heeft een met de curator over een te komen vergoeding te betalen in verband met de waarde van het bedrijf. Immers reeds door dit handelen is de positie van de curator van de v.o.f. bemoeilijkt, nu hem de mogelijkheid is ontnomen aanstonds de v.o.f. aan derden aan te bieden en alsdan mogelijkerwijs een hogere verkoopopbrengst te realiseren. Gesteld noch gebleken is voorts dat appellant van de hierboven geschetste gang van zaken niet op de hoogte was en deze niet heeft kunnen voorkomen. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat de vennoten, onder wie appellant, ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden te goeder zijn geweest. Dit staat aan toelating van appellant tot de schuldsaneringsregeling in de weg. Gelet op het voorgaande behoeven de (overige) aangevoerde grieven geen bespreking.

2.4 Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat de uitspraak waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 288 lid 3 Fw.

3. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voorzover het betrekking heeft op appellant.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, S. Clement en R.J.Q. Klomp en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 4 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.